id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 Rolnummer: P.24.0235.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-02-29 Raadplegingen: 954 - laatst gezien 2026-06-16 15:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard en dat uitvoerbaar verklaard bevel is betekend aan de op grond van artikel 5, eerste lid, van die wet voorlopig aangehouden vreemdeling, is die vreemdeling niet meer van zijn vrijheid beroofd krachtens het voorlopig aanhoudingsbevel dat de onderzoeksrechter op die grond heeft uitgevaardigd, maar is hij definitief aangehouden krachtens het buitenlands aanhoudingsbevel dat door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard
(1); vanaf dat ogenblik staat de betrokkene ter beschikking van de uitvoerende macht
(2).
(1)Cass. 12 januari 2022, AR P.21.1696.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.13, AC 2022, nr. 25, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum, in Pas.; zie T. VANDER BEKEN, “Opnieuw commotie rond de uitlevering voor politieke misdrijven. Juridische bespiegelingen naar aanleiding van de zaak Erdal”, T. Strafr. 2000, 236-237; S. DEWULF, Handboek uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, 120-121 en S. DEWULF, “Verzoeken tot voorlopige invrijheidstelling in het kader van uitleverings-, overleverings- en overdrachtprocedures aan het Internationaal Strafhof: eigen regimes, afzonderlijke regelen”, RW 2020-21, 647; M.A BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 2064; A. WINANTS, “Uitlevering: de voorlopige aanhouding”, in Comm. Straf. 2022, 19.
(2)Cass. 2 april 2019, AR P.19.0284.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190402.2, AC 2019, nr. 205; Cass. 1 april 2015, AR P.15.0278.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150401.3, AC 2015, nr. 236; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2022, 1274; A. WINANTS, “Uitlevering: de voorlopige aanhouding”, in Comm. Straf. 2022, 19. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Fiches 3 - 4 Volgens artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 mag de vreemdeling zijn voorlopige invrijheidstelling verzoeken in de gevallen waarin een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden; in dat geval onderzoeken de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling of de wettelijke voorwaarden voor de voorlopige aanhouding zijn vervuld, meer bepaald of er een bericht voorligt van de buitenlandse overheid die de aanhouding van de vreemdeling met het oog op zijn uitlevering verzoekt, of aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan en of het verzoek tot uitlevering kennelijk regelmatig is
(1); uit het voorgaande volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet langer over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een aangehouden vreemdeling kan oordelen wanneer aan hem inmiddels het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde en door de raadkamer uitvoerbaar verklaarde aanhoudingsbevel is betekend; door de enkele betekening van dat aanhoudingsbevel zelf is de vreemdeling immers niet langer voorlopig maar wel definitief aangehouden met het oog op uitlevering
(2); daarvoor is niet vereist dat ook de beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van dat bevel reeds definitief is geworden.
(1)M.A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 2063; A. WINANTS, “Uitlevering: de voorlopige aanhouding”, in Comm. Straf. 2022, 17.
(2)Cass. 1 april 2015, AR P.15.0278.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150401.3, AC 2015, nr. 236; M.A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 2065. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Fiches 5 - 8 Uit artikel 5.1.f en 5.4 EVRM en artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 volgt dat de vreemdeling die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, niettemin het recht heeft om de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding
(1); bijgevolg wordt die vreemdeling dat recht niet ontnomen wanneer een rechter op een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling oordeelt dat diens op grond van artikel 5, eerste lid, Uitleveringswet 1874 gegronde voorlopige aanhouding zonder voorwerp is geworden
(2)na de betekening van het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde en door de raadkamer uitvoerbaar verklaarde aanhoudingsbevel; niets belet hem immers onmiddellijk een nieuw verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen
(3).
(1)Cass. 18 november 2020, AR P.20.1084.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.17, AC 2020, nr. 712, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum, in Pas.; Cass. 13 juli 2020, AR P.10.1173.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.2, AC 2020, nr. 481; Cass. 5 december 2017, AR P.17.1167.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171205.4, AC 2017, nr. 689; Cass. 17 november 2015, AR P.15.1425.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.4, AC 2015, nr. 685; Cass. 1 april 2015, AR P.15.0278.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150401.3, AC 2015, nr. 236; Cass. 29 februari 2012, AR P.12.2017.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130410.3, AC 2012, nr. 140, RW 2012-13, 339 noot S. DEWULF; Cass. 13 juli 2010, AR P.10.1173.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.2, AC 2010, nr. 481, RABG 2011, 117 noot S. GUENTER; Cass. 31 maart 2009, AR P.09.0162.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.3, AC 2009, nr. 224, met concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER, toen advocaat-generaal, RW 2009-10, 490 noot S. DEWULF; M.A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 2074-2075; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2022, 1275; A. WINANTS, “Uitlevering: de voorlopige aanhouding”, in Comm. Straf. 2022, 19.
