← België

H. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240304.3N.3 Rolnummer: C.22.0308.N Zaak: H. contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 1039 - laatst gezien 2026-06-18 13:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Uit artikel 976, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de rechter niet is verplicht om laattijdige opmerkingen ambtshalve uit het debat te weren; de rechter die beslist tot het weren van laattijdige opmerkingen, kan deze beslissing evenwel niet steunen op de enkele vaststelling dat de termijn om de opmerkingen aan de deskundige voor te leggen, is verstreken. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 976, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0308.N 1. F.H., 2. A.W., eisers, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen 1. M.D., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. P.G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 oktober 2021. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 9 januari 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. De eerste verweerster werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op in zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing tot het weren uit het debat van het verslag van de expert van de eisers: het arrest bevat op dit punt nog geen eindbeslissing vermits het geen uitspraak doet over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering tot schadevergoeding, zodat daartegen geen onmiddellijk cassatieberoep openstaat. 2. De beslissing om het verslag van de expert van de eisers uit het debat te weren en hen te verbieden zich in hun verdere conclusies op dit verslag te steunen, is een eindbeslissing waarop de appelrechter na de heropening van het debat niet meer kan terugkomen. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste middel 3. Krachtens artikel 1641 Oud Burgerlijk Wetboek is de verkoper gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken had gekend, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht. 4. Het verborgen gebrek is het gebrek dat de koper bij de levering niet kon of niet moest kunnen vaststellen. Wanneer de verkochte zaak door een verborgen gebrek is aangetast, kan de koper alleen de rechtsvordering tot vrijwaring voor verborgen gebreken instellen en niet de rechtsvordering wegens niet-nakoming van de verbintenis om de zaak te leveren conform de verkochte zaak. 5. De appelrechter stelt vast en oordeelt, deels met overname van de redenen van de eerste rechter dat: - de eisers en de eerste verweerster op 14 januari 2013 een onderhandse verkoopovereenkomst sloten met betrekking tot een perceel grond, eigendom van de eerste verweerster; - de notariële akte op 22 mei 2013 werd verleden voor de tweede verweerder; - tijdens de bouwwerken op enige afstand van de kelderwand een leiding in de ondergrond werd vastgesteld; - deze leiding een waterleiding betrof van De Watergroep, die bij akte van 10 augustus 1987 de eigendom verwierf van een ondergrondse inneming op voormeld perceel; - uit die verkoopakte blijkt dat het bovenliggend erf werd bezwaard met een erfdienstbaarheid van waterleiding; - de eisers de ontbinding vorderen van de verkoopovereenkomst op basis van het bestaan van verborgen gebreken (bestaan van een erfdienstbaarheid en de aanwezigheid van een waterleiding), alsook de niet-conforme levering (de aanwezigheid van een erfdienstbaarheid); - de vordering op basis van het bestaan van verborgen gebreken tijdig werd ingesteld; - een verborgen gebrek een gebrek is dat dat de koper bij de levering niet kon of moest vaststellen, dat reeds in de kiem aanwezig was op het ogenblik van de aankoop en dat het gebruik van het onroerend goed ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe het is bestemd of het gebruik zodanig vermindert dat de koper, indien hij op de hoogte was, een lagere prijs zou hebben betaald; - gelet op het gegeven dat de erfdienstbaarheid is gelegen in de niet-bebouwbare zone van het perceel en slechts een beperkte impact heeft op het gebruik van het perceel, het risico op schade ingevolge de aanwezigheid van de waterleiding zeer beperkt is en er slechts beperkte aanpassingen dienen te gebeuren aan de kelderwand, het niet vaststaat dat het gebrek het onroerend goed ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe het bestemd is of het gebruik ervan zodanig vermindert dat de eisers, indien zij op de hoogte waren, een lagere prijs zouden hebben betaald. 