id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.5 Rolnummer: P.23.1696.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-03-22 Raadplegingen: 472 - laatst gezien 2026-06-15 06:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Een schuldigverklaring van een beklaagde aan een inbreuk op de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan sluit niet noodzakelijk uit dat diezelfde beklaagde niet heeft voldaan aan de in artikel 67ter Wegverkeerswet strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting betreffende die inbreuk. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1696.N X.V.E, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ben Leyman, advocaat bij de balie Oudenaarde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 10 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van de regels van het bewijs: het voorliggende dossier bevat geen objectieve bewijsstukken die op voldoende overtuigende wijze toelaten vast te stellen dat de eiser op het ogenblik van de feiten de bestuurder was van het voertuig en derhalve de snelheidsovertreding heeft begaan; het feit dat hij de enige zaakvoerder en gebruikelijk de enige bestuurder is, is onvoldoende om met zekerheid vast te stellen dat hij ook de bestuurder was op het ogenblik van de feiten; de eiser heeft overigens in het antwoordformulier aangegeven zijn voertuig te hebben uitgeleend aan een vriend met privéproblemen en ook: “Als hij voorkomt is hij verloren, dus neem ik alles op mij. Het spijt me maar ik kan niet anders”; het bestreden vonnis oordeelt dat die loutere bewering ongeloofwaardig is, omdat ze geen steun vindt in een objectief element; ook de beoordeling van de appelrechters vindt geen steun in een objectief element; wanneer een beklaagde een feit of een omstandigheid aanvoert die de bewezenverklaring van het misdrijf uitsluit, te weten de vermelding op het antwoordformulier, en deze aanvoering niet elke geloofwaardigheid mist, moet het openbaar ministerie bewijzen dat deze omstandigheid niet bestaat; met het oordeel dat deze door de eiser aangevoerde omstandigheid niet geloofwaardig is, omdat het geen steun zou vinden in een objectief element terwijl het oordeel dat de eiser wel de bestuurder was evenmin op objectieve elementen is gesteund, keert het bestreden vonnis de bewijslast om en miskent dit het vermoeden van onschuld.
- De enkele omstandigheid dat een beklaagde betwist dat hij een hem ten laste gelegd feit heeft gepleegd en aanvoert dat dit feit door een ander is gepleegd waarvan hij de identiteit niet wenst te onthullen, vormt geen schulduitsluitingsgrond.
- De strafrechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem overgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens.
- De rechter kan zijn beslissing over de toerekenbaarheid van een misdrijf gronden op feitelijke gegevens die hij vermeldt, alsook op de ongeloofwaardigheid van een aanvoering door een beklaagde. Een dergelijke gemotiveerde beoordeling houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld of een omkering van de bewijslast.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel voor het overige opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet het door de eiser in het grievenformulier aangevoerde verweer dat hij niet de bestuurder was van het voertuig, dat dit verweer rechtstreeks is gelieerd aan de telastlegging B en dat hij derhalve onmogelijk kan worden veroordeeld voor het overschrijden van de geldende snelheidsbeperking en ook voor het niet ter kennis brengen van de identiteit van de bestuurder; de eiser was niet aanwezig op het ogenblik van de feiten van de telastlegging A op de plaats van het misdrijf, zoals de kwalificatie aanduidt; de eiser kan niet gelijktijdig veroordeeld worden voor beide misdrijven.
- Een schuldigverklaring van een beklaagde aan een inbreuk op de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan sluit niet noodzakelijk uit dat diezelfde beklaagde niet heeft voldaan aan de in artikel 67ter Wegverkeerswet strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting betreffende die inbreuk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het bestreden vonnis bevat betreffende de schuld van de eiser aan het feit omschreven onder de telastlegging A, beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis het door het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser “op het antwoordformulier bij verkeersinbreuk heeft erkend dat hij op het ogenblik van de inbreuk de bestuurder was van het voertuig en stellen aldus vast, minstens impliciet, dat [de eiser] de identiteit van de bestuurder heeft medegedeeld, in deze hemzelf”; zodoende kan de eiser in geen geval worden veroordeeld voor de telastlegging B, zijnde het niet-mededelen van de identiteit van de bestuurder van het voertuig op het ogenblik van de inbreuk; aldus hadden de appelrechters ambtshalve een middel van openbare orde moeten opwerpen.
- De schuldigverklaring van de eiser aan het feit omschreven onder de telastlegging B, dat wordt gesitueerd op 4 november 2021, heeft geen betrekking op de reactie van de eiser door middel van het antwoordformulier dat bij het aanvankelijk proces-verbaal was gevoegd, maar wel op de verklaring die hij op 19 oktober 2021 heeft afgelegd en waarbij hij aangaf niet te kunnen vertellen wie de bestuurder was omdat het een gevoelige situatie betrof. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div