(2)Over dit aspect van zonder voorwerp verklaren van het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer over de hechtenis in de spoedprocedure van uitlevering, zie Cass. 12 januari 2022, AR P.21.1696.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.13, AC 2022, nr. 25, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; M.A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 2065.
(3)Cass. 12 januari 2022, AR P.21.1696.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.13, AC 2022, nr. 25, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0235.N D. K., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Fouad Marchouh, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1.f en 5.4 EVRM en de artikelen 3 en 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874: het oordeel dat eisers hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot voorlopige invrijheidstelling zonder voorwerp is geworden doordat het uitvoerbaar verklaard Armeens aanhoudingsbevel intussen aan de eiser werd betekend, is niet naar recht verantwoord; de aanhouding in het kader van een uitlevering wordt immers slechts definitief wanneer in de exequaturprocedure alle rechtsmiddelen zijn uitgeput; aangezien de eiser ook tegen de beschikking tot uitvoerbaarverklaring van het Armeens aanhoudingsbevel hoger beroep heeft ingesteld, is de kamer van inbeschuldigingstelling wél nog bevoegd om over eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling te oordelen; door niettemin anders te beslissen wordt de eiser het recht ontnomen om voorziening te vragen bij een rechter opdat deze op korte termijn kan beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding.
- Het arrest stelt vast dat: - de eiser met verwijzing naar een Armeens aanhoudingsbevel van 17 oktober 2023 voorlopig werd aangehouden bij bevel van de onderzoeksrechter van 31 december 2023; - het verzoekschrift van de eiser tot voorlopige invrijheidsstelling van 23 januari 2024 door de raadkamer bij beschikking van 2 februari 2024 werd afgewezen; - de eiser tegen die afwijzing op dezelfde datum hoger beroep heeft ingesteld; - de raadkamer op 8 februari 2024 het Armeens aanhoudingsbevel van 17 oktober 2023 uitvoerbaar heeft verklaard; - die exequaturbeschikking samen met de officiële Armeense stukken waaronder het internationaal aanhoudingsbevel van 17 oktober 2023, op dezelfde dag aan de eiser werden ter kennis gebracht.
- Artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt dat de uitlevering zal worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven waarvoor ze werden verleend en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden.
- Artikel 5, eerste lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt dat de vreemdeling op grond van een van de feiten onder artikel 1 van dezelfde wet vermeld, bij onverwijlde spoed in België voorlopig kan worden aangehouden op vertoon van een bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter bevoegd voor de plaats waar hij verblijft of kan worden aangetroffen, en aanleunend bij een officieel bericht aan de Belgische autoriteiten toegestuurd door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling veroordeeld of vervolgd is geweest.
- Wanneer het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard en dat uitvoerbaar verklaard bevel is betekend aan de op grond van artikel 5, eerste lid, van die wet voorlopig aangehouden vreemdeling, is die vreemdeling niet meer van zijn vrijheid beroofd krachtens het voorlopig aanhoudingsbevel dat de onderzoeksrechter op die grond heeft uitgevaardigd, maar is hij definitief aangehouden krachtens het buitenlands aanhoudingsbevel dat door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard. Vanaf dat ogenblik staat de betrokkene ter beschikking van de uitvoerende macht.
- Volgens artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 mag de vreemdeling zijn voorlopige invrijheidstelling verzoeken in de gevallen waarin een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden. In dat geval onderzoeken de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling of de wettelijke voorwaarden voor de voorlopige aanhouding zijn vervuld, meer bepaald of er een bericht voorligt van de buitenlandse overheid die de aanhouding van de vreemdeling met het oog op zijn uitlevering verzoekt, of aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan en of het verzoek tot uitlevering kennelijk regelmatig is.
- Uit het voorgaande volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet langer over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een aangehouden vreemdeling kan oordelen wanneer aan hem inmiddels het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde en door de raadkamer uitvoerbaar verklaarde aanhoudingsbevel is betekend. Door de enkele betekening van dat aanhoudingsbevel zelf is de vreemdeling immers niet langer voorlopig maar wel definitief aangehouden met het oog op uitlevering. Daarvoor is niet vereist dat ook de beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van dat bevel reeds definitief is geworden.
- Uit artikel 5.1.f en 5.4 EVRM en artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 volgt dat de vreemdeling die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, niettemin het recht heeft om de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding. Bijgevolg wordt die vreemdeling dat recht niet ontnomen wanneer een rechter op een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling oordeelt dat diens op grond van artikel 5, eerste lid, Uitleveringswet 1874 gegronde voorlopige aanhouding zonder voorwerp is geworden na de betekening van het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde en door de raadkamer uitvoerbaar verklaarde aanhoudingsbevel. Niets belet hem immers onmiddellijk een nieuw verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest dat in vermelde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130410.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150401.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171205.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190402.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div