6. Met die redenen geeft de appelrechter te kennen dat er sprake is van een verborgen gebrek dat evenwel onvoldoende ernstig is om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen en verantwoordt hij zijn beslissing tot afwijzing van de vordering tot ontbinding wegens niet-nakoming van de leveringsplicht naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eisers een stuk bouwgrond van de eerste verweerster hebben gekocht bij onderhandse akte van 14 januari 2013 en notariële akte van 22 mei 2013; - een deel van dit onroerend goed niet de eigendom van de eerste verweerster was, met name de ondergrondse innemingen, die het voorwerp uitmaakten van de verkoopovereenkomst van 10 augustus 1987; - de eerste rechter dan ook terecht is overgegaan tot gedeeltelijke nietigverklaring op grond van artikel 1599 Oud Burgerlijk Wetboek; - de nietige overeenkomst vanaf haar ontstaan geen rechtsgevolgen meer heeft en elke partij in de regel ertoe is verplicht de prestaties terug te geven die zij krachtens de vernietigde overeenkomst heeft ontvangen, zodat de partijen worden teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich zouden hebben bevonden, indien zij niet hadden gecontracteerd; - de koper bijgevolg recht heeft op terugbetaling van de prijs, die overeenstemt met de waarde van datgene dat is verkocht door de niet-eigenaar; - indien de verkoop gedeeltelijk een verkoop van andermans zaak uitmaakt, de terugbetalingsverplichting beperkt zal zijn tot dat deel van de verkoopprijs dat betrekking heeft op de gedeeltelijke verkoop van andermans zaak; - op basis van de notariële akte van 10 augustus 1987 waarbij de verkoopprijs voor de ondergrondse inneming werd bepaald op 2.193,86 euro, rekening houdend met de indexatie, het bedrag dat de eerste verweerster ingevolge de gedeeltelijke nietigverklaring dient terug te betalen, wordt bepaald op 4.062,89 euro plus 10 pct. registratierechten, samen 4.469,18 euro. 8. Met die redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, oordeelt de appelrechter dat het bedrag van 4.469,18 euro overeenstemt met de waarde van die ondergrondse innemingen in de totale verkoopprijs die de eisers hebben betaald. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Ontvankelijkheid 9. De eerste verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel heeft geen belang omdat de appelrechter het verslag van de expert van de eisers uit het debat weert omdat het eenzijdig is, wat volstaat om deze beslissing tot wering naar recht te verantwoorden. 10. De appelrechter beslist met toepassing van artikel 976, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek het verslag van de expert van de eisers wegens laattijdigheid uit het debat te weren. De vaststelling dat dit verslag eenzijdig is opgesteld, vormt geen zelfstandige reden voor de beslissing tot wering. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 11. De tweede verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel komt op tegen een feitelijke beoordeling van de bewijswaarde van een eenzijdig opgesteld verslag. 12. De appelrechter beoordeelt niet de bewijswaarde van het eenzijdig opgesteld verslag, maar verwijdert dit verslag ambtshalve uit het debat wegens laattijdigheid. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 13. Krachtens artikel 976, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek stuurt de deskundige, na afloop van zijn werkzaamheden, zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de rechter, aan de partijen en aan hun raadslieden. Tenzij de rechter vooraf een termijn heeft vastgesteld, bepaalt de deskundige, rekening houdend met de aard van het geschil, een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken. Behoudens andersluidende beslissing van de rechter of door de deskundige in zijn voorlopig advies bedoelde bijzondere omstandigheden, bedraagt die termijn ten minste vijftien dagen. De deskundige ontvangt de opmerkingen van de partijen en van hun technische raadgevers voor het verstrijken van deze termijn. De deskundige houdt geen rekening met de opmerkingen die hij te laat ontvangt. De rechter kan deze ambtshalve uit het debat weren. 14. Uit deze bepaling en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de rechter niet is verplicht om laattijdige opmerkingen ambtshalve uit het debat te weren. De rechter die beslist tot het weren van laattijdige opmerkingen, kan deze beslissing evenwel niet steunen op de enkele vaststelling dat de termijn om de opmerkingen aan de deskundige voor te leggen, is verstreken. 15. De appelrechter die het verslag van de expert van de eisers uit het debat weert om de enkele reden dat dit niet aan de gerechtsdeskundige is voorgelegd in het kader van het deskundigenonderzoek en bijgevolg laattijdig is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het verslag van de expert van de eisers uit het debat weert en zegt dat de eisers zich in hun conclusies na heropening van het debat niet op dit verslag mogen steunen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 4 maart 2024, uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240304.3N.3 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.