← België

Z. contra M.

Obsah (6)Art. 133Art. 231Art. 280Art. 286Art. 310Art. 347

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 133

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 280

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 286

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek

Art. 133

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 280

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 286

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - GEVANGENNEMING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek

Art. 133

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 280

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 286

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Artikel 310 Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing wanneer de beschuldigde op bevel van de voorzitter uit de zittingszaal wordt verwijderd. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 310

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 310

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 7 De beschuldigde kan bij de afhandeling van de burgerlijke belangen voor het hof van assisen worden vertegenwoordigd door zijn raadsman en hiertoe is niet vereist dat de beschuldigde zelf uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij hierbij niet aanwezig zal zijn en zich zal laten vertegenwoordigen door zijn raadsman. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 347

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 347

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1543.N I, II, III, IV, V en VI A. Z., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. L. M., burgerlijke partij,
  2. R. S., burgerlijke partij,
  3. L. S., burgerlijke partij,
  4. L. J. C., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. K/1168/2023 van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 mei 2023 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. V/1 bij toepassing van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 18 september 2023 (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. V/2 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 18 september 2023 (hierna arrest III). Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest nr. V/3 van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 20 oktober 2023 over de schuld (hierna arrest IV). Het cassatieberoep V is gericht tegen het arrest nr. V/4 van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 20 oktober 2023 over de straf (hierna arrest V). Het cassatieberoep VI is gericht tegen het arrest nr. V/5 van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 21 november 2023 over de burgerlijke belangen (hierna arrest VI). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel tegen het arrest II
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit het forensisch psychiatrisch deskundigenverslag van dr. N. D. V. blijkt dat de eiser door zijn ouders werd aangemeld voor een opname van 31 oktober 2013 tot en met 15 januari 2014 in een residentiële afdeling voor kinderen met disruptieve stoornissen op de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het ZNA, miskent het arrest II de bewijskracht van dit verslag, waarin immers wordt gesteld dat de eiser niet alleen door zijn ouders maar ook door zijn toenmalige school werd aangemeld op de voormelde residentiële afdeling; hierdoor geeft het arrest II een uitlegging van dit verslag die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan; het oordeel van het arrest II dat er geen redenen zijn om het verslag van dr. D. V. uit het debat te weren noch om deze arts te weren als getuige bij het debat ten gronde, is dan ook niet naar recht verantwoord.
  6. In het verslag van forensisch psychiater dr. N. D. V. merkt deze laatste op dat uit de medisch-psychiatrische gegevens, die werden verkregen via inbeslagname van het medisch dossier, blijkt dat de eiser werd opgenomen in de kinder- en jeugdpsychiatrie van het ZNA van 31 oktober 2013 tot en met 15 januari 2014 op de residentiële afdeling voor kinderen met disruptieve stoornissen en dat de eiser in het voorjaar van 2013 voor het eerst werd aangemeld op die dienst door zijn ouders en zijn toenmalige school.
