id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.20 Rolnummer: P.24.0148.N Zaak: P. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-06-15 06:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 6 Artikel 76, eerste lid, Interneringswet schrijft voor dat de bepalingen van deze wet van toepassing zijn op een persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat en volgens artikel 77, eerste lid, Interneringswet, vernummerd tot artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet door artikel 209, 1°, van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie
(1), is de toekenning van een invrijheidstelling op proef slechts mogelijk overeenkomstig de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden; uit het arrest nr. 80/2018 van 28 juni 2018 van het Grondwettelijk Hof
(2)volgt dan ook dat, ook al werd formeel enkel artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet, in de mate dat het werd gewijzigd door artikel 209, 1°, Interneringswijzigingswet van 4 mei 2016, vernietigd, de artikelen 3 en 5.1 EVRM zich ertegen verzetten dat de toekenning van een door de Interneringswet bedoelde invrijheidstelling op proef aan een persoon die zowel geïnterneerd is als werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf, afhankelijk wordt gemaakt van de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden, zodat in de mate dat artikel 77, eerste lid, thans artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet, deze voorwaarde bevat, het wegens strijdigheid met de artikelen 3 en 5.1 EVRM buiten toepassing moet worden gelaten
(3).
(1)BS 13 mei 2016.
(2)GwH 28 juni 2018, nr. 80/2018.
(3)Artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet werd enkel vernietigd in de mate dat het werd gewijzigd door de wet van 4 mei 2016 aangezien het enkel tegen de wijziging is dat een vernietigingsberoep werd ingesteld en niet tegen de initiële tekst, die formeel gezien dus voor het overige is blijven bestaan. Uit de redenen van het vernietigingsarrest van het GwH volgt evenwel dat de gehele regeling niet verenigbaar werd geacht met het EVRM en derhalve niet mocht worden toegepast. AW Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 76, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 77, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 76, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 77, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 76, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 77, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 76, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 77, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 76, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 77, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 76, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 77, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0148.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE NEDERLANDSTALIGE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK BRUSSEL, eiser, tegen P. P., geïnterneerde, verweerder, met als raadsman mr. Toon Muysewinkel, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 23 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 77 Interneringswet: het vonnis kan aan de verweerder de invrijheidstelling op proef niet toekennen; de eiser is niet enkel geïnterneerd, maar is bovendien ook gedetineerd ter uitvoering van een vrijheidsstraf; een invrijheidstelling op proef kan hem daarom slechts worden toegekend indien hij voldoet aan de tijdsvoorwaarde voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling; de verweerder zal slechts op 4 april 2024 aan die tijdsvoorwaarde voldoen.
- Artikel 76, eerste lid, Interneringswet schrijft voor dat de bepalingen van deze wet van toepassing zijn op een persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat.
- Volgens artikel 77, eerste lid, Interneringswet, vernummerd tot artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet door artikel 209, 1°, van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie (hierna Interneringswijzigingswet van 4 mei 2016), is de toekenning van een invrijheidstelling op proef slechts mogelijk overeenkomstig de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden.
