id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.7 Rolnummer: P.24.0219.N Zaak: E. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-03-22 Raadplegingen: 484 - laatst gezien 2026-06-15 06:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek heeft tot doel de partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal betreffende het ingestelde cassatieberoep en de aangevoerde middelen, maar het recht van een partij op een verdaging is evenwel niet absoluut; het Hof kan oordelen dat in het licht van de omstandigheden van de zaak een verdaging niet noodzakelijk is en dat de rechten van de partijen voldoende zijn gewaarborgd door de mogelijkheid om dadelijk op de rechtszitting mondeling te repliceren op de conclusie van het openbaar ministerie
(1).
(1)Cass. 27 juni 2023, AR P.23.0822.N, AC 2023, nr. 500, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.44. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1107, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIE - ARRESTEN. VORM - Rechtspleging. Voeging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1107, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Uit de artikelen artikel 837, eerste lid, en 838 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de raadsman van de eiser, die houder is van het getuigschrift van cassatieprocedures als bedoeld door boek II, titel III, Wetboek van Strafvordering, en die cassatieberoep instelt tegen een beslissing die een vordering tot wraking verwerpt, weet dat de zaak voor het Hof spoedeisend is en volgens een vaste praktijk het voorwerp uitmaakt van een rechtsdagbepaling op korte termijn; de eiser moet dan ook niet te wachten op de ontvangst van de door artikel 1106, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsdagbepaling om zijn memorie op te stellen, maar dient integendeel zo snel als mogelijk na het instellen van zijn cassatieberoep de memorie in te dienen
(1).
(1)Cass. 27 juni 2023, AR P.23.0822.N, AC 2023, nr. 500, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.44; Cass. 6 december 2016, AR P.16.1113.N, AC 2016, nr. 700, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1106, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1106, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0219.N N.E.H., verzoeker tot wraking, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 22 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Verzoek om uitstel teneinde een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neer te leggen
- Volgens artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan elke partij ter rechtszitting van het Hof vragen dat de zaak wordt verdaagd om mondeling dan wel schriftelijk te antwoorden op de schriftelijke of mondelinge conclusie van het openbaar ministerie. De raadsman van de eiser vroeg ter rechtszitting van het Hof om hem een dergelijk uitstel toe te staan.
- Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek heeft tot doel de partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal betreffende het ingestelde cassatieberoep en de aangevoerde middelen.
- Het recht van een partij op een verdaging is evenwel niet absoluut.
- Het Hof kan oordelen dat in het licht van de omstandigheden van de zaak een verdaging niet noodzakelijk is en dat de rechten van de partijen voldoende zijn gewaarborgd door de mogelijkheid om dadelijk op de rechtszitting mondeling te repliceren op de conclusie van het openbaar ministerie.
- De eiser heeft een memorie ingediend en de advocaat-generaal heeft ter rechtszitting met verwijzing naar de vaste rechtspraak van het Hof enkel geconcludeerd dat die memorie laattijdig werd ingediend en dat de eiser de door hem aangevoerde overmacht niet aannemelijk maakt.
- In die omstandigheden en gelet op het hoogdringende karakter van de zaak zijn de rechten van de eiser voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid om ter rechtszitting mondeling te reageren op de conclusie van het openbaar ministerie.
- Het verzoek om uitstel teneinde een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neer te leggen wordt verworpen. Ontvankelijkheid van de memorie
- Volgens artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet behoudens in hier niet toepasselijke gevallen de eiser zijn memorie doen toekomen op de griffie van het Hof uiterlijk vijftien dagen vóór de rechtszitting.
- Die termijn van vijftien dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat er vijftien volledig vrije dagen moeten liggen tussen de dag van indiening van de memorie en de dag van de rechtszitting. Indien de zestiende en de zeventiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag of zondag zijn, moet de memorie de dag ervoor worden neergelegd.
- Die termijn strekt ertoe de advocaat-generaal bij het Hof en het Hof de mogelijkheid te bieden ernstig de memorie op haar merites te beoordelen.
- De memorie van de eiser werd volgens de door de griffier aangebrachte vermelding ontvangen op maandag 26 februari 2024, dit is zonder naleving van de door artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn die voorzag in de verplichting de memorie ten laatste op vrijdag 16 februari 2024 te doen toekomen op de griffie van het Hof.
- De memorie is bijgevolg laattijdig.
- De eiser voert aan dat aangezien de kennisgeving van de rechtszitting pas op 15 februari 2024 aan de postdiensten werd toevertrouwd en hij vóór die datum dus geen kennis had van die rechtszitting, hij overmacht aannemelijk maakt en zijn memorie toelaatbaar is.
- Overmacht is een omstandigheid die de eiser niet heeft kunnen voorzien en vermijden.
- Artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kent aan de wraking een schorsende werking toe die de rechter, op straffe van nietigheid, verbiedt de procedure voort te zetten. Aan de schorsende werking komt een einde wanneer de beslissing tot verwerping van de vordering kracht van gewijsde krijgt, dit is na verloop van de termijn om cassatieberoep in te stellen als bedoeld in artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek of, in geval van cassatieberoep binnen die termijn, wanneer het Hof van Cassatie het cassatieberoep tegen die beslissing verwerpt. Bovendien volgt uit artikel 838 Gerechtelijk Wetboek dat binnen korte termijn uitspraak moet worden gedaan over een vordering tot wraking.
- Hieruit volgt dat de raadsman van de eiser, die houder is van het getuigschrift van cassatieprocedures als bedoeld door boek II, titel III, Wetboek van Strafvordering, en die cassatieberoep instelt tegen een beslissing die een vordering tot wraking verwerpt, weet dat de zaak voor het Hof spoedeisend is en volgens een vaste praktijk het voorwerp uitmaakt van een rechtsdagbepaling op korte termijn.
- De eiser moet dan ook niet wachten op de ontvangst van de door artikel 1106, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsdagbepaling om zijn memorie op te stellen, maar dient integendeel zo snel als mogelijk na het instellen van zijn cassatieberoep de memorie in te dienen.
- De eiser, die op 2 februari 2024 cassatieberoep heeft aangetekend, kon de door artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wel degelijk respecteren. Hij maakt de door hem ingeroepen overmacht niet aannemelijk.
- De memorie is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.44 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div