← België

ROGUES CONSULT nv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.4 Rolnummer: C.22.0154.N Zaak: ROGUES CONSULT nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-03-14 Raadplegingen: 680 - laatst gezien 2026-06-15 04:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240222.1N.4 Fiche Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt kennelijk dat, wanneer een belastingplichtige aanvoert goederen of diensten te verwerven in het kader van een economische activiteit in opstart, teneinde de btw die op die goederen of diensten verschuldigd is, in aftrek te kunnen nemen, het de nationale rechter toekomt na te gaan of de wilsverklaring van de belastingplichtige om met economische activiteiten aan te vangen die zullen leiden tot belaste handelingen, gelet op de omstandigheden van de zaak, wordt ondersteund door objectieve gegevens en te goeder trouw is afgelegd

(1).
(1)Ziz concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 4 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0154.N ROGUES CONSULT nv, met zetel te 9820 Merelbeke, Hundelgemsesteenweg 310, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0432.579.121, eiseres, met als raadslieden mr. Baudouin Paquot, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 240, waar de eiseres woonplaats kiest, en mr. Jacques Verhaegen, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg 6, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het Centrum KMO Kortrijk, met kantoor te 9050 Ledeberg, G. Crommenlaan 6 bus 543, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 7 december
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 22 januari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 45, § 1, 1°, Btw-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
  3. Krachtens artikel 4, § 1, Btw-wetboek is de belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, levering van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend. Artikel 4, § 1, Btw-wetboek is de omzetting naar Belgisch recht van artikel 9, lid 1, Richtlijn 2006/112/EEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Krachtens artikel 9, lid 1, tweede zin, van die richtlijn wordt als economische activiteit beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
  4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak (HvJ 21 september 2017, C-441/16, SMS Group GmbH, r.o. 47; HvJ 25 juli 2018, C-140/17, Szef Krajowej Administracji Skarbowej, r.o. 34-39) dat enkel iemand die belastingplichtig is en als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed of dienst aanschaft, een recht op aftrek heeft voor dit goed of die dienst en dat de vraag of de belastingplichtige op het tijdstip waarop een goed of een dienst aan hem werd geleverd, heeft gehandeld als belastingplichtige ten behoeve van een economische activiteit, een feitelijke kwestie is die de nationale rechter dient te onderzoeken in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen of diensten en het tijdsverloop tussen de verwerving van de goederen of diensten en hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dienaangaande in vaste rechtspraak gepreciseerd dat: - aangezien de economische activiteiten kunnen bestaan in verscheidene opeenvolgende handelingen, voorbereidende handelingen reeds tot de economische activiteit moeten worden gerekend; het beginsel van neutraliteit van de btw ten aanzien van de fiscale belasting van de ondernemer vereist dat de eerste uitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, als economische activiteiten worden aangemerkt; het in strijd zou zijn met dat beginsel indien die activiteiten werden geacht eerst een aanvang te nemen wanneer de belastbare inkomsten ontstaan (HvJ 14 februari 1985, 268/83, Rompelman, r.o. 22-24; HvJ 11 juli 1991, C-97/90, Lennartz, r.o. 13-17; HvJ 29 februari 1996, C-110/94, Inzo, r.o. 15; HvJ 17 oktober 2018, C-249/17, Ryanair Ltd, r.o. 18; HvJ 1 maart 2012, C-280/10, Kopalnia Odkrywkowa Polski Trawertyn P. Granatowicz, M. Wasiewicz spólka jawna, r.o. 28-29); - het volstaat dat de belastingplichtige daadwerkelijk het voornemen had de betrokken goederen of diensten te gebruiken om de economische activiteiten te verrichten waarover hij zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend; de belastingdienst de belastingplichtige kan verzoeken om aan te tonen dat het door de belastingplichtige kenbaar gemaakte voornemen om een aanvang te maken