id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9 Rolnummer: P.24.0066.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-03-22 Raadplegingen: 788 - laatst gezien 2026-06-18 17:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt; het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd, en de strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid
(1).
(1)Cass. 14 november 2023, AR P.22.0765.N, AC 2023, nr. 732, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10; zie Cass. 7 juni 2017, AR P.16.0701.F, AC 2017, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0066.N M.VC., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wahib El Hayouni, advocaat bij de balie Gent, tegen A.V.D., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2.d EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het vermoeden van onschuld: de appelrechters verklaren de eiser schuldig aan de enige telastlegging vanuit strafrechtelijk oogpunt en zij steunen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering op beslissende wijze op die beoordeling vanuit strafrechtelijk oogpunt; gelet op de definitieve vrijspraak van de eerste rechter hadden de appelrechters enkel te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiser.
- Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
- Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
- De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
- Het arrest beperkt zich niet tot de beoordeling of het gedrag van de eiser, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerder wordt gevorderd, maar het spreekt zich gelet op de gebruikte bewoordingen zoals onder meer “de overige middelen van [de eiser] (…) zijn niet van aard het hof (van beroep) tot een andere overtuiging te kunnen brengen dan dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van oplichting”, uit over de schuld van de eiser aan het hem in eerste aanleg ten laste gelegde misdrijf. Aldus miskent het arrest artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk verklaart en het de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 576,54 euro, waarvan 190,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div