← België

Jaguar Land Rover Belux contra SCHRUERS ADVOCATEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 1641

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1643

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1644- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

C.23.0125.N

  1. JAGUAR LAND ROVER BELUX nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Generaal Lemanstraat 47, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0456.612.553,
  2. PEETERS MOTORS nv, met zetel te 2200 Herentals, Herenthoutseweg 235, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0471.384.366, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen SCHREURS ADVOCATEN bv, met zetel te 3724 Kortessem, Overbeekstraat 46, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0870.863.624, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 december
  3. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 7 februari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 13 februari 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  4. De verweerster voert twee gronden van niet-ontvankelijkheid aan: in zoverre dit onderdeel het arrest verwijt niet te onderzoeken of er sprake is van een gedeeltelijk verlies van de zaak, is het onduidelijk en voert het niet de schending aan van artikel 1647 Oud Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk het verlies dat veroorzaakt is door de verborgen gebreken voor rekening van de verkoper is.
  5. Het onderzoek van de gronden van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf. De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen. Gegrondheid
  6. Krachtens artikel 1644 Oud Burgerlijk Wetboek heeft de koper, in het geval van de artikelen 1641 en 1643, de keuze om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen, ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen, welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald.
  7. De ontbinding van een wederkerig contract heeft, in beginsel, terugwerkende kracht en heeft tot gevolg dat de partijen hetgeen zij krachtens de overeenkomst hebben ontvangen, terug dienen te geven. Wanneer in uitvoering van de ontbonden overeenkomst goederen werden overgedragen, bestaat het herstel in de vorige toestand in beginsel in de teruggave van de goederen aan de restitutieschuldeiser en, indien de teruggave niet mogelijk is, in de betaling van de waarde van de goederen. Bij de teruggave van de goederen aan de restitutieschuldeiser wordt hij geacht eigenaar van de goederen te zijn gebleven, zodat hij de risico’s van een waardedaling van de goederen moet dragen, tenzij dit verschil in waarde toe te schrijven is aan het doen of laten van de restitutieschuldenaar.
  8. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerster op 22 december 2017 een wagen kocht bij de tweede eiseres, waarbij de eerste eiseres optrad als invoerder van de wagen; - de verweerster werd geconfronteerd met gebreken van de wagen waardoor die niet geschikt was voor het normaal gebruik waartoe die was bestemd; - de verweerster zich op 26 september 2018 over alle gebreken beklaagde die zich vanaf de levering hadden gemanifesteerd en over de vruchteloze herstellingspogingen; - de tweede eiseres als gespecialiseerde professionele verkoper geacht wordt deze gebreken te hebben gekend en hiervoor aansprakelijk is; - de verweerster als koper een discretionair keuzerecht heeft om de ontbinding van de koop dan wel prijsvermindering te vorderen; - het gebruik van de zaak na de ontdekking van het gebrek, waardoor de zaak in waarde vermindert, het ontbindingsrecht niet uitsluit; - de verweerster op 1 maart 2019 dagvaarding uitbracht tot ontbinding van de koop; - de omstandigheid dat de verweerster tot op heden met dit voertuig is moeten blijven rijden en deze wagen vetusteit heeft ondergaan in het geheel niet te wijten is aan de verweerster maar aan de tweede eiseres; - er geen rechtsmisbruik in hoofde van de verweerster wordt aangetoond; - de eerste rechter de koop terecht heeft ontbonden; - de tweede eiseres de wagen moet terugnemen en de prijs ervan terugbetalen.
  9. De appelrechters die aldus oordelen dat de waardevermindering van de wagen voor rekening moet blijven van de verkoper, zelfs indien deze waardevermindering voortvloeit uit het gebruik dat de koper van de wagen is blijven maken en derhalve uit een doen of laten van deze laatste, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  10. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt niet dat de eiseressen in hun appelconclusies hebben aangevoerd dat er bij de teruggaveverplichting van de partijen bij ontbinding van de koopovereenkomst rekening moet worden gehouden met een vergoeding voor het genot dat de verweerster van het voertuig heeft gehad. Het onderdeel is nieuw en mitsdien niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  11. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat de eerste eiseres in haar appelconclusie de omvang van de aanvullende schadevergoeding heeft betwist met betrekking tot het mindergenot van de wagen door de verweerster.
  12. De appelrechters die oordelen dat de eerste rechter de aanvullende schadevergoeding passend en correct heeft begroot, gelet op de feiten en de voorgebrachte stukken, terwijl de eerste rechter met betrekking tot de aanvullende schadevergoeding louter oordeelt dat het bedrag van de gevorderde schadevergoeding cijfermatig niet wordt betwist en aldus wordt toegekend, beantwoorden het voornoemd verweer niet en schenden mitsdien artikel 149 Grondwet. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het bij de restitutieverplichtingen geen rekening houdt met de waardedaling van het voertuig ten gevolge van het verder gebruik ervan door de verweerster, oordeelt over de aanvullende schadevergoeding en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert en Michael Traest, en in openbare rechtszitting 4 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240304.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240304.3N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170113.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.