← België

V. contra M.

Obsah (4)Art. 479Art. 482bisArt. 43Art. 63

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Een burgerlijke partijstelling tegen een in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon, tegen deelnemers aan het aan die persoon verweten misdrijf en tegen daders van daarmee samenhangende misdrijven, wat een aantasting inhoudt van het beslissingsmonopolie van de procureur-generaal, kan de strafvordering niet geldig op gang brengen voor het geheel van de met de burgerlijke partijstelling geviseerde feiten; uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgt dat deze van de gewone rechtspleging afwijkende regeling, in het bijzonder wat betreft de onmogelijkheid voor een benadeelde om de strafvordering op gang te brengen, geen miskenning inhoudt van het gelijkheidsbeginsel en dat de afwijkende regeling verantwoord is gelet op de doelstelling ondoordachte, onverantwoorde en tergende vervolgingen alsook een te strenge hetzij een te toegevende beoordeling te vermijden en daardoor de rechten van de benadeelde niet buitensporig worden beperkt aangezien er andere mogelijkheden zijn om genoegdoening te verkrijgen

(1).
(1)Vgl. Cass. 18 februari 2014, AR P.13.0808.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140218.2, AC 2014, nr. 126. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 11 Het onderzoeksgerecht dat wordt gevraagd de rechtspleging te regelen en vaststelt dat de klacht met burgerlijke partijstelling is gericht tegen een persoon met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid en tegen anderen als deelnemer aan het aan die persoon verweten misdrijf of als dader van daarmee samenhangende misdrijven, kan dan ook oordelen dat door de klacht met burgerlijke partijstelling de strafvordering niet geldig is ingesteld voor het geheel van de met die klacht geviseerde feiten en de omstandigheid dat de procureur-generaal op dat ogenblik nog niet heeft beslist over het instellen van de strafvordering doet daaraan niets af; die beslissing perkt de rechten van de benadeelde partijen niet buitensporig in aangezien zij hun klacht kunnen richten tot de procureur-generaal aan wie het toekomt te oordelen over de wenselijkheid van het instellen van de strafvordering en in bevestigend geval voor welke feiten; indien de procureur-generaal beslist de strafvordering in te stellen, kunnen de benadeelden hun rechten in het kader van die procedure laten gelden en indien de procureur-generaal beslist om de zaak te seponeren, kunnen de benadeelden voor wat betreft de deelnemers aan het aan de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf of aan de daders van de daarmee samenhangende misdrijven hun rechten laten gelden volgens de regels van de gewone rechtspleging en is een burgerlijke partijstelling tegen die personen mogelijk en bovendien belet het bijzonder stelsel van voorrecht van rechtsmacht een benadeelde niet zijn burgerlijke partijstelling uitsluitend te richten tegen de mededaders van het aan de door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf en tegen de daders van de daarmee samenhangende misdrijven

(1).
(1)O. MICHIELS, “Connexité et règlement de la procédure dans les hypothèses de privilège de juridiction", JT, 1998, 395 e.v.; I. MENNES, "Voorrecht van rechtsmacht en samenhang", T. Strafr. 2015, 68. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 12 - 15 De beslissing of de deelnemers aan het aan de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf of aan de daders van de daarmee samenhangende misdrijven worden verwezen naar het vonnisgerecht zal worden genomen hetzij door het onderzoeksgerecht nadat de procureur-generaal een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek heeft genomen, hetzij ingeval van seponering door de procureur-generaal, door het onderzoeksgerecht na een nieuwe klacht met burgerlijke partijstelling en de burgerlijke partijen kunnen ook rechtstreeks dagvaarden voor het vonnisgerecht; aldus kan de procureur des Konings niet autonoom beslissen de vordering dat de strafvordering niet geldig is ingesteld hetzij te beperken tot de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon en verder te vorderen dat de strafvordering kan worden voortgezet voor wat betreft de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de samenhangende misdrijven, dan wel te vorderen dat de strafvordering voor het geheel van de met de burgerlijke partijstelling geviseerde feiten niet geldig is ingesteld aangezien hij deze beslissing slechts kan nemen op instructie van de procureur-generaal, zijnde de overheid exclusief bevoegd voor het instellen van de strafvordering tegen personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid, de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de ermee samenhangende misdrijven

