← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.31 Rolnummer: P.24.0231.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 681 - laatst gezien 2026-06-16 12:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en volgens het Hof van Justitie dient het Belgische onderzoeksgerecht dat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende staat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht is te beoordelen of dit gevaar bestaat alvorens tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te besluiten; het onderzoeksgerecht dient zich bij deze beoordeling te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentievoorwaarden van de uitvaardigende lidstaat betreft, kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen en deze gegevens kunnen blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; het onderzoeksgerecht moet daarbij concreet en nauwkeurig nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd vanwege de detentieomstandigheden in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij wordt overgeleverd aan die lidstaat en daartoe, zo nodig, aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens moet verzoeken en in afwachting van de ontvangst van deze gegevens zijn beslissing over de overlevering moet uitstellen

(1).
(1)HvJ (Grote Kamer) 5 april 2016, C-404/15 en C-659/16. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Fiches 6 - 9 Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; de weigering tot overlevering op grond van deze bepaling is dan ook enkel verantwoord wanneer er ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon zelf, om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht, of met andere woorden dat er een ernstig, persoonlijk en direct risico is op schending van fundamentele rechten; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens voorhanden zijn en het oordeelt evenzeer onaantastbaar of het zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die door de partijen wordt overgelegd voldoende voorgelicht acht om zich uit te spreken over het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en uit het loutere feit dat de betrokkene een schending aanvoert van artikel 3 EVRM omwille van de detentieomstandigheden in gevangenissen van de uitvaardigende staat, volgt niet dat het onderzoeksgerecht steeds verplicht is daarover nadere informatie in te winnen
(1).
(1)Cass. 19 april 2022, AR P.22.0483.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.12, AC 2022, nr. 270; Cass. 25 augustus 2021, AR P. P.21.1119.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7, AC 2021, nr. 505; Cass. 24 maart 2020, AR P.20.0320.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20, AC 2020, nr. 212; Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0242.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21, AC 2020, nr. 179; Cass. 18 maart 2014, AR P.14.0402.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.5, AC 2014, nr. 215; Cass. 19 november 2013, AR P.13.1765.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5, AC 2013, nr.
  1. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0231.N M. L., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Thierry Goffart, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 8, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 februari 2024, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 28 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: met het oordeel dat moet worden aangenomen dat de detentieomstandigheden in Roemenië aan de eiser voldoende bewegingsruimte zullen toelaten, is de beslissing tot uitvoerbaarverklaring van het Roemeense Europees aanhoudingsbevel van 19 juli 2017 met betrekking tot de telastleggingen B (valsheid in geschriften) en C (valse naamdracht) niet naar recht verantwoord; de verstrekte garanties zijn ontoereikend om na te gaan of de eiser niet zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling; volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist artikel 3 EVRM dat een gedetineerde in zijn cel moet beschikken over een individuele slaapplaats en minstens 3 m² celruimte te zijner beschikking moet hebben, waarbij de totale oppervlakte van de cel hem moet toelaten om zich vrij te kunnen bewegen tussen het meubilair; uit de verstrekte garanties blijkt niet dat de eiser zich in de Roemeense gevangenis vrij zal kunnen bewegen tussen het meubilair.
  4. Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU.
  5. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016, nr. C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 (Câldâru), volgt dat het Belgische onderzoeksgerecht: - dat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende staat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht is te beoordelen of dit gevaar bestaat alvorens tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te besluiten; - zich bij deze beoordeling dient te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentievoorwaarden van de uitvaardigende lidstaat betreft, kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; - concreet en nauwkeurig moet nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd vanwege de detentieomstandigheden in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij wordt overgeleverd aan die lidstaat; - daartoe, zo nodig, aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens moet verzoeken en in afwachting van de ontvangst van deze gegevens zijn beslissing over de overlevering moet uitstellen.
  6. Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  1. De weigering tot overlevering op grond van deze bepaling is dan ook enkel verantwoord wanneer er ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon zelf, om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht, of met andere woorden dat er een ernstig, persoonlijk en direct risico is op schending van fundamentele rechten.
  2. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens voorhanden zijn, alsook of het zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die in voorkomend geval door de partijen wordt overgelegd, voldoende voorgelicht acht om zich uit te spreken over het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  3. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de kamer van inbeschuldigingstelling bij tussenarrest van 3 januari 2023 om nadere informatie heeft verzocht met betrekking tot de gevangenis waar de eiser in Roemenië zou worden opgesloten, alsook met betrekking tot de detentievoorwaarden; - de Roemeense autoriteiten op 9 januari 2023 hierover garanties en bijkomende informatie hebben verschaft, waarna bij schrijven van de Roemeense autoriteiten van 3 augustus 2023 werd bevestigd dat deze garanties ook zouden gelden wanneer de eiser een gevangenisstraf van slechts een jaar zou dienen te ondergaan.
  6. Het arrest (p. 11-12, nr. 2.3) oordeelt in dit verband als volgt: “In zijn voor dit hof neergelegde conclusie verzoekt de [eiser], indien niet wordt ingegaan op zijn verzoek tot toepassing van artikel 6, 4° Wet EAB, om de uitvoerbaarheid van het Europees aanhoudingsbevel alsnog te weigeren. Hij beroept zich daarvoor op het argument dat de Roemeense autoriteiten geen garantie hebben gegeven dat de totale oppervlakte van zijn cel hem zal toelaten om zich vrij te bewegen tussen het meubilair. Zoals terecht uiteengezet in de hier aangehechte schriftelijke vordering van de procureur-generaal hebben de Roemeense autoriteiten uitdrukkelijk de volgende waarborgen geboden: - [de eiser] zal zijn straf uitzitten in de Braila penitentiaire instelling voor starters (Braila Penitentiary for starters); - [de eiser] zal onbeperkte toegang hebben tot de tuin; - [de eiser] zal dagelijks gebruik kunnen maken van een telefoon (10 oproepen voor een maximale totaalduur van 60 minuten); - [de eiser] zal onbegeleid in de penitentiaire instelling kunnen rondwandelen en deelnemen aan meerdere recreatieve, educatieve, enz. activiteiten; - de cel van [de eiser] zal, op enkele uitzonderingen na, zowel overdag als 's nachts niet op slot zijn; - ingevolge het Roemeens nationaal actieplan ter zake, wordt daarenboven gegarandeerd dat elke gedetineerde minstens 3 m² persoonlijke ruimte zal hebben (excl. de oppervlakte van de badkamer). Er moet dan ook geredelijk worden aangenomen dat de detentie-omstandigheden in Roemenië aan de [eiser] voldoende bewegingsruimte zullen toelaten. De Roemeense autoriteiten dienden, gezien de hoger verstrekte waarborgen, niet nog eens afzonderlijk uitdrukkelijk te bevestigen dat de totale oppervlakte van de cel aan de [eiser] zal toelaten om zich vrij te bewegen tussen het meubilair. Bovendien kan uit het geheel van de verstrekte garanties niet worden afgeleid dat het de [eiser] onmogelijk zou zijn om zich in zijn cel vrij te bewegen tussen het meubilair.” Op grond van die redenen verantwoorden de appelrechters de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.31 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.