← België

MACIEJ DOBOSZ FIRMA USLUGOWO-HANDLOWA BO

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.10 Rolnummer: P.23.1510.N Zaak: MACIEJ DOBOSZ FIRMA USLUGOWO-HANDLOWA BO Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2024-03-27 Raadplegingen: 641 - laatst gezien 2026-06-15 06:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de bepaling van artikel III.49, § 2, WER, thans artikel III.49, § 3, WER, volgt dat, wanneer een partij op gemotiveerde wijze en aan de hand van concrete gegevens aanvoert dat zij in werkelijkheid een eenmanszaak van een ondernemer-natuurlijke persoon is, zodat zij niet bestaat als aparte rechtspersoon en haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van rechtspersoon berust op een vergissing, de rechter dat verweer niet kan verwerpen louter op grond van de hoedanigheid van die partij, zoals die blijkt uit deze inschrijving

(1).
(1)Artikel 4 van de wet van 17 juli 2013 houdende ondermeer invoeging van Boek III in het WER, BS 14 augustus 2013, verving vanaf 9 mei 2014 artikel 33, § 2, KBO-wet door artikel III.49, § 2, WER. Dit artikel werd op zijn beurt vervangen bij wet van 15 april 2018 tot hervorming van het ondernemingsrecht, BS 27 april 2018, door artikel III.49, § 3, WER. De feiten in onderhavige zaak strekten zich uit van oktober 2017 tot april
  1. Thesaurus CAS: ECONOMIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. III.49, §§ 2 en 3 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. III.49, §§ 2 en 3 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1510.N M.D. FIRMA USLUGOWO-HANDLOWA BO, met zetel te 42-160 Krzepice (Polen), Kuzniczka 32, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 oktober
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 49 VWEU en artikel 33, § 2, KBO-wet: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen de beslissing van het beroepen vonnis die vermogensvoordelen lastens M.D. verbeurdverklaart, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang en hoedanigheid omdat het beroepen vonnis de eiseres buiten zake heeft gesteld zonder kosten en haar niet heeft veroordeeld tot de straf waartegen haar hoger beroep is gericht; het arrest oordeelt dat de bewering van de eiseres dat zij een eenmanszaak van M.D. is en dat zijzelf en M.D. dus dezelfde persoon betreffen, naar Belgisch recht niet kan worden gevolgd aangezien de eiseres zich in de Belgische Kruispuntbank van Ondernemingen heeft laten registreren als buitenlandse rechtspersoon met als wettelijk vertegenwoordiger de natuurlijke persoon M.D.; in haar appelsyntheseconclusie heeft de eiseres evenwel aan de hand van officiële stukken van Poolse overheden aangetoond dat zij wel degelijk naar Pools recht een eenmanszaak van M.D. is en heeft zij aangevoerd dat haar registratie als rechtspersoon in de Kruispuntbank van Ondernemingen een vergissing betrof, dat er voor de kwalificatie van de onderneming dient te worden gekeken naar de originele Poolse kwalificatie en niet naar welke omzetting dan ook naar Belgisch recht en dat zij en de ondernemer-natuurlijke persoon als één en ondeelbaar te beschouwen zijn; de registratie in de Kruispuntbank van Ondernemingen vormt slechts een weerlegbaar vermoeden van de hoedanigheid van handelaar, behoudens tegenbewijs; het arrest past dat vermoeden onjuist toe.
  4. Artikel 4 van de wet van 17 juli 2013 houdende onder meer invoeging van Boek III in het WER (BS 14 augustus 2013) vervangt vanaf 9 mei 2014 artikel 33, § 2, KBO-wet door artikel III.49, § 2, WER. Artikel III.49, § 2, WER bepaalde tot zijn vervanging op 1 november 2018 bij artikel 2 van de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht (BS 27 april 2018): “De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de handels- of ambachtshoedanigheid vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van koopman of ambachtsman, naargelang de aard van de inschrijving.” Sinds 1 november 2018 bepaalt artikel III.49, § 3, WER: “De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van onderneming.”
  5. Uit die bepalingen volgt dat, wanneer een partij op gemotiveerde wijze en aan de hand van concrete gegevens aanvoert dat zij in werkelijkheid een eenmanszaak van een ondernemer-natuurlijke persoon is, zodat zij niet bestaat als aparte rechtspersoon en haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van rechtspersoon berust op een vergissing, de rechter dat verweer niet kan verwerpen louter op grond van de hoedanigheid van die partij, zoals die blijkt uit deze inschrijving.
  6. Het arrest (p. 7, nr. 8) oordeelt: “De bewering van [de eiseres] dat zij en M.D. één en de zelfde persoon zouden betreffen, kan naar Belgische recht niet gevolgd worden nu [eiseres] zich in de Belgische Kruispuntbank van Ondernemingen heeft laten registreren als buitenlandse rechtspersoon (met ondernemingsnummer 0683.783.484) met als wettelijk vertegenwoordiger, de natuurlijke persoon M.D. (stuk 1 van het openbaar ministerie na dagvaarding in eerste aanleg).”
  7. Het arrest dat met die reden de hoedanigheid van de eiseres enkel afleidt uit haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen en op grond daarvan oordeelt dat haar hoger beroep tegen de aan M.D. opgelegde verbeurdverklaring niet ontvankelijk is, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  8. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.