id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.12 Rolnummer: P.23.0674.N Zaak: B. contra DE GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-03-22 Raadplegingen: 669 - laatst gezien 2026-06-19 02:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Wanneer een stedenbouwkundig misdrijf dat erin bestaat om zonder voorafgaande vergunning een vergunningsplichtige handeling uit te voeren, door de rechter bewezen wordt verklaard, staat het vast dat die handeling wederrechtelijk is; de rechter die nadien moet oordelen over een op dat misdrijf gebaseerde herstelvordering kan de wederrechtelijke toestand op het ogenblik van het misdrijf niet meer in vraag stellen door te oordelen dat die handeling op dat ogenblik was vergund of niet vergunningsplichtig was, aangezien dat oordeel onverenigbaar is met de bewezenverklaring van het misdrijf. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE MISDRIJF - ALLERLEI REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Tekst van de beslissing Nr. P.23.0674.N I-II DE DONCKER bv, met zetel te 1760 Roosdaal, Nieuwe Kaai 20, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Jan OPSOMMER, met kantoor te 9700 Oudenaarde, Gentstraat 152, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Walter Muls, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, A. Dansaertstraat 92, waar de eiseres woonplaats kiest, III 1. F. I. B., 2. A. M. B., beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Melissa Lams, advocaat bij de balie Dendermonde, met kantoor te 9300 Aalst, Priester Daensplein 2/2, waar de eisers woonplaats kiezen, alle cassatieberoepen tegen 1. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Dennis Muñiz Espinoza, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsevest 47 bus 001, waar de verweerder woonplaats kiest, 2. M.-J. G., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 maart 2023. De eiseres I-II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres I-II doet zonder berusting afstand van haar cassatieberoep I. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest oordeelt onder meer dat: - de oorspronkelijke herstelvordering gedeeltelijk zonder voorwerp is; - de vordering van de verweerster 2 om de eisers te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding ongegrond is, waarbij de kosten van de burgerlijke rechtsvordering in hoger beroep ten laste van de verweerster 2 blijven. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiseres I-II 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door louter te verwijzen naar het niet-bestreden vonnis van 11 december 2019, is de beslissing tot het opleggen van een herstelmaatregel met betrekking tot het perceel nr. 40H, namelijk het staken van het strijdige gebruik van het perceel nr. 40H voor het plaatsen van allerlei materiaal, materieel, voertuigen of afval, niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters beantwoorden hierdoor immers niet het door de eiseres in haar appelconclusie ontwikkelde verweer dat het desbetreffende bewezenverklaarde misdrijf niet per definitie inhoudt dat het herstel moet worden bevolen, aangezien het gebruik van de grond ingevolge de vergund geachte vaste inrichting wel degelijk als vergund moet worden beschouwd. 3. Het arrest oordeelt over de gevorderde herstelmaatregel met betrekking tot het perceel nr. 40H als volgt: “Voor wat betreft perceel 40H vordert de [verweerder 1] “Het staken van het strijdige gebruik van het perceel 40H voor het plaatsen van allerlei materiaal, materieel, voertuigen of afval”. De eerste rechter heeft in het tussenvonnis van 11 december 2019 waartegen geen hoger beroep werd ingesteld en dat bijgevolg definitief is, onder meer wat volgt geoordeeld betreffende dit perceel: “De niet-vergunde opslag van materialen, materieel, voertuigen e.d. op perceel 40H is pas strafbaar geworden vanaf 1 mei 2000 (door de inwerkingtreding van het Decreet Ruimtelijke Ordening). Voor zover die buitenopslag vóór de invoering van het DRO niet vergunningplichtig was, is zij dit wel geworden vanaf 1.5.2000 en maakt vanaf dan het niet voorhanden zijn van een stedenbouwkundige vergunning of het regulariseren van de toestand, een strafbare handeling uit en meer bepaald een voortdurend misdrijf. (zie oa. Cass., 6 december 2011, A.R. nr.P.11.0599.