id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 44
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 Het begrip ‘verhuur van uit hun aard onroerende goederen' moet strikt worden uitgelegd, aangezien de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek een afwijking inhoudt van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, maar dat neemt niet weg dat om de aard van een handeling vast te stellen, de rechter alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht, in aanmerking moet nemen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen; uit de loutere omstandigheid dat de rechter dergelijke omstandigheden in aanmerking neemt, volgt derhalve niet dat hij het begrip ‘verhuur van uit hun aard onroerende goederen' niet strikt uitlegt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 18
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 44
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Het loutere feit dat de huurder de gehuurde ruimte enkel kan en mag gebruiken voor het verrichten van welbepaalde diensten, verhindert op zich niet dat hij het onroerend goed kan gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en dat aldus sprake kan zijn van een verhuur van een uit zijn aard onroerend goed in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 44- 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr.
F.22.0158.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met zetel te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal Centrum KMO Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen L’ENVERS bv, met zetel te 9000 Gent, Vlaanderenstraat 115 D, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0861.090.279, verweerster, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187 bus 302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 mei
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 22 januari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, Btw-wetboek wordt als een dienst onder meer beschouwd, een contract dat tot voorwerp heeft de overdracht van of het verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie alsook de overdracht of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Krachtens artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen.
- De verhuur van uit hun aard onroerende goederen in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek bestaat in wezen daarin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Het betreft een betrekkelijk passieve activiteit, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, te onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed, zoals het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, Btw-wetboek. Het begrip ‘verhuur van uit hun aard onroerende goederen’ moet strikt worden uitgelegd, aangezien de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek een afwijking inhoudt van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, maar dat neemt niet weg dat om de aard van een handeling vast te stellen, de rechter alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht, in aanmerking moet nemen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter dergelijke omstandigheden in aanmerking neemt, volgt derhalve niet dat hij het begrip ‘verhuur van uit hun aard onroerende goederen’ niet strikt uitlegt.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster geen overeenkomsten van huur van de ruimtes aan de sekswerkers en evenmin een lijst van de gebruikers voorlegt, maar de afwezigheid van overeenkomsten niet uitsluit dat de verweerster door middel van een geheel van feitelijke en overeenstemmende elementen kan aantonen dat er sprake is van een onroerende verhuur, aangezien artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek niet het bestaan van een schriftelijke overeenkomst oplegt; - de verweerster verklaart dat ze bij de uitoefening van haar activiteiten van verhuur van de ruimtes aan sekswerkers steeds ertoe gehouden was te voldoen aan de Politieverordening van 23 maart 2015 van de stad Gent betreffende de raamprostitutie en zij toelicht dat een van de uitgangspunten van de Gentse regelgeving inzake raamprostitutie is dat raamprostitutiepanden met drankslijterijen worden gelijkgesteld en dat een ander uitgangspunt is dat de raamprostitutiepandexploitanten de sociale wetgeving moeten respecteren en in theorie de sekswerkers in het paritair comité horeca moeten worden verloond; - in werkelijkheid de sekswerkers als zelfstandigen werken en zij aan de raamprostitutiepandexploitanten huur voor een ‘raam’ betalen; - de verordening onder meer erop gericht is om uitbuiting, pooierschap, misbruik en mensenhandel te vermijden en hygiënemaatregelen te doen respecteren, de beschikbare gegevens over de naleving van dit reglement door de verweerster niet toelaten het bestaan van een vrijgestelde onroerende verhuur uit te sluiten en met andere woorden uit de naleving van het reglement voor de beoordeling van dit btw-geschil niet kan worden vastgesteld dat het voorwerp van de terbeschikkingstelling van de ruimtes in wezen iets anders tot voorwerp had dan het verstrekken van een tijdelijk exclusief genot van een onroerend goed; - de verhuur gebeurt in korte periodes of zogenaamde shiften van acht uur waarvoor een vast huurbedrag dient te worden betaald; - de sekswerkers volkomen autonoom de gelden voor hun werk innen en de verweerster geen commissie van het werk van de sekswerkers ontvangt; - er naar aanleiding van het bezoek ter plaatse niet materieel is vastgesteld dat er door de verweerster andere diensten worden verstrekt, zoals het schenken van dranken en het geen bordeel met personeel betreft; - gedurende de huurperiode van acht uur de desbetreffende sekswerker het exclusief recht van genot en vrije toegang heeft tot de ruimtes wanneer hij of zij dat wenst, deze in die periode tot niets verplicht is in of met betrekking tot het onroerend goed ten aanzien van de verweerster en de vermelding in het proces-verbaal van 1 oktober 2018 dat door de sekswerkers feitelijk geen persoonlijke aanpassingen aan de vitrines werden gedaan, daaraan geen afbreuk doet; - uit niets blijkt dat het betaalde huurgeld op iets anders betrekking heeft dan op het tijdelijk exclusief gebruik en het ongestoord en rustig genot als huurder van de ruimtes. De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat het geheel van de feitelijke overeenstemmende elementen toelaat te oordelen dat de essentie van het voorwerp het ter beschikking stellen van een deel van een onroerend goed betreft, waarvan de gebruiker het exclusief genot heeft, en dat de verhuur van de ruimtes dient te worden aangemerkt als een passieve activiteit van onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek, waardoor de verweerster terecht aanspraak maakt op de vrijstelling van de btw, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat niet blijkt dat de appelrechter het begrip ‘onroerende verhuur’ en de kenmerkende elementen ervan strikt heeft uitgelegd, doordat hij zijn beslissing laat steunen op een geheel van overeenstemmende feitelijke elementen, kan het niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de vaststellingen van het arrest niet toelaten na te gaan of de appelrechter bij de kwalificatie van de overeenkomsten het begrip ‘onroerende verhuur’ strikt heeft uitgelegd, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het loutere feit dat de huurder de gehuurde ruimte enkel kan en mag gebruiken voor het verrichten van welbepaalde diensten, verhindert op zich niet dat hij het onroerend goed kan gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en dat aldus sprake kan zijn van een verhuur van een uit zijn aard onroerend goed in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 257,73 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240222.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div