id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.7 Rolnummer: P.24.0155.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-29 Raadplegingen: 766 - laatst gezien 2026-06-18 20:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit de artikelen 6.3.c EVRM en de artikelen 30, tweede lid, en 81, § 2 Interneringswet volgt dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij erop moet toezien dat een geïnterneerde door een raadsman wordt bijgestaan of vertegenwoordigd; deze bepalingen beletten niet dat indien een geïnterneerde afwezig blijft op de rechtszitting van de kamer betreffende het verder beheer van de internering, hij door zijn raadsman kan worden vertegenwoordigd
(1); de geïnterneerde kan de bijstand van een voor hem aangewezen raadsman niet weigeren.
(1)Cass. 17 juli 2019, AR P.19.0660.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.2, AC 2019, nr. 419, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum, in Pas.; Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1340.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.11, AC 2017, nr. 57, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum, in Pas., T. Strafr. 2019, 127 noot P. HOET. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 5 - 8 Uit geen van artikel 6.3.c EVRM en de artikelen 30, tweede lid en 81, § 2 Interneringswet noch uit enig andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel, kan worden afgeleid dat de kamer zich kan inlaten met de wijze waarop de raadsman van de geïnterneerde zijn bijstand verleent; het behoort tot het recht van verdediging dat door de geïnterneerde en zijn raadsman en desgevallend door de raadsman zelf wordt beslist over de wijze waarop verweer wordt gevoerd en de standpunten die daarbij worden ingenomen; enkel indien uit het optreden of het niet-optreden van de raadsman manifest blijkt dat een geïnterneerde niet of niet langer een werkelijke bijstand geniet van een raadsman en het recht van verdediging niet of niet langer is gewaarborgd, kan de kamer gepaste maatregelen nemen om daaraan te verhelpen
(1); uit het enkele feit dat de communicatie tussen een geïnterneerde en zijn raadsman moeilijk verloopt en dat de raadsman meent dat een door het openbaar ministerie geadviseerde plaatsing in het belang van de geïnterneerde is, volgt niet dat de geïnterneerde vanwege die raadsman geen effectieve en adequate bijstand heeft ontvangen.
(1)Over het rechterlijk toezicht op de effectieve bijstand van een advocaat, als aspect van art. 6.3.c EVRM, zie EHRM 20 januari 2009, Güvec t/Turkije, § 130, www.echr.coe.int. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 81, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 9 - 12 Uit artikel 5 EVRM kan niet worden afgeleid dat de kamer die in het kader van de uitvoering van een interneringbeslissing oordeelt dat de plaatsing van een geïnterneerde in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij noodzakelijk is, bovendien moet motiveren waarom een minder verregaande maatregel niet kan volstaan, behoudens ingeval van een daartoe strekkende conclusie. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 13 - 16 Noch uit artikel 8 EVRM noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat de kamer die moet oordelen over de uitvoering van een interneringsbeslissing bij de beoordeling uitdrukkelijk het recht op privé- en familieleven van de geïnterneerde moet betrekken, behoudens ingeval van daartoe strekkende conclusie. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 17 - 20 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de kamer die de vertegenwoordiging toestaat van een geïnterneerde door zijn raadsman die beslissing nader te motiveren, behoudens ingeval van verzet door het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 21 - 22 Uit de enkele overweging dat de raadsman van een slachtoffer heeft laten weten dat hem niet is gemeld dat de eiser sinds de laatste rechtszitting van de kamer nog brieven heeft geschreven aan dit slachtoffer, kan niet worden afgeleid dat de eiser de voorwaarde in verband met het contactverbod met de slachtoffers heeft nageleefd. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 34 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 56 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0155.N V. S., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Jacques Vandeuren, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 23 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Artikel 78 Interneringswet bepaalt op limitatieve wijze de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij waartegen cassatieberoep kan worden ingesteld. De beslissingen betreffende uitgaansvergunningen worden daarbij niet vermeld. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing betreffende uitgaansvergunningen, is het niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM: omdat uit het door de toenmalige raadsman van de eiser op de rechtszitting voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) gevoerde verweer blijkt dat haar mandaat in vraag diende te worden gesteld en dat het daar door die raadsman verdedigde standpunt regelrecht inging tegen de belangen van de eiser, had de kamer de vertegenwoordiging van de eiser door die raadsman moeten weigeren; de eiser, zijnde een kwetsbaar persoon, heeft aldus geen adequate en effectieve bijstand gehad van een raadsman en zijn recht op een eerlijk proces werd aldus miskend; de toenmalige raadsman heeft bij de behandeling van de zaak door de kamer immers meegedeeld dat zij zich zorgen maakte over de eiser, dat de eiser weigerde met haar te spreken over zijn huidige levensomstandigheden (een val, het onhygiënisch zijn van zijn woning) en dat zij zich akkoord kon verklaren met het advies van de procureur des Konings om de eiser, voor zijn eigen bestwil, te plaatsen in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij of residentieel te laten opnemen, wat de beste oplossing zou zijn voor hem.