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111206.1) Het vermoeden van vergunning van artikel 4.2.14 VCRO kan hier niet spelen aangezien het hier niet gaat om een “constructie”. Er wordt niet betwist en hoger wordt gemotiveerd dat dit gewoonlijk gebruik van het perceel 40h voor opslag reeds een voorafbestaande niet onderbroken toestand was op het ogenblik van de vaststellingen in 2003. Het gewoonlijk gebruik van een grond voor opslag van materialen, materieel, voertuigen, afval e.d. betreft een voortdurend misdrijf waarvan de verjaring pas intreedt van zodra de illegale toestand ophoudt te bestaan (zie ook hierboven). Dienvolgens is het gewoonlijk gebruik voor opslag in natuurgebied op perceel 40h, zoals vastgesteld onder andere bij P.V.’s van 27.8.200[3] en 6.11.2008 nog steeds niet verjaard daar deze feiten zich ononderbroken hebben voortgezet. Deze inbreuken vinden plaats in natuurgebied en zijn zowel ten tijde van de incriminatieperiode als heden strafbaar.” Bij gebrek aan hoger beroep tegen deze beslissing, die overigens werd bijgetreden door de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering in zijn advies van 17 april 2020 (p. 6/8 en 7/8), staat het definitief vast dat het gewoonlijk gebruik van perceel nr. 40H voor opslag een misdrijf is waaraan de beklaagden zich schuldig hebben gemaakt. Het is bijgevolg overbodig om in te gaan op de uitvoerige argumentatie in de laatste conclusies van de respectieve [eisers], waarin, samengevat, in strijd met de hierboven aangehaalde passage van het tussenvonnis, wordt aangevoerd dat er geen sprake zou zijn van een gewoonlijk gebruik van het terrein voor opslag, maar wel van een “constructie” die vermoed wordt vergund te zijn. Uit de vaststellingen van de verbalisant ruimtelijke ordening in het navolgend proces-verbaal van 11 oktober 2022 blijkt dat het gewoonlijk gebruik van het bedoelde terrein voor de opslag van (onder meer) materiaal, materieel en voertuigen nog niet is gestaakt (zie ook de foto's die gevoegd zijn als bijlage bij dit proces-verbaal). Er werd geen proces-verbaal, of enig ander stuk, aan het hof [van beroep] voorgelegd waaruit zou blijken dat dit thans wel het geval zou zijn. Aangezien de schuld van de [eisers] aan het misdrijf van het illegaal gewoonlijk gebruik van het perceel voor opslag definitief vast staat, dit illegaal gewoonlijk gebruik tot op dit ogenblik niet beëindigd is, de gevolgen van het misdrijf niet kennelijk verenigbaar zijn met een goede ruimtelijke ordening en de uitvoering van bouw- of aanpassing[s]werken niet kennelijk zouden volstaan om de goede ruimtelijke ordening te herstellen, is de vordering van de [verweerder 1] tot “Het staken van het strijdige gebruik van het perceel 40H voor het plaatsen van allerlei materiaal, materieel, voertuigen of afval”, gegrond.” Met die redenen beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer. Het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Middel van de eisers III Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de beslissing tot het opleggen van een herstelmaatregel met betrekking tot het perceel nr. 40H, namelijk het staken van het strijdige gebruik van het perceel nr. 40H voor het plaatsen van allerlei materiaal, materieel, voertuigen of afval, is niet regelmatig met redenen omkleed; de eisers hadden in hun appelsyntheseconclusie aangevoerd dat de buitenopslagplaats reeds vóór 1 mei 2000 werd geplaatst en gebruikt; de appelrechters laten evenwel na de vergunningsplicht onder de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 te onderzoeken en miskennen dan ook de motiveringsplicht. 5. Met de redenen vermeld in het antwoord op het middel van de eiseres I-II verwerpen de appelrechters het in het middel bedoelde verweer en omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het adagium Da mihi factum, dabo tibi ius: de appelrechters laten na om bij de beoordeling van de herstelmaatregel met betrekking tot het perceel nr. 40H de vergunningen en bouwplannen van na het gewestplan en vóór 1 mei 2000 in de beoordeling te betrekken; volgens de vergunning van 10 augustus 1979 moet de opslag van predallen op de toen reeds bestaande verharde opslagplaats op het perceel nr. 40H als een onlosmakelijk geheel en milieutechnische eenheid met de vergunde productieloods worden beschouwd; het voorhanden zijn van een stedenbouwkundige vergunning vóór 1 mei 2000 voor de opslag van betonproducten op het perceel nr. 40H heeft tot gevolg dat ook na 1 mei 2000 voor deze vergunde opslag geen nieuwe stedenbouwkundige vergunning meer hoeft te worden aangevraagd. 7. Wanneer een stedenbouwkundig misdrijf dat erin bestaat om zonder voorafgaande vergunning een vergunningsplichtige handeling uit te voeren, door de rechter bewezen wordt verklaard, staat het vast dat die handeling wederrechtelijk is. De rechter die nadien moet oordelen over een op dat misdrijf gebaseerde herstelvordering kan de wederrechtelijke toestand op het ogenblik van het misdrijf niet meer in vraag stellen door te oordelen dat die handeling op dat ogenblik was vergund of niet vergunningsplichtig was, aangezien dat oordeel onverenigbaar is met de bewezenverklaring van het misdrijf. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt de cassatieberoepen II en III. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 142,51 euro, waarvan de cassatieberoepen I-II 82,17 euro is verschuldigd en het cassatieberoep III 60,34 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.12 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111206.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.