id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.15 Rolnummer: P.24.0080.N Zaak: B. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 730 - laatst gezien 2026-06-18 16:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een wrakingsverzoek kan niet worden gebruikt om het definitief karakter van een bij toepassing van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek door de voorzitter gewezen beschikking ongedaan te maken; daaruit volgt dat in het kader van een verdelingsincident aangevoerde onwettigheden, waarover door de voorzitter van de rechtbank is beslist, niet onder de vorm van de wrakingsgrond van gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kunnen worden aangevoerd tegen de rechters die zetelen in de kamer aan wie de zaak volgens de beschikking is toegewezen en de omstandigheid dat de beslechting van een verdelingsincident betrekking heeft op de toebedeling van een zaak aan een kamer en de wrakingsgegrond betrekking heeft op de geschiktheid van een rechter om te zetelen, laat niet toe anders te oordelen
(1).
(1)Vgl. Cass. 19 september 2023, AR P.23.1145.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.11, AC 2023, nr.
- Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 2, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 2, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0080.N F. C. C. B., beklaagde, verzoeker tot wraking, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Kato Van Espen, advocaat bij de balie Gent, TEVENS INZAKE
- J. J. L., beklaagde,
- I. B., beklaagde,
- M. L. P., beklaagde,
- Y. M. E. W., beklaagde,
- Z. M. R., beklaagde,
- R. M., beklaagde,
- Y. F. P. V., beklaagde,
- D. G. M. N. R., beklaagde,
- T. V. D. A., beklaagde,
- N. V. J. D. C., beklaagde,
- K. S., beklaagde,
- V. D. B., beklaagde,
- K. A. M., beklaagde,
- A. B., beklaagde,
- A. E. M., beklaagde,
- K. J. M. N., beklaagde,
- A. C., beklaagde,
- I. E. B., beklaagde,
- L. K., beklaagde,
- A. S., beklaagde,
- Y. D. A. V., beklaagde,
- D. M., beklaagde,
- G. L. J., beklaagde,
- I. Z., beklaagde,
- N. T., beklaagde,
- R. B., beklaagde,
- D. L., beklaagde,
- G. S., beklaagde,
- P. A. V. V., beklaagde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 4 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
- Na een regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht werd de zaak met notitienummer AN.10.F0.3256/2020 bij beschikking van 1 juni 2023 van de dienstdoende voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen gelet op de complexiteit en het belang ervan toebedeeld aan een kamer met drie rechters.
- De eiser en de medebeklaagden werden in deze zaak gedagvaard voor de rechtszitting van de kamer ACV3 van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 17 augustus
- Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 augustus 2023 van de kamer ACV3, die was samengesteld uit de rechters J. D. H. en F. R. en plaatsvervangend rechter D. V. H., heeft de raadsman van de eiser de onwettigheid aangevoerd van de beschikking van 1 juni 2023 waarbij de zaak werd toebedeeld aan de kamer ACV3, heeft hij gevraagd de zaak te verzenden naar de voorzitter van de rechtbank om de zaak op een correcte manier toe te bedelen aan een kamer en heeft hij een conclusie en stukken ingediend. Uit dit proces-verbaal blijkt verder dat het openbaar ministerie om conclusietermijnen heeft verzocht overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering en heeft de kamer ACV3 de zaak daarop in voortzetting gesteld naar de rechtszitting van 7 september 2023 van de kamer AC
- Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 7 september 2023 van de kamer AC8, die was samengesteld uit de rechters J. D. H., D. P. en F. R., heeft de raadsman van de eiser verzocht de zaak te verwijzen naar de voorzitter van de rechtbank bij toepassing van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek. De kamer AC8 heeft volgens dit proces-verbaal na beraadslaging het dossier aan de voorzitter van de rechtbank voorgelegd bij toepassing van de voormelde bepaling “gelet op het verplicht karakter daarvan zodra een verdelingsincident voor enig ander middel wordt opgeworpen”.
- De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen heeft bij beschikking van 26 september 2023 geoordeeld over het opgeworpen verdelingsincident. Hij heeft samengevat als volgt beslist: - de beschikking van toebedeling aan de kamer ACV3 is regelmatig; - de zaak moet toegewezen blijven aan de kamer AC8, toewijzing die in overeenstemming is met het bijzonder reglement van de rechtbank en de sedert lang geldende mondelinge en consistente instructies van de voorzitter aan de griffie; - een vakantiekamer moet zaken die worden uitgesteld naar een rechtszitting tijdens het gerechtelijk jaar, verwijzen naar een kamer die overeenkomstig het reglement de zaak dient te behandelen en dit is de kamer AC
- Op 19 oktober 2023 heeft de eiser, vóór de aanvang van de rechtszitting van de kamer AC8, verzoekschriften tot wraking ingediend tegen de rechters J. D. H., F. R. en C. V. In de wrakingsverzoeken werpt de eiser samengevat op dat er geen wettige en regelmatige beschikking in de zin van artikel 92, § 1/1, Gerechtelijk Wetboek voorhanden is, dat het openbaar ministerie zijn rechter heeft gekozen en dat de rechters zichzelf hebben gekozen om uitspraak te doen. Daaruit leidt de eiser af dat de drie rechters niet kunnen zetelen, gelet op het bestaan van gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek.