- Tegen onder meer artikel 209 Interneringswijzigingswet van 4 mei 2016 werd bij het Grondwettelijk Hof een vernietigingsberoep ingesteld. Met het arrest nr. 80/2018 van 28 juni 2018 heeft het Grondwettelijk Hof als volgt geoordeeld: - de exceptie van de Ministerraad dat het middel niet ontvankelijk is omdat het gericht is tegen bepalingen over de gelijktijdige uitvoering van een internering en een veroordeling tot een vrijheidsstraf die een draagwijdte hebben die soortgelijk zijn aan de bepalingen zoals ze bestonden vóór de wetswijziging, wordt verworpen (B.54.1-B.54.2); - de bepaling waarvan de vernietiging wordt gevraagd, strekt ertoe de toekenning van onder meer de invrijheidstelling op proef afhankelijk te maken van de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden (B.55.1); - indien een persoon met een geestesstoornis gelijktijdig een internering en een vrijheidsstraf ondergaat, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de vereisten voortvloeiend uit artikel 5.1.e EVRM. Een vrijheidsberoving van een persoon met een geestesstoornis is in beginsel slechts rechtmatig in de zin van deze verdragsbepaling indien ze plaatsvindt in een ziekenhuis, in een kliniek of in een andere aangepaste inrichting waar de nodige therapeutische zorg wordt geboden, gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie (B.55.2, eerste alinea); - bovendien kan de detentie van een persoon met een geestesstoornis in onaangepaste materiële en medische omstandigheden in beginsel een behandeling uitmaken die in strijd is met artikel 3 EVRM (B.55.2, tweede alinea); - volgens het bestreden artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet is de toekenning van onder meer een invrijheidstelling op proef slechts mogelijk overeenkomstig de tijdsvoorwaarden van de Wet Strafuitvoering (B.58); - in tegenstelling tot de strafuitvoeringsmodaliteiten die kunnen worden toegekend krachtens de Wet Strafuitvoering, zijn de uitvoeringsmodaliteiten van de internering in hoofdzaak gericht op de uitbouw van een zorgtraject (B.59.1); - doordat de bestreden bepaling de categorie van personen die zowel een internering als een vrijheidsstraf ondergaan a priori en zonder individueel onderzoek uitsluit van de mogelijkheid om door de kamer voor de bescherming van de maatschappij een uitvoeringsmodaliteit van de internering toegekend te krijgen, totdat zij de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden hebben vervuld, kan de bestreden bepaling tot gevolg hebben dat aan die personen niet de gepaste zorg wordt verstrekt die hun toestand vereist, terwijl hun individuele situatie zich niet tegen de toekenning van een bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit van de internering verzet (B.59.2); - de kamer voor de bescherming van de maatschappij zal die uitvoeringsmodaliteiten enkel kunnen toekennen indien er bij de geïnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen zijn waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Niets verhindert dat, zoals voor de andere geïnterneerde personen, de keuze voor het toekennen van een uitvoeringsmodaliteit van de internering aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan worden overgelaten, daarbij rekening houdend met de aanwezigheid van tegenaanwijzingen (B.59.3); - doordat de bestreden bepaling de toekenning van onder meer een invrijheidstelling op proef slechts mogelijk maakt overeenkomstig de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden, doet ze op discriminatoire wijze afbreuk aan de rechten die de geïnterneerde ontleent aan de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 5.1 EVRM (B.59.4); - in zoverre het middel is gericht tegen artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet is het gegrond en wordt de bepaling vernietigd (B.60).
- Uit het arrest nr. 80/2018 van 28 juni 2018 van het Grondwettelijk Hof volgt dan ook dat, ook al werd formeel enkel artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet, in de mate dat het werd gewijzigd door artikel 209, 1°, Interneringswijzigingswet van 4 mei 2016, vernietigd, de artikelen 3 en 5.1 EVRM zich ertegen verzetten dat de toekenning van een door de Interneringswet bedoelde invrijheidstelling op proef aan een persoon die zowel geïnterneerd is als werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf, afhankelijk wordt gemaakt van de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarden. In de mate dat artikel 77, eerste lid, thans artikel 77, § 1, eerste lid, Interneringswet, deze voorwaarde bevat, moet het wegens strijdigheid met de artikelen 3 en 5.1 EVRM buiten toepassing worden gelaten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis onderzoekt welke voor de verweerder, die zowel geïnterneerd is als een vrijheidsstraf ondergaat, in het licht van de dossiergegevens en de tegenindicaties de meest gepaste uitvoeringsmodaliteit van de Interneringswet is en kent die modaliteit toe. Die beslissing en dit ongeacht het niet voldoen aan de tijdsvoorwaarde van artikel 25 Wet Strafuitvoering is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div