- Artikel 6.3.c EVRM en het daarin gewaarborgde recht op bijstand van een raadsman zijn van toepassing ingeval van vervolging wegens een strafbaar feit. Die bepaling is niet van toepassing op de procedure voor de kamer die uitspraak doet over de uitvoeringsmodaliteiten van een interneringsbeslissing.
- Artikel 30, tweede lid, Interneringswet bepaalt dat een geïnterneerde persoonlijk verschijnt en dat hij door zijn advocaat wordt vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand worden gesteld en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
- Artikel 81, § 2, Interneringswet bepaalt dat de kamer ten aanzien van een geïnterneerde slechts kan beslissen indien die wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat.
- Uit deze bepalingen volgt dat de kamer erop moet toezien dat een geïnterneerde door een raadsman wordt bijgestaan of vertegenwoordigd.
- Deze bepalingen beletten niet dat indien een geïnterneerde afwezig blijft op de rechtszitting van de kamer betreffende het verder beheer van de internering, hij door zijn raadsman kan worden vertegenwoordigd. De geïnterneerde kan de bijstand van een voor hem aangewezen raadsman niet weigeren.
- Uit geen van deze bepalingen noch uit enig andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel, kan worden afgeleid dat de kamer zich kan inlaten met de wijze waarop de raadsman van de geïnterneerde zijn bijstand verleent. Het behoort tot het recht van verdediging dat door de geïnterneerde en zijn raadsman en desgevallend door de raadsman zelf wordt beslist over de wijze waarop verweer wordt gevoerd en de standpunten die daarbij worden ingenomen.
- Enkel indien uit het optreden of het niet-optreden van de raadsman manifest blijkt dat een geïnterneerde niet of niet langer een werkelijke bijstand geniet van een raadsman en het recht van verdediging niet of niet langer is gewaarborgd, kan de kamer gepaste maatregelen nemen om daaraan te verhelpen.
- Uit het enkele feit dat de communicatie tussen een geïnterneerde en zijn raadsman moeilijk verloopt en dat de raadsman meent dat een door het openbaar ministerie geadviseerde plaatsing in het belang van de geïnterneerde is, volgt niet dat de geïnterneerde vanwege die raadsman geen effectieve en adequate bijstand heeft ontvangen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 januari 2024 en uit het vonnis blijkt onder meer dat: - volgens de gerechtspsychiater en een arts die de eiser heeft opgevolgd bij hem paranoïde wanen zijn vast te stellen; - de eiser de bij de invrijheidstelling op proef opgelegde en later herziene voorwaarden niet wil naleven; - de eiser hulpverlening op de meest diverse vlakken afwijst; - de eiser niet persoonlijk wenst te verschijnen voor de kamer, maar zich laat vertegenwoordigen door een raadsman; - de raadsman van de eiser op de rechtszitting voor de kamer liet weten dat zij zich zorgen maakte over haar cliënt, hij weigerde met haar te spreken over zijn huidige levensomstandigheden (val de week daarvoor; het onhygiënisch zijn van de woning) en dat het tijd is om iets te ondernemen; - zij aangaf akkoord te gaan met het advies van de procureur des Konings om de eiser, voor zijn eigen bestwil, te plaatsen in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij of residentieel te laten opnemen, nu dit de beste oplossing zou zijn voor de eiser; - de kamer betreurt dat de eiser niet bereid is naar de rechtszitting te komen om daar zijn wensen en grieven uiteen te zetten, maar dat dit ongetwijfeld heeft te maken met zijn waansysteem waar ondertussen ook de internering en alle daaraan verbonden diensten toe behoren; - de eiser meent dat hij het slachtoffer is van allerlei complotten, ook met betrekking tot de internering, waartegen hij eindeloos procedeert, ongeacht de financiële en psychische kosten die dit veroorzaakt voor hem en zijn gezin; - de kamer vaststelt dat de eiser de laatste jaren steeds verder en dieper wegglijdt in zijn eigen realiteit, waarbij hij minstens zijn eigen veiligheid compromitteert; - de eiser de legitimiteit van de kamer niet erkent. Daaruit volgt dat er voor de kamer geen redenen waren om aan te nemen dat de eiser manifest geen adequate en effectieve bijstand heeft genoten vanwege zijn raadsman en op dat vlak gepaste maatregelen had moeten nemen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM: het vonnis beslist niet eenduidig welke de redenen zijn om de eiser te plaatsen in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij; het stelt weliswaar vast dat de eiser de bij zijn invrijheidstelling opgelegde voorwaarden en de daarna herziene voorwaarden niet heeft nageleefd, maar het specificeert niet exact welke de niet-nageleefde voorwaarden zijn noch waarom daaruit de noodzakelijkheid van een plaatsing volgt; er is geen sprake van tegenindicaties voor een invrijheidstelling op proef; de kamer onderzoekt ook niet of er geen minder drastische alternatieven waren voor een plaatsing in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij.
