← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.30 Rolnummer: P.24.0225.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 504 - laatst gezien 2026-06-15 06:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, dat overeenkomstig artikel 30, § 3, derde lid, van die wet ook van toepassing is in hoger beroep, moet het onderzoeksgerecht antwoorden op de conclusies van de partijen en moet het, indien partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld onder vermelding van feitelijke gegevens betwisten, ingeval van handhaving van de voorlopige hechtenis, preciseren welke gegevens dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken; het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de handhaving van een voorlopige hechtenis is niet ertoe gehouden te antwoorden op stukken waarvan de inhoud niet is hernomen in een regelmatig voor het onderzoeksgerecht ingediende conclusie en het is daartoe evenmin verplicht wanneer die conclusie met het oog op de betwisting van ernstige aanwijzingen van schuld beperkt blijft tot de loutere verwijzing naar feitelijke gegevens die zijn vermeld in een neergelegd stuk. Het onderzoeksgerecht is niet ertoe gehouden een in een regelmatig ingediende conclusie aangevoerde betwisting over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld te beantwoorden wanneer die betwisting, onder vermelding van feitelijke gegevens, enkel gericht is tegen het bestaan van een verzwarende omstandigheid bij een verder niet betwist hoofdfeit dat ook zonder die omstandigheid de voorlopige hechtenis verantwoordt. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.24.0225.N H. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 februari 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht van de rechter: met het enkele oordeel dat de ernstige aanwijzingen van schuld, zoals vermeld in het bevel tot aanhouding, nog steeds actueel zijn, beantwoordt het arrest niet de door de eiser daarover in zijn appelconclusie aangevoerde betwisting op grond van twee feitelijke gegevens; eensdeels verwijst die conclusie naar het zeer beperkte tijdsverloop tussen het ontstaan van misdadig opzet en het handelen van de eiser waardoor van de verzwarende omstandigheid van voorbedachtheid geen sprake kan zijn, anderdeels verwijst zij naar de concrete omstandigheden omschreven in een vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 31 januari 2024 dat gelijktijdig als stuk voor het appelgerecht is neergelegd. 2. Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, dat overeenkomstig artikel 30, § 3, derde lid, van die wet ook van toepassing is in hoger beroep, moet het onderzoeksgerecht antwoorden op de conclusies van de partijen. Het onderzoeksgerecht moet, indien partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld onder vermelding van feitelijke gegevens betwisten, ingeval van handhaving van de voorlopige hechtenis, preciseren welke gegevens dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken. 3. Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de handhaving van een voorlopige hechtenis is niet ertoe gehouden te antwoorden op stukken waarvan de inhoud niet is hernomen in een regelmatig voor het onderzoeksgerecht ingediende conclusie. Het onderzoeksgerecht is daar evenmin toe verplicht wanneer die conclusie met het oog op de betwisting van ernstige aanwijzingen van schuld beperkt blijft tot de loutere verwijzing naar feitelijke gegevens die zijn vermeld in een neergelegd stuk. 4. Het onderzoeksgerecht is niet ertoe gehouden een in een regelmatig ingediende conclusie aangevoerde betwisting over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld te beantwoorden wanneer die betwisting, onder vermelding van feitelijke gegevens, enkel gericht is tegen het bestaan van een verzwarende omstandigheid bij een verder niet betwist hoofdfeit dat ook zonder die omstandigheid de voorlopige hechtenis verantwoordt. 5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 6. De appelrechters oordelen dat de ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot de telastlegging van moord nog steeds actueel zijn en dat de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. Aldus verantwoordt het arrest de handhavingsbeslissing naar recht zonder dat het nader dient te antwoorden op de in het middel aangehaalde gegevens. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn van eisers voorlopige hechtenis niet is overschreden en het beantwoordt niet het daarover in appelconclusie aangevoerde verweer; de eiser voerde daarin meerdere concrete elementen aan waaruit blijkt dat zich een onverantwoorde vertraging van het onderzoek, dat niet complex is, heeft voorgedaan zonder dat die vertraging aan de houding van de eiser was te wijten; hij werd voor het laatst verhoord op 28 juli 2023, het laatste dossierstuk dateert van 25 augustus 2023 en de onderzoeksrechter heeft het dossier reeds op 10 november 2023 medegedeeld; het arrest oordeelt daarover slechts in abstracto en met een stereotiepe motivering. 8. Artikel 5.3 EVRM bepaalt: “Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid
  2. c)van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.” 9. Uit die bepaling, welke beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld. 10. Uit de omstandigheden dat een sedert geruime tijd aangehouden inverdenkinggestelde reeds lang geleden voor het laatst werd verhoord of dat al geruime tijd geen nieuwe stukken meer aan het strafdossier zijn gevoegd, volgt niet noodzakelijk dat: - de voorlopige hechtenis niet langer verantwoord is. Het komt de onderzoeksrechter toe om in het licht van de noodwendigheden van het onderzoek te bepalen of en wanneer een eventueel verhoor van een inverdenkinggestelde zich nog opdringt; - het gerechtelijk onderzoek vertraging oploopt en dat de duur van de voorlopige hechtenis op ongepaste wijze wordt verlengd. 11. Het staat aan het onderzoeksgerecht om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak, onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde, de houding van de met opsporing belaste instanties en de stand van het gerechtelijk onderzoek, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend. Het onderzoeksgerecht moet daarbij uitsluitend rekening houden met de voor die beoordeling relevante feitelijke omstandigheden. 12. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 13. Het onderzoeksgerecht dat bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden een verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden. Dat geldt ook voor een redelijketermijnverweer. 14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 15. De eiser bevindt zich sedert 18 augustus 2022 in voorlopige hechtenis op verdenking van moord. Het arrest oordeelt dat de handhaving van eisers voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is wegens het gevaar voor de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive en dat die gevaren niet adequaat kunnen worden ondervangen door uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht. Met betrekking tot het in het middel aangehaalde verweer oordeelt het in het bijzonder dat het gerechtelijk onderzoek, dat in rem wordt gevoerd, tot op de datum van het arrest een normaal verloop kent waarbij de diverse onderzoekshandelingen zich zonder onaanvaardbare onderbreking regelmatig opvolgen, alsook dat een beschikking tot mededeling van het dossier inmiddels is tussengekomen. Op grond van die concrete vaststellingen en tevens rekening houdend met, eensdeels, de aard en de ernst van de feiten en, anderdeels, de aard en de omvang van het vooronderzoek, kan het arrest wettig oordelen dat de duur van eisers voorlopige hechtenis niet onredelijk is. Met die redenen, die stereotiep noch louter abstract zijn, beantwoordt het arrest tevens het daarover in appelconclusie aangevoerde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.