(1).
(1)Zie Omzendbrief 03/2012 van het College PG – Voorrecht van rechtsmacht. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 16 - 18 De prejudiciële vraag die strekt tot een vergelijking van niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk, eensdeels, het geval waarbij een klacht met burgerlijke partijstelling niet een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon viseert, maar enkel de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de samen- hangende misdrijven, en, anderdeels, het geval waarbij zowel een persoon met een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid als de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de ermee samenhangende misdrijven worden geviseerd, dient niet te worden gesteld. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 479

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 482bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1574.N

  1. A. V. E.,
  2. D. C.,
  3. C. nv,
  4. DR. V. E. A.M. bv, burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, de cassatieberoepen tegen
  5. F. R. M. F. M.,
  6. G. R. C. F. M. V. D. B.,
  7. V. G. C. W. S. V. D. B.,
  8. S. J. H. D., inverdenkinggestelden, verweerders, de derde en vierde verweerders met als raadsman mr. Anne Marie Declerck, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 november
  9. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  10. Het eerste onderdeel van het eerste middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en de artikelen 63, 479 en 482bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de burgerlijkepartijstelling van de eisers volledig niet ontvankelijk en oordeelt dat de strafvordering niet regelmatig op gang werd gebracht, terwijl die beslissing enkel dient te slaan op de inverdenkinggestelde met de hoedanigheid van voorrecht van rechtsmacht en niet op de andere inverdenkinggestelden; het onderzoek kan worden verdergezet tegen die andere inverdenkinggestelden; verschillende onderzoeksdaden hadden kunnen worden verricht zonder betrekking te hebben op de inverdenkinggestelde met voorrecht van rechtsmacht; er is geen sprake van een onlosmakelijk geheel tussen de handelingen verricht door de inverdenkinggestelde met voorrecht van rechtsmacht en de andere inverdenkinggestelden; het stelsel van voorrecht van rechtsmacht is een uitzonderingsstelsel en moet dan ook restrictief worden geïnterpreteerd; het meevervolgen van zij die geen voorrecht van rechtsmacht genieten, veronderstelt de effectieve vervolging van de persoon met voorrecht van rechtsmacht, wat hier niet aan de orde is. Het tweede onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht: het arrest laat na het verweer van de eisers dat is ontleend aan de omzendbrief COL nr. 3/2012 en betreffende het uitzonderlijk en dus restrictief te interpreteren stelsel van voorrecht van rechtsmacht te beantwoorden. Het tweede middel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het Grondwettelijk Hof heeft met het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 beslist dat de procureur des Konings niet als enige bevoegd mag zijn om te beslissen dat personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten naar het vonnisgerecht mogen worden verwezen; in de voorliggende zaak heeft de procureur des Konings beslissende zeggenschap omdat de afloop van het onderzoek anders kan zijn naargelang de procureur des Konings wel of geen vordering neemt zoals nader is toegelicht in de omzendbrief COL nr. 3/2012; de eisers zijn volledig afhankelijk van de beslissing van de procureur des Konings; minstens moeten aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen worden gesteld: 1) Schenden de artikelen 479 en 482bis Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 63 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het gerechtelijk onderzoek bij een klacht met burgerlijkepartijstelling die zowel gericht is tegen personen met als zonder voorrecht van rechtsmacht, verder kan worden gezet en dus de gemeenrechtelijke procedure volgt ten aanzien van de personen zonder voorrecht van rechtsmacht indien de procureur des Konings nadien ook een vordering tot onderzoek neemt, terwijl het onderzoek niet verder kan worden gezet bij een klacht met burgerlijkepartijstelling tegen de personen zonder voorrecht van rechtsmacht indien de procureur des Konings geen vordering neemt, waaruit volgt dat de procureur des Konings meer rechten heeft dan de burgerlijke partij? 