← België

G.

Obsah (4)Art. 202Art. 203Art. 204Art. 195

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 202

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 202

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Wanneer de appellant op zijn grievenformulier niet alleen het beslissingsonderdeel van de beroepen beslissing aanduidt waartegen hij opkomt, maar ook de reden vermeldt waarom hij die grief aanvoert, bepaalt het appelgerecht de draagwijdte van die vermelding; uit de loutere omstandigheid dat de appellant hierbij feiten aanvoert die niet het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van het debat voor de eerste rechter kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een onnauwkeurige grief

(1).
(1)Zie Cass. 27 juni 2023, AR P.22.1658.N, AC 2023, nr. 480, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 4 De rechter voldoet aan de uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting de wetsbepalingen te vermelden betreffende de toegepaste straf indien hij de wetsbepalingen betreffende de uitgesproken hoofdstraf vermeldt; niet is vereist dat de rechter bovendien melding maakt van de wetsbepalingen betreffende de bijkomende straffen of de beveiligingsmaatregelen. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1669.N F. M. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kristof Lauwens, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 8 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 202, 203 en 204 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht en de bewijskracht van de beroepsakte en het grievenformulier: de appelrechters kunnen het hoger beroep niet ontvankelijk verklaren nu in de akte van hoger beroep vanwege het openbaar ministerie enkel wordt vermeld dat “K. B., Substituut Procureur des Konings” hoger beroep aantekent en in het grievenformulier enkel “openbaar ministerie” wordt vermeld als naam van de partij waarvoor wordt opgetreden, zonder te specificeren dat het parket van de procureur des Konings te Halle-Vilvoorde optreedt, waar dit nochtans essentieel is om het verschil te kunnen aantonen met andere parketten.
  3. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen.
  4. Het middel verwijt het bestreden vonnis niet dat het aan de beroepsakte of het grievenformulier een vermelding toeschrijft die deze niet bevatten of het bestaan ontkent van een vermelding die deze wel bevatten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  5. Het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken behoort onder andere volgens artikel 202, 5°, Wetboek van Strafvordering toe aan de procureur des Konings. Uit artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering volgt dat de verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen. Volgens artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd. Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt. Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.
  6. Noch de artikelen 202, 203 of 204 Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wetsbepaling vereisen dat in de verklaring van hoger beroep of in het grievenformulier uitdrukkelijk wordt gepreciseerd tot welk parket de magistraat van het openbaar ministerie behoort die voor de griffier verschijnt om hoger beroep in te stellen of die het grievenformulier ondertekent. Het volstaat dat het appelgerecht kan nagaan dat een bevoegd magistraat de vereiste formaliteiten heeft vervuld, wat het geval is indien zijn naam en hoedanigheid zijn vermeld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eerder opgelegde sancties van de politierechter gepast waren teneinde de eiser te confronteren met de gevolgen van zijn risicogedrag in het verkeer en hem aan te zetten om voortaan meer oplettendheid, veiligheidsinzicht en verantwoordelijkheidsgevoel te doen betonen in zijn rijgedrag; het oordeelt anderzijds dat er wel nog een mentaliteitswijziging nodig zou zijn; wanneer men reeds over het nodige verantwoordelijkheidsgevoel en veiligheidsinzicht beschikt betekent dit per definitie immers dat er juist wel een correcte mentaliteit aanwezig is.
  9. Het Hof ontwaart de aangevoerde tegenstrijdigheid niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 65 Wegverkeerswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht en de bewijskracht van een akte: de appelrechters hebben voor de strafverzwaring onterecht eveneens rekening gehouden met het feit dat de eiser geverbaliseerd zou zijn geweest voor het rijden onder invloed van alcohol enkele maanden voor de huidige feiten; het strafdossier bevat echter geen eerdere processen-verbaal waardoor de bewijskracht van de akte wordt miskend; bovendien kunnen de appelrechters zich niet zonder meer baseren op enig proces-verbaal dat feitelijk geen uitstaan heeft met de voorliggende zaak en waarvan niet is geweten of hieraan enig gevolg werd gekoppeld; het is immers perfect mogelijk dat er zou zijn overgegaan tot minnelijke schikking hetgeen de strafvordering voor deze andere feiten zou hebben doen vervallen.