  7. Het arrest II (p. 5) oordeelt dat: - het forensisch psychiatrisch deskundigenverslag van dr. N. D. V. niet toelaat te besluiten dat deze arts inzage zou hebben genomen van het persoonlijkheidsdossier van de eiser in het kader van de jeugdbescherming; - zich geen enkel stuk uit het persoonlijkheidsdossier in het strafdossier bevindt en er geen enkele reden is om aan te nemen dat de gerechtsdeskundige toegang zou hebben gehad tot dit persoonlijkheidsdossier; - er geen aanwijzingen zijn dat de verwijzing in het verslag naar de term “jeugdpsychiatrische elementen” zou duiden op andere elementen of stukken dan diegene die de deskundige aantrof in het in beslag genomen medisch dossier en die volgens de vermeldingen van de deskundige betrekking zouden hebben op een aanmelding van de eiser door zijn ouders in de kinder- en jeugdpsychiatrie van het ZNA van 31 oktober 2013 tot en met 15 januari 2014 op de residentiële afdeling voor kinderen met disruptieve stoornissen.
  8. Met het voormelde oordeel miskent het arrest II niet de bewijskracht van het forensisch psychiatrisch deskundigenverslag. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel tegen de arresten IV, V en VI
  9. Het middel specificeert in geen van zijn onderdelen waarom de arresten IV, V of VI artikel 149 Grondwet en artikel 254, eerste lid, Wetboek van Strafvordering schenden. In zoverre het middel de schending van die bepalingen aanvoert, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Eerste en vierde onderdeel
  10. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.3.c EVRM, artikel 14.3.d IVBPR en artikel 280, tweede lid, eerste zin, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: door de behandeling van het debat ten gronde voor het hof van assisen te laten doorgaan zonder dat de eiser hierop aanwezig was, miskennen de arresten IV en V eisers recht om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces, en dit zowel wat betreft de behandeling op de rechtszitting van 17 oktober 2023, waarop de eiser noch expliciet noch impliciet afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn en waarbij uit het rapportbriefje van de gevangenis, dat door de eiser niet werd ondertekend, integendeel blijkt dat hij zelf aanwezig wilde zijn (eerste onderdeel), als wat betreft de behandeling op de rechtszitting van 20 oktober 2023, waarop evenmin werd vastgesteld dat de eiser zich toen wilde laten vertegenwoordigen door zijn raadslieden, waardoor ook de wetsbepalingen betreffende de schuldvraag en de straftoemeting niet werden nageleefd (vierde onderdeel).
  11. In zoverre het eerste onderdeel aanvoert dat uit het rapportbriefje van de gevangenis blijkt dat de eiser in persoon aanwezig wilde zijn op de rechtszitting, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  12. In zoverre het vierde onderdeel aanvoert dat de wetsbepalingen betreffende de schuldvraag en de straftoemeting niet werden nageleefd zonder te specificeren welke wetsbepalingen precies niet werden nageleefd en waarom deze niet werden nageleefd, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  13. Een beschuldigde die van zijn vrijheid is beroofd op grond van een uitvoerbare beschikking tot gevangenneming, zoals bedoeld in artikel 26, § 5, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 133 en 231 Wetboek van Strafvordering, is op grond van de artikelen 280, tweede lid, en 286 Wetboek van Strafvordering in beginsel ertoe verplicht om, bijgestaan door een advocaat, persoonlijk te verschijnen voor het hof van assisen.
  14. Wanneer een beschuldigde die van zijn vrijheid is beroofd in de voormelde zin niet verschijnt voor het hof van assisen, kan de voorzitter van dat hof, na in voorkomend geval te hebben nagegaan waarom de beschuldigde niet verschijnt, maatregelen bevelen teneinde hem in persoon voor het hof van assisen te doen verschijnen bij de behandeling van de tegen hem ingestelde strafvordering. De voorzitter van het hof van assisen dient er immers op toe te zien dat de verplichting tot persoonlijke verschijning van de aangehouden beschuldigde voor het hof van assisen wordt nageleefd en dat diens recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, wordt gerespecteerd.
  15. Het recht van de beschuldigde om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, wordt evenwel niet miskend wanneer hij niet in persoon verschijnt voor het hof van assisen maar zijn raadsman verklaart dat hij hem zal vertegenwoordigen bij de behandeling van de zaak. De omstandigheid dat de beschuldigde zelf niet heeft verklaard dat hij niet persoonlijk aanwezig wil zijn op de rechtszitting, doet hieraan geen afbreuk, aangezien dit afdoende blijkt uit de omstandigheid dat zijn raadsman verklaart hem te zullen vertegenwoordigen.