2) Schenden de artikelen 479 en 482bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 EVRM, in zoverre het gerechtelijk onderzoek bij een klacht met burgerlijkepartijstelling die zowel gericht is tegen personen met als zonder voorrecht van rechtsmacht, niet verder kan worden gezet en dus de gemeenrechtelijke procedure niet volgt, ook ten aanzien van de personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten indien geen vervolging wordt opgestart tegen de personen met voorrecht van rechtsmacht, terwijl een klacht met burgerlijkepartijstelling enkel gericht tegen personen zonder voorrecht van rechtsmacht wel verder kan worden gezet en dus de gemeenrechtelijke procedure volgt; in beide situaties worden personen zonder voorrecht van rechtsmacht vervolgd?”; de alternatieven die er volgens het arrest voor de eisers bestaan, doen geen afbreuk aan de ongelijkheid en de relevantie van de prejudiciële vragen. Het derde middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 63, 479 en 482bis Wetboek van Strafvordering: het Grondwettelijk Hof heeft met het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 geoordeeld dat de procureur des Konings niet als enige bevoegd mag zijn om te beslissen dat personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten naar het vonnisgerecht mogen worden verwezen; in de voorliggende zaak heeft de procureur des Konings beslissende zeggenschap omdat de afloop van het onderzoek anders kan zijn naargelang de procureur des Konings wel of geen vordering neemt zoals nader is toegelicht in de omzendbrief COL nr. 3/2012; de eisers zijn volledig afhankelijk van de beslissing van de procureur des Konings; er is sprake van een ongelijkheid tussen benadeelden van een misdrijf waarbij geen personen met voorrecht van rechtsmacht betrokken zijn en er geen personen met voorrecht van rechtsmacht worden vervolgd en benadeelden van een misdrijf waarbij wel personen met voorrecht van rechtsmacht zijn betrokken maar er geen personen met voorrecht van rechtsmacht worden vervolgd; er bestaat ook een ongelijkheid doordat de onontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling beperkt is tot de personen met voorrecht van rechtsmacht dan wel zich ook uitstrekt tot de personen die geen voorrecht van rechtsmacht hebben naargelang de procureur des Konings een vordering heeft genomen; het arrest oordeelt ten onrechte dat geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel voorligt.
  11. In zoverre het eerste onderdeel van het eerste middel aanvoert dat verschillende onderzoeksdaden hadden kunnen worden verricht die geen betrekking hebben op de inverdenkinggestelde met voorrecht van rechtsmacht en dat er geen sprake is van een onlosmakelijk geheel tussen de handelingen van die inverdenkinggestelde en de andere inverdenkinggestelden, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. In zoverre is het eerste onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk.
  12. Uit artikel 479 Wetboek van Strafvordering volgt dat het de procureur-generaal bij het hof van beroep toekomt te beslissen over het instellen van de strafvordering tegen de in dat artikel vermelde personen zoals een plaatsvervangend vrederechter.
  13. Artikel 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de ambtenaar met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering vermelde hoedanigheid wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven samen worden vervolgd en berecht met de ambtenaar.
  14. Daaruit volgt dat het ook aan de procureur-generaal toekomt te beslissen over de vervolging van deelnemers aan het misdrijf waarvoor de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon wordt vervolgd en van daders van met dat misdrijf samenhangende misdrijven.
  15. Een burgerlijkepartijstelling tegen een in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon, tegen deelnemers aan het aan die persoon verweten misdrijf en tegen daders van daarmee samenhangende misdrijven, wat een aantasting inhoudt van het beslissingsmonopolie van de procureur-generaal, kan de strafvordering niet geldig op gang brengen voor het geheel van de met de burgerlijkepartijstelling geviseerde feiten.
  16. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgt dat deze van de gewone rechtspleging afwijkende regeling, in het bijzonder wat betreft de onmogelijkheid voor een benadeelde om de strafvordering op gang te brengen, geen miskenning inhoudt van het gelijkheidsbeginsel. De afwijkende regeling is verantwoord gelet op de doelstelling ondoordachte, onverantwoorde en tergende vervolgingen alsook een te strenge hetzij een te toegevende beoordeling te vermijden. Bovendien worden de rechten van de benadeelde niet buitensporig beperkt aangezien er andere mogelijkheden zijn om genoegdoening te verkrijgen.
  17. Het onderzoeksgerecht dat wordt gevraagd de rechtspleging te regelen en vaststelt dat de klacht met burgerlijkepartijstelling is gericht tegen een persoon met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid en tegen anderen als deelnemer aan het aan die persoon verweten misdrijf of als dader van daarmee samenhangende misdrijven, kan dan ook oordelen dat door de klacht met burgerlijkepartijstelling de strafvordering niet geldig is ingesteld voor het geheel van de met die klacht geviseerde feiten. De omstandigheid dat de procureur-generaal op dat ogenblik nog niet heeft beslist over het instellen van de strafvordering doet daaraan niets af.