met economische activiteiten die aanleiding geven tot belastbare handelingen, door objectieve gegevens wordt bevestigd; in dat verband moet worden beklemtoond dat de hoedanigheid van belastingplichtige slechts definitief verworven wordt, indien de verklaring van het voornemen om een aanvang te maken met de beoogde economische activiteiten, door de belanghebbende te goeder trouw is afgelegd; en de belastingdienst, in geval van fraude of misbruik, wanneer de belastingplichtige heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten doch in werkelijkheid goederen of diensten ten aanzien waarvan aftrek mogelijk is, in zijn privévermogen heeft pogen op te nemen, met terugwerkende kracht terugbetaling van de afgetrokken bedragen kan vorderen omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen is verleend (HvJ 21 maart 2000, C-110/98 en C-147/98, Gabalfrisa SL, r.o. 45-46; HvJ 8 juni 2000, C-400/98, Breitsohl, r.o. 34-40; HvJ 1 maart 2012, C-280/10, Kopalnia Odkrywkowa Polski Trawertyn P. Granatowicz, M. Wasiewicz spólka jawna, r.o. 37; HvJ 12 november 2020, C-734/19, ITH Commercial Timisoara SRL, r.o. 37-38). Uit die rechtspraak volgt kennelijk dat, wanneer een belastingplichtige aanvoert goederen of diensten te verwerven in het kader van een economische activiteit in opstart, teneinde de btw die op die goederen of diensten verschuldigd is, in aftrek te kunnen nemen, het de nationale rechter toekomt na te gaan of de wilsverklaring van de belastingplichtige om met economische activiteiten aan te vangen die zullen leiden tot belaste handelingen, gelet op de omstandigheden van de zaak, wordt ondersteund door objectieve gegevens en te goeder trouw is afgelegd.
  5. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het niet volstaat dat de eiseres sinds 19 april 2013 haar maatschappelijk doel had uitgebreid met de aan- en verkoop, de restauratie en renovatie, huur en verhuur, het aanwenden van, het ter beschikking stellen van, het deelnemen aan events- en tentoonstellingen, voor publiciteits- en commerciële doeleinden en het versterken van de intrinsieke en marktwaarde, van kunst en decoratiewerken, in binnen- en buitenland, vermits de vraag of er een bepaalde economische activiteit bestaat, een feitenkwestie is die in concreto moet worden onderzocht; - het wel degelijk relevant is dat in het proces-verbaal van 14 november 2017 is opgenomen dat de zaakvoerder van de eiseres aan de controleagent heeft ver-klaard dat de decoratieve werken niet bestemd zijn voor verkoop en deze vaststelling een feit is waarvoor de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal geldt, dit is een bewijs tot het tegendeel; - tijdens de controle werd vastgesteld dat de eiseres in 2014 en 2015 slechts één schilderij verkocht, namelijk in 2014 en dat in 2015 de verhuring van 10 decoratieve werken werd gefactureerd; - de facturen niet vermelden welke werken werden verhuurd, terwijl er ook geen onderliggende huurovereenkomsten waren en dit des te meer relevant is, omdat de controleagent aantoont dat alle bestemmelingen van de facturen vennootschappen zijn die aan de eiseres gelieerd zijn via haar zaakvoerder; - de controleagent heeft berekend dat de omzet die de eiseres in de jaren 2014 en 2015 met die facturatie realiseerde, zeer beperkt was in verhouding tot de aankoop- en boekwaarde van de schilderijen; - de eiseres niet weerlegt dat ze in die periode geen publiciteit voerde voor enige economische activiteit met betrekking tot de decoratieve werken, zij het voor de verhuring of de verkoop; - volgens het proces-verbaal de eiseres tijdens de controle slechts enkele catalogi van tentoonstellingen heeft voorgelegd en de eiseres nooit heeft weerlegd dat in die catalogi op geen enkele wijze naar de eiseres verwezen wordt; - dat sprake was van een ‘private collectie van R.’ hoogstens erop kon wijzen dat werken werden tentoongesteld die een verband hebben met de eiseres, maar allesbehalve van aard is om het bewijs bij te brengen dat de eiseres in verband met de decoratieve werken een economische activiteit had en het tegendeel zelfs waar is, aangezien het feit dat er sprake was van een ‘private collectie’ doet vermoeden dat ze kaderde in een privéaangelegenheid en dus niet in de exploitatie van een onderneming; - waar het ging om schilderkunst, het wel degelijk relevant is dat de decoratieve werken bij uitstek het voorwerp konden zijn van een loutere belegging en de