← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.28 Rolnummer: P.24.0194.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-06-19 01:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De rechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een beklaagde verwerpt en bijgevolg diens voorlopige hechtenis handhaaft, dient bij toepassing van de artikelen 16, § 1 en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de verzoeker en krachtens die bepalingen dient de rechter ook de feitelijke omstandigheden van de zaak te vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verzoeker waaruit blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij in voorkomend geval ook moet vaststellen dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, voldoet aan de wettelijke vereisten; aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis; de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek aangezien er bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht geen gerechtelijk onderzoek meer is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0194.N M. T., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 februari 2024 (nr. C/163/2024). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1 en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid en 30, § 1, § 3, laatste lid en § 4, Voorlopige Hechteniswet: de beslissing tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis is niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen ingevolge het tijdsverloop hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, waarbij de rechter zich niet mag baseren op algemene overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis; de eiser, wiens voorlopige hechtenis reeds aansleept sinds 20 april 2022, heeft in zijn appelconclusie het actuele recidive- en onttrekkingsgevaar betwist; de appelrechters gaan evenwel niet over tot een actuele en concrete toetsing van de feitelijke gegevens en de huidige situatie van de eiser maar baseren zich op algemene beschouwingen en op de redenen van de beroepen handhavingsbeslissing, die zelf verwijst naar de beschikking van de raadkamer naar aanleiding van de verwijzing van de zaak naar de correctionele rechtbank; bij de beoordeling van het recidivegevaar houdt het arrest geen rekening met de huidige situatie van de eiser, terwijl bij de beoordeling van het onttrekkingsgevaar louter wordt verwezen naar de omstandigheid dat de eiser zich in maart 2021, dit is bijna drie jaar geleden, aan zijn elektronisch toezicht heeft onttrokken, zonder rekening te houden met zijn volledig gewijzigde sociale situatie, met name de omstandigheid dat zijn familie zich in België bevindt en dat hij vader is van vijf kinderen, waaronder een in november 2023 geboren drieling. 2. De rechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een beklaagde verwerpt en bijgevolg diens voorlopige hechtenis handhaaft, dient bij toepassing van de artikelen 16, § 1 en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de verzoeker. Krachtens die bepalingen dient de rechter ook de feitelijke omstandigheden van de zaak te vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verzoeker waaruit blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij in voorkomend geval ook moet vaststellen dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, voldoet aan de wettelijke vereisten. 3. Aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. 4. De beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek. Bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht is er immers geen gerechtelijk onderzoek meer. 5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 6. Het arrest beperkt zich niet tot een verwijzing naar het beroepen vonnis. Na te hebben geoordeeld dat de eiser ervan wordt verdacht dat hij in het kader van een criminele organisatie in 2021 betrokken zou zijn geweest bij de invoer van 10.964,18 kg cocaïne en zijn medewerking hieraan zou hebben verleend tijdens zijn elektronisch toezicht, waaromtrent het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld worden vastgesteld, oordelen de appelrechters dat de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de eiser omstandigheden uitmaken die thans nog bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van zijn voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is. Het arrest voegt daaraan toe dat ook het recidivegevaar “tot op heden actueel” blijft, gelet op het zeer lucratieve karakter van de telastgelegde feiten en het strafrechtelijk verleden van de eiser. 7. Uit die redenen, die geen stereotiepe motivering inhouden die kunnen gelden ter verantwoording van om het even welke voorlopige hechtenis, blijkt dat het arrest eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling heeft verworpen op grond van een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek op het tijdstip van de beslissing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. In zoverre het middel geen betrekking heeft op de voormelde redenen van het arrest met betrekking tot het bestaan van recidivegevaar en louter de redenen van het arrest met betrekking tot het bestaan van onttrekkingsgevaar bekritiseert, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.28 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.