  11. Het bestreden vonnis verwijst niet naar de stukken van het strafdossier, maar stelt enkel vast dat de eiser niet betwist dat hij enkele maanden voor de thans vervolgde feiten ook reeds werd geverbaliseerd voor rijden onder invloed van alcohol. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  12. De rechter mag bij de straftoemetingsbeslissing rekening houden met alle feitelijke gegevens, ook als die als een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd, die een licht kunnen werpen op de aard en de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde. Hij mag evenwel niet beslissen dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan een dergelijk niet vervolgd strafbaar feit. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het bestreden vonnis oordeelt dat de door de eiser aangevoerde argumenten geen afdoende concrete elementen zijn die zouden toelaten om af te wijken van de verplichting om een alcoholslot op te leggen en overweegt dat de eiser bovendien niet betwist dat hij enkele maanden voor de huidige feiten ook reeds werd geverbaliseerd voor het rijden onder invloed van alcohol (randnummer 6). De appelrechters, die aldus niet hebben beslist dat de eiser zich schuldig maakte aan deze feiten waarvoor hij werd geverbaliseerd, konden rekening houden met deze feitelijke gegevens. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en artikel 37/1, tweede lid, Wegverkeerswet: de appelrechters dienen het hoger beroep van het openbaar ministerie vervallen te verklaren bij gebrek aan een geldige grief; de eerste rechter heeft bijzonder gemotiveerd om geen alcoholslot op te leggen; door pas na het beroepen vonnis voor het eerst in het grievenformulier te spreken over een eerdere verbalisering van de eiser richt het zich niet uitdrukkelijk tegen het beroepen vonnis.
  15. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door het appelgerecht vraagt. De appellant kan, maar moet niet de reden van zijn grief opgeven.
  16. Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen.
  17. Wanneer de appellant op zijn grievenformulier niet alleen het beslissingsonderdeel van de beroepen beslissing aanduidt waartegen hij opkomt, maar ook de reden vermeldt waarom hij die grief aanvoert, bepaalt het appelgerecht de draagwijdte van die vermelding. Uit de loutere omstandigheid dat de appellant hierbij feiten aanvoert die niet het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van het debat voor de eerste rechter kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een onnauwkeurige grief.
  18. Het Hof gaat na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - het beroepen vonnis oordeelde met opgave van redenen dat het rijbewijs van de eiser niet diende beperkt te worden tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot; - het openbaar ministerie verklaarde ter griffie op 24 maart 2023 hoger beroep aan te tekenen tegen alle beschikkingen van het vonnis en legde op dezelfde dag een grievenformulier neer waarin de rubriek “Straf en/of maatregel (verplicht te vermelden straffen en/of maatregelen die worden betwist)” werd aangekruist en als redenen onder meer werden vermeld: “De betrokkene werd nog geen 3 maanden voor deze feiten geverbaliseerd voor alcoholintoxicatie in het verkeer. Het is juist omwille van de eerdere interceptie dat het nodig is om het rijbewijs te beperken tot alle motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot. Men kan zich de vraag stellen of de betrokkene kampt met een alcoholverslaving, dan wel met een mentaliteitsprobleem. Men wordt op een periode van 3 maanden maar liefst 2 maal geverbaliseerd voor alcoholintoxicatie in het verkeer, met aanzienlijk hoge gehaltes”. De appelrechters kunnen dan ook wettig oordelen dat de appelgrief van het openbaar ministerie betrekking heeft op de strafmaat en daarover uitspraak doen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verwijzen naar een niet bestaand artikel 65quinquies, § 3, Wegverkeerswet zodat zij niet alle wetsbepalingen hebben vermeld die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf uitmaken en die de straf bepalen.
  22. Het enkele feit dat de rechter in een veroordelende beslissing een niet bestaand artikel vermeldt, kan de eiser niet grieven. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  23. De rechter voldoet aan de uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting de wetsbepalingen te vermelden betreffende de toegepaste straf indien hij de wetsbepalingen betreffende de uitgesproken hoofdstraf vermeldt. Niet is vereist dat de rechter bovendien melding maakt van de wetsbepalingen betreffende de bijkomende straffen of de beveiligingsmaatregelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.