- De rechters tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, hebben verklaard zich niet te onthouden.
- Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 oktober 2023 van de kamer AC8, die was samengesteld uit de rechters J. D. H., D. P. en F. R., werd de behandeling van de zaak geschorst gelet op het ’s morgens indienen van wrakingsverzoeken tegenover twee van de drie rechters.
- Met het arrest van 4 december 2023: - wordt aan de eiser akte verleend van de afstand van zijn wrakingverzoek in zoverre gericht tegen rechter C. V.; - wordt vastgesteld dat de feitelijke grondslag voor het ingeroepen verdelingsincident ook de feitelijke grondslag vormt voor de latere verzoeken tot wraking; - worden de tegen de rechters J. D. H. en F. R. gerichte verzoeken tot wraking onontvankelijk verklaard omdat zij slechts zijn voorgedragen ruim na de aanvang van de pleidooien die in deze zaak reeds plaatsvonden op 17 augustus 2023 (kamer ACV3) en 7 september 2023 (kamer AC8) en de eiser reeds vóór de aanvang van de pleidooien kennis had van de aangevoerde redenen tot wraking, minstens had de eiser vóór de aanvang van de pleidooien op de rechtszitting van 7 september 2023 kennis van de toebedeling van deze zaak aan de kamer AC
- III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 828 en 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart ten onrechte de tegen de rechters J. D. H. en F. R. ingediende wrakingsverzoeken onontvankelijk wegens laattijdigheid; een wraking kan maar worden voorgedragen wanneer er zekerheid bestaat over het gegeven welke rechter effectief zal zetelen; zolang het verdelingsincident, dat geen betrekking heeft op de rechters die zullen zetelen maar wel op de kamer, niet is beslecht kan enige reden van wraking zich niet voordoen; de eiser kon op 17 augustus 2023 en op 7 september 2023 niet weten welke rechters in de zaak zouden zetelen; enkel voorafgaand aan een rechtszitting kan een partij zich ervan vergewissen en zekerheid krijgen welke rechters in zijn zaak zullen zetelen; de dienstregeling voorziet immers in de mogelijkheid van wijziging indien nodig; de eiser kon slechts op 19 oktober 2023, juist vóór de rechtszitting, zekerheid hebben over de rechters die zouden zetelen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is niet duidelijk gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat is aangetoond dat de eiser kennis had van de door hem aangevoerde gronden van wraking vóór de aanvang van de pleidooien op de rechtszittingen van 17 augustus 2023 en 7 september 2023; het oordeelt anderzijds dat de eiser minstens vóór de aanvang van het pleidooi op de rechtszitting van 7 september 2023 kennis had van de toebedeling van de zaak aan de kamer AC8; aldus is niet duidelijk welke van deze twee data in aanmerking wordt genomen als ogenblik van de kennis door de eiser.
- Artikel 88, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat incidenten in verband met de verdeling van de zaken onder de afdelingen, secties, kamers of rechters van eenzelfde rechtbank zoals vastgelegd in het bijzonder reglement of zaakverdelingsreglement worden geregeld op de in die paragraaf bepaalde wijze. Volgens artikel 88, § 2, tweede en derde lid, Gerechtelijk Wetboek wordt over een dergelijk incident beslist door de voorzitter van de rechtbank bij beschikking. Volgens artikel 88, § 2, derde lid, derde zin, Gerechtelijk Wetboek staat tegen die beschikking geen rechtsmiddel open, behoudens een cassatieberoep voor de procureur-generaal bij het hof van beroep.
- Het arrest stelt vast dat de feitelijke grondslag van het door de eiser ingeroepen verdelingsincident ook de feitelijke grondslag vormt van de wrakingsverzoeken. De eiser bekritiseert die vaststelling als dusdanig niet. Uit de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van 26 september 2023 blijkt dat hij met die beschikking eisers betwistingen betreffende de toebedeling van de zaak, welke door de eiser in de wrakingsverzoeken worden herhaald, heeft beslecht.
- Een wrakingsverzoek kan niet worden gebruikt om het definitief karakter van een bij toepassing van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek door de voorzitter gewezen beschikking ongedaan te maken. Daaruit volgt dat in het kader van een verdelingsincident aangevoerde onwettigheden, waarover door de voorzitter van de rechtbank is beslist, niet onder de vorm van de wrakingsgrond van gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kunnen worden aangevoerd tegen de rechters die zetelen in de kamer aan wie de zaak volgens de beschikking is toegewezen. De omstandigheid dat de beslechting van een verdelingsincident betrekking heeft op de toebedeling van een zaak aan een kamer en de wrakingsgegrond betrekking heeft op de geschiktheid van een rechter om te zetelen, laat niet toe anders te oordelen.
- Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div