- Uit artikel 5 EVRM kan niet worden afgeleid dat de kamer die in het kader van de uitvoering van een interneringbeslissing oordeelt dat de plaatsing van een geïnterneerde in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij noodzakelijk is, bovendien moet motiveren waarom een minder verregaande maatregel niet kan volstaan, behoudens ingeval van een daartoe strekkende conclusie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis heeft met verwijzing naar de verslagen van de gerechtspsychiater, zorgverstrekkers en justitieassistenten op omstandige wijze de actuele toestand van de eiser beschreven, uiteengezet dat hij de hem bij zijn invrijheidstelling op proef opgelegde en daarna herziene voorwaarden niet naleeft, de beslissingen vermeld waarbij die voorwaarden werden opgelegd en herzien, alsook vastgesteld dat de eiser elk zorgaanbod weigert. Aldus heeft het vonnis duidelijk aangegeven wat de gevolgen van dit alles zijn, niet enkel voor de eiser zelf, maar ook voor de samenleving. Derhalve is de beslissing om de eiser te plaatsen in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij naar recht verantwoord, zonder dat bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie een nadere motivering was vereist. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser toestemming heeft geweigerd voor een aanmelding bij Sint-Alexius miskent het vonnis de bewijskracht van de maatschappelijke enquête van 7 december 2023; daaruit blijkt niet dat de eiser toestemming heeft geweigerd, maar enkel dat hij dit met zijn zoon wilde bespreken en dat hij vraagtekens plaatste bij de tekst.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van die akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van de akte indien de rechter louter een gevolg eruit afleidt.
- Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het vonnis van de maatschappelijke enquête geen uitlegging, maar leidt het louter een gevolg eruit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM: het vonnis plaatst de eiser in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij zonder een afweging te maken met zijn recht op privé- en familieleven.
- Noch uit artikel 8 EVRM noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat de kamer die moet oordelen over de uitvoering van een interneringsbeslissing bij de beoordeling uitdrukkelijk het recht op privé- en familieleven van de geïnterneerde moet betrekken, behoudens ingeval van daartoe strekkende conclusie. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5 en 8 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 2 Interneringswet: het vonnis heeft toegelaten dat de eiser werd vertegenwoordigd door zijn raadsman niettegenstaande het principe van de persoonlijke verschijning van de geïnterneerde; uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijken de redenen voor die beslissing; het Hof kan bijgevolg niet nagaan op grond van welke redenen de kamer die beslissing heeft genomen; het vonnis motiveert de beslissing om de eiser te plaatsen in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij niet in het licht van de artikelen 5 en 8 EVRM; het specificeert niet de voorwaarden waaraan de eiser zich niet heeft gehouden; bovendien blijkt uit het feit dat de kamer akte neemt van het feit dat de raadsman van een slachtoffer schriftelijk heeft laten weten dat hem niet meer is gemeld dat sinds de laatste rechtszitting van de kamer de eiser nog brieven heeft geschreven aan het slachtoffer, dat de eiser zich minstens aan die cruciale voorwaarde heeft gehouden; het oordeel van de kamer dat de eiser zich aan geen enkele voorwaarde houdt, is daarmee in strijd.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de kamer die de vertegenwoordiging toestaat van een geïnterneerde door zijn raadsman die beslissing nader te motiveren, behoudens ingeval van verzet door het openbaar ministerie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de enkele overweging dat de raadsman van een slachtoffer heeft laten weten dat hem niet is gemeld dat de eiser sinds de laatste rechtszitting van de kamer nog brieven heeft geschreven aan dit slachtoffer, kan niet worden afgeleid dat de eiser de voorwaarde in verband met het contactverbod met de slachtoffers heeft nageleefd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre een tegenstrijdigheid als motiveringsgebrek uit deze aanvoering is afgeleid, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige heeft het onderdeel eenzelfde strekking als het tweede en vierde onderdeel en wordt het om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen verworpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.037 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.11 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div