verweerder dan ook niet zonder reden verwijst naar de beslissingen E.T. 13210 van 19 januari 1973 en E.T. 19449 van 6 december 1974 waarin bepaald wordt dat goederen, zoals oorspronkelijke kunstwerken, die door een belastingplichtige worden gekocht, zonder de bedoeling ze door te verkopen maar als belegging, en waarvan de waarde niet vermindert door het gebruik, geen bedrijfsmiddelen zijn zoals bedoeld in artikel 6 koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, of, meer algemeen geen goederen zijn die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het verrichten van handelingen zoals bedoeld in artikel 45, § 1, 1° tot 3°, Btw-wetboek; - om als bedrijfsmiddelen te kunnen worden bestempeld in de zin van artikel 6 koninklijk besluit nr. 3, te onderscheiden van handelsgoederen, goederen immers moeten bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen en het louter in eigendom hebben van dergelijke goederen dus niet dienstig is om tot het bestaan van een economische activiteit te besluiten; - het hof van beroep slechts kan vaststellen dat door de eiseres niet is aangetoond dat ze in 2014 en 2015 of daarvoor al een economische activiteit exploiteerde met betrekking tot de decoratieve werken. Vervolgens stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat: - de eiseres met reden laat gelden dat het recht op aftrek ook moet worden toegestaan voor handelingen die zich situeren in de opstartfase van een economische activiteit en dat het enkele feit dat er in de beginperiode slechts beperkte handelingen gesteld worden en dus ook de omzet minimaal blijft in verhouding tot investeringen en kosten, niet belet dat er sprake is van een reële economische activiteit; - of er in werkelijkheid een economische activiteit bestaat, hoe dan ook van de concrete omstandigheden afhankelijk is; - de eiseres een reeks facturen voorlegt, waarvan de eerste alle dateren van 22 december 2016, deze voor 2017 zijn opgemaakt op 31 december 2017 en deze voor 2018 dateren van 26 december 2018, en de verhuring telkens slaat op het volledige afgelopen jaar; - de klanten grotendeels nog dezelfde zijn als deze waarvan is vermeld dat ze aan de eiseres gelieerd zijn; - het totale bedrag van de gerealiseerde omzet hoger is dan in 2014 en 2015, maar nog steeds relatief beperkt in verhouding tot de laatste gekende waarde van de decoratiewerken, die kennelijk niet verminderd kan zijn bij gebrek aan verkopen, maar blijkens het overzicht van de verweerder moet zijn toegenomen ingevolge de aankoop van nieuwe kunstwerken. De appelrechter komt tot het besluit dat: - de beperkte verhuring, uitsluitend aan gelieerde ondernemingen zonder verkoop, met uitzondering van één factuur, zonder enige publiciteit en met een uiterst minimale omzet in verhouding tot de waarde van de aangekochte schilderijen, aantoont dat de eiseres in werkelijkheid in 2014 en 2015 geen economische activiteit had met betrekking tot de decoratieve werken; - dat er naderhand, enkele jaren later wel een dergelijke activiteit ontstond, in de gegeven omstandigheden niet volstaat om die eerdere, hier betrokken jaren als een periode van aankoop en/of opstart te beschouwen; waar de eiseres zelf gewaagt van een voorzichtige opstart, dat, zeker gelet op de grote financiële middelen waarover ze blijkens de gedane aankopen blijkt te hebben kunnen beschikken, niet op economische of financiële gronden te verklaren valt; de verhuring aan uitsluitend gelieerde ondernemingen tegen die achtergrond te beschouwen is als een pose om te doen uitschijnen dat er wel een economische activiteit was, dit in weerwil van de werkelijkheid; de verweerder terecht erop wijst dat voor de jaren 2014 en 2015 geen galerijruimte werd gehuurd en dat zelfs voor een huur in 2016 tijdens de controle voor die jaren geen stuk werd voorgelegd; de verweerder even terecht laat gelden dat de eiseres kennelijk onder invloed van de controle de beslissing heeft genomen om, voorbij de pose, de omslag te maken om naderhand wel een economische activiteit uit te werken.
  6. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de verweerder voor de jaren 2014 en 2015 de aftrek van de voorbelasting met reden verworpen heeft, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen.
  7. De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 490,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240222.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.