  16. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name het proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van assisen, blijkt het volgende: - op de rechtszitting van 17 oktober 2023 deelt de voorzitter van het hof van assisen mee dat hij heeft vernomen dat de eiser zich onwel voelde en “vandaag” niet aanwezig zou zijn, doch thans alsnog wenst te komen en hiervoor nu het nodige wordt gedaan; - de raadsman van de eiser verklaart desbetreffend de eiser op de rechtszitting te zullen vertegenwoordigen totdat de eiser wordt overgebracht vanuit de gevangenis, waarna de eiser wordt vertegenwoordigd door zijn raadsman, die plaats heeft genomen op de bank van de verdediging voor de beschuldigde; - tijdens de verderzetting van het getuigenverhoor van de onderzoeksrechter na de middagschorsing op de rechtszitting van 17 oktober 2023 deelt de voorzitter van het hof van assisen mee dat: - bij het hernemen van de rechtszitting hem werd gemeld door de politie dat er zich een incident zou hebben voorgedaan met de eiser in het cellencomplex van het gerechtsgebouw en de eiser opnieuw werd overgebracht naar de gevangenis; - hij zonder verzet van de partijen een rapportbriefje bij het strafdossier laat voegen; - de raadsman van de eiser naar de gevangenis is vertrokken om de situatie uit te klaren; - de rechtszitting wordt geschorst en het verdere verhoor van de onderzoeksrechter pas zal worden aangevat zodra hierover uitsluitsel kan worden gegeven; - na een korte schorsing wordt de rechtszitting hernomen en meldt de voorzitter dat, nadat de raadsman van de eiser met die laatste een onderhoud heeft gehad in de gevangenis, er een nieuwe poging wordt ondernomen om de eiser over te brengen naar het gerechtsgebouw; - de raadsman van de eiser meldt dat hij de eiser verder zal vertegenwoordigen in afwachting van zijn komst naar het gerechtsgebouw, waaromtrent geen opmerkingen worden gemaakt door de partijen en waarna het getuigenverhoor van de onderzoeksrechter wordt voortgezet; - navolgend is de eiser ongeboeid verschenen en wordt hij bijgestaan door zijn raadslieden, die reeds plaats hebben genomen op de bank van de verdediging voor de beschuldigde; - tijdens het verdere getuigenverhoor van de onderzoeksrechter ontstaat er een discussie tussen de eiser en zijn raadslieden, waarbij het aanwezige veiligheidspersoneel van de politie beslist om de eiser uit de zittingszaal te verwijderen, waarop de voorzitter op verzoek van de raadsman van de eiser de rechtszitting schorst; - na de schorsing is de eiser niet meer aanwezig en verklaart een van de beide raadslieden van de eiser deze laatste te zullen vertegenwoordigen, waarna het getuigenverhoor van de onderzoeksrechter wordt voortgezet; - na het getuigenverhoor van de onderzoeksrechter heeft de tweede raadsman van de eiser de gehoorzaal opnieuw betreden en deelt hij mee contact te hebben gehad met de stafhouder, waarop hij verzoekt de zaak te schorsen tot het overleg met de stafhouder; - de rechtszitting wordt hierna geschorst; - na de schorsing licht de voorzitter toe dat na het overleg met de stafhouder aan hem is gemeld dat het debat hernomen kan worden; - de raadsman van de eiser neemt vervolgens het woord en verklaart dat hij de eiser, die niet aanwezig is, voor de rest van de zittingsdag zal vertegenwoordigen, waaromtrent door geen van de partijen een opmerking wordt gemaakt; - tijdens de voortzetting van de getuigenverhoren op de rechtszitting van 18 oktober 2023, zowel in de voor- als in de namiddag, is de eiser in persoon verschenen en werd hij bijgestaan door zijn beide raadslieden; - bij de aanvang van de rechtszitting van 19 oktober 2023 is de eiser in persoon verschenen en werd hij bijgestaan door zijn beide raadslieden, waarbij hij voorafgaand aan het hernemen van de rechtszitting bij het betreden van de zittingszaal om een onderhoud met zijn raadslieden heeft gevraagd, waarop de voorzitter de rechtszitting schorst; - na de schorsing deelt de voorzitter mee dat hem gemeld is dat er zich tijdens de schorsing een incident zou hebben voorgedaan tijdens een onderhoud tussen de eiser en de verdediging en dat hem gemeld is door de verdediging dat de thans afwezige eiser door hen verder vertegenwoordigd zal worden; - vervolgens heeft een van de raadslieden van de eiser het woord genomen en verklaard de eiser te zullen vertegenwoordigen, waaromtrent de partijen verder geen opmerkingen formuleren; - de eiser werd bij het vervolg van de rechtszitting van 19 oktober 2023 alsook op de rechtszitting van 20 oktober 2023 vertegenwoordigd door zijn raadslieden.
  18. Uit de voormelde gegevens blijkt dat eisers raadslieden nooit enig bezwaar hebben geuit tegen het feit dat de eiser gedurende diverse fasen van het debat ten gronde voor het hof van assisen niet in persoon aanwezig was, maar integendeel uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij hem op die ogenblikken zouden vertegenwoordigen, wat zij ook hebben gedaan. Hieruit blijkt dan ook niet dat eisers recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en zijn recht op een eerlijk proces werden miskend. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel
  19. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 280, tweede lid, 281, § 1, tweede lid, en 310 Wetboek van Strafvordering: de omstandigheid dat de eiser op de rechtszitting van 17 oktober 2023 door het aanwezige veiligheidspersoneel en dus niet door de voorzitter van het hof van assisen uit de zittingszaal werd verwijderd, miskent de taak van de voorzitter, die belast is met de handhaving van de orde op de rechtszitting; de voorzitter kon de eiser slechts tijdelijk uit de zittingszaal verwijderen en diende hem vóór het sluiten van het debat in kennis te stellen van alles wat in zijn afwezigheid is gebeurd; er werd ook niet vastgesteld dat de procedure, die de persoonlijke aanwezigheid van de eiser vereist, op eisers uitdrukkelijke verzoek in zijn afwezigheid kon doorgaan en dat de eiser kon worden vertegenwoordigd door zijn raadslieden. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 280, tweede en vierde lid, en 281, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de eiser werd op de rechtszitting van 19 oktober 2023 door het aanwezige veiligheidspersoneel en dus niet door de voorzitter van het hof van assisen uit de zittingszaal verwijderd, wat een miskenning inhoudt van de taak van de voorzitter; het aanwezige veiligheidspersoneel had zich ertoe moeten beperken te beletten dat de eiser tijdens de schorsing van de rechtszitting zou vluchten; er werd niet vastgesteld dat de eiser zelf uitdrukkelijk zou hebben verzocht dat hij niet meer aanwezig wilde zijn op de rechtszitting en zijn raadslieden hem zouden verdedigen, zodat eisers recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, werd miskend.
  20. In zoverre de onderdelen gericht zijn tegen het optreden van het veiligheidspersoneel en niet tegen de arresten IV, V of VI, zijn ze niet ontvankelijk.
  21. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser op enig ogenblik op bevel van de voorzitter van het hof van assisen uit de zittingszaal werd verwijderd, noch dat hij op de rechtszitting van 19 oktober 2023 door het aanwezige veiligheidspersoneel uit de zittingszaal werd verwijderd. In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag.
  22. Artikel 310 Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing wanneer de beschuldigde op bevel van de voorzitter uit de zittingszaal wordt verwijderd. In zoverre het tweede onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. Voor het overige dienen de onderdelen op grond van het antwoord op het eerste en het vierde onderdeel te worden verworpen. Vijfde onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM, artikel 14.3.d IVBPR en artikel 280, tweede lid, eerste zin, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de arresten IV, V en VI miskennen eisers recht om tegenwoordig te zijn op het tegen hem gevoerde strafproces met de bijstand van een raadsman dan wel om te beslissen of hij zich zal laten vertegenwoordigen door een raadsman; nadat het hof van assisen zich op de rechtszitting van 20 oktober 2023 heeft teruggetrokken in de raadkamer om te beslissen over de door de verweerders gevorderde schadevergoedingen, werd op de rechtszitting van 21 november 2023 vastgesteld dat de eiser afwezig was en dat hem bij gebrek aan vertegenwoordiging niet kon worden meegedeeld dat een eis in cassatie kan worden ingesteld binnen de vijftien dagen na de uitspraak van het arrest; hierbij werd niet vastgesteld dat de procedure op eisers uitdrukkelijke verzoek kon doorgaan in zijn afwezigheid, met vertegenwoordiging door zijn raadsman.
  25. De beschuldigde kan bij de afhandeling van de burgerlijke belangen voor het hof van assisen worden vertegenwoordigd door zijn raadsman. Hiertoe is niet vereist dat de beschuldigde zelf uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij hierbij niet aanwezig zal zijn en zich zal laten vertegenwoordigen door zijn raadsman. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name het proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van assisen (p. 37) en het afzonderlijk opgestelde proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van assisen van 21 november 2023, blijkt dat de eiser, na de uitspraak van het arrest V, bij de behandeling van de burgerlijke belangen op de rechtszitting van 20 oktober 2023 werd vertegenwoordigd door zijn raadslieden, waarna op 21 november 2023 het arrest VI met betrekking tot de burgerlijke belangen werd uitgesproken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 395,52 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.