  18. Die beslissing perkt de rechten van de benadeelde partijen niet buitensporig in. Zij kunnen immers hun klacht richten tot de procureur-generaal aan wie het toekomt te oordelen over de wenselijkheid van het instellen van de strafvordering en in bevestigend geval voor welke feiten. Indien de procureur-generaal beslist de strafvordering in te stellen, kunnen de benadeelden hun rechten in het kader van die procedure laten gelden. Indien de procureur-generaal beslist om de zaak te seponeren, kunnen de benadeelden voor wat betreft de deelnemers aan het aan de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf of aan de daders van de daarmee samenhangende misdrijven hun rechten laten gelden volgens de regels van de gewone rechtspleging en is een burgerlijkepartijstelling tegen die personen mogelijk. Bovendien belet het bijzonder stelsel van voorrecht van rechtsmacht een benadeelde niet zijn burgerlijkepartijstelling uitsluitend te richten tegen de mededaders van het aan de door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf en tegen de daders van de daarmee samenhangende misdrijven.
  19. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  20. Het onderzoeksgerecht moet de redenen van zijn beslissing vermelden. Het moet nochtans geen melding maken van de redenen van zijn redenen. De op dit gerecht rustende motiveringsplicht houdt niet in dat moet worden geantwoord op elk argument van een partij dat wordt aangevoerd tot staving van een verweer, maar dat zelf geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre het tweede onderdeel van het eerste middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Met de redenen die het arrest (p. 15-17, randnrs. 2.5-2.7) bevat, beantwoorden en verwerpen de appelrechters het in de appelconclusie van de eisers bedoelde verweer, zonder dat ze specifiek dienen te antwoorden op de aan de omzendbrief COL nr. 3/2012 ontleende argumenten, die louter worden aangevoerd tot staving van dit verweer zonder een afzonderlijk verweer te vormen. In zoverre kan het tweede onderdeel van het eerste middel niet worden aangenomen.
  22. Uit het voorgaande volgt verder dat de procureur des Konings niet als enige bevoegd is om te beslissen of de deelnemers aan het aan de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf of aan de daders van de daarmee samenhangende misdrijven worden verwezen naar het vonnisgerecht. Die beslissing zal immers worden genomen hetzij door het onderzoeksgerecht nadat de procureur-generaal een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek heeft genomen, hetzij ingeval van seponering door de procureur-generaal, door het onderzoeksgerecht na een nieuwe klacht met burgerlijkepartijstelling. De burgerlijke partijen kunnen ook rechtstreeks dagvaarden voor het vonnisgerecht. In zoverre het tweede en het derde middel uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  23. De eerste prejudiciële vraag is gebaseerd op een onjuiste lezing door de eisers van het randnr. 33 van de omzendbrief COL. nr. 03/
  24. De eisers leiden daaruit af dat de procureur des Koning autonoom kan beslissen de vordering dat de strafvordering niet geldig is ingesteld te beperken tot de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon en verder te vorderen dat de strafvordering kan worden voortgezet voor wat betreft de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de samenhangende misdrijven, dan wel te vorderen dat de strafvordering voor het geheel van de met de burgerlijkepartijstelling geviseerde feiten niet geldig is ingesteld. Uit het bewuste randnummer van deze omzendbrief blijkt evenwel dat de procureur des Konings deze beslissing slechts kan nemen op instructie van de procureur-generaal, zijnde de overheid exclusief bevoegd voor het instellen van de strafvordering tegen personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid, de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de ermee samenhangende misdrijven. Er is dan ook geen grond tot het stellen van deze prejudiciële vraag.
  25. De tweede prejudiciële vraag strekt tot een vergelijking van niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk, eensdeels, het geval waarbij de klacht met burgerlijkepartijstelling niet een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon viseert, maar enkel de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de samenhangende misdrijven, en, anderdeels, het geval waarbij zowel een persoon met een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid als de mededaders van het aan die persoon verweten misdrijf en de daders van de ermee samenhangende misdrijven worden geviseerd. De verantwoording die ten grondslag ligt van het aan de van het gemeen recht afwijkende stelsel van voorrecht van rechtsmacht is in het eerste geval niet voorhanden. Er is bijgevolg evenmin grond tot het stellen van deze prejudiciële vraag.
  26. Gelet op het voorgaande hebben de eisers geen belang meer bij hun kritiek op de beslissing van de appelrechters de prejudiciële vragen niet te stellen. In zoverre is het tweede middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,71 euro, waarvan 78,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140218.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.