id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.15 Rolnummer: P.24.0323.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-03-27 Raadplegingen: 542 - laatst gezien 2026-06-15 06:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Overeenkomstig de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet moet de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling antwoorden op de conclusies van de partijen maar het onderzoeksgerecht dat bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden het verweer van een inverdenkinggestelde beantwoorden; aldus kan het onderzoeksgerecht, in het kader van zijn prima facie-controle, het verweer van een inverdenkinggestelde dat aan de ernstige aanwijzingen van schuld een onregelmatige opsporingshandeling ten grondslag ligt, beantwoorden en verwerpen zonder dat het uitdrukkelijk de wettelijke grondslag voor die beslissing dient te vermelden en het volstaat dat uit de redenen van de beslissing duidelijk blijkt waarom het onderzoeksgerecht oordeelt dat de desbetreffende opsporingshandeling wel degelijk wettig is en als grondslag voor de ernstige aanwijzingen van schuld kan dienen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0323.N M. P., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Nicolas Van der Smissen, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4° en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter en de verplichting van het onderzoeksgerecht om te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde: het arrest verwerpt eisers verweer dat het bevel tot aanhouding onwettig is omdat het steunt op ernstige aanwijzingen van schuld die zijn verkregen in strijd met de artikelen 34 (identiteitscontrole) en 29 (doorzoeking voertuig) Wet Politieambt; het motiveert die beslissing weliswaar met redenen die verband houden met de regelmatigheid van de identiteitscontrole van de eiser, maar niet met redenen die verband houden met de regelmatigheid van de zoeking in eisers voertuig; aldus beantwoordt het arrest eisers verweer op dit punt niet en is het niet regelmatig gemotiveerd.
- Overeenkomstig de artikelen 23, 4° en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet moet de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling antwoorden op de conclusies van de partijen.
- Het onderzoeksgerecht dat bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden het verweer van een inverdenkinggestelde beantwoorden. Aldus kan het onderzoeksgerecht, in het kader van zijn prima facie-controle, het verweer van een inverdenkinggestelde dat aan de ernstige aanwijzingen van schuld een onregelmatige opsporingshandeling ten grondslag ligt, beantwoorden en verwerpen zonder dat het uitdrukkelijk de wettelijke grondslag voor die beslissing dient te vermelden. Het volstaat dat uit de redenen van de beslissing duidelijk blijkt waarom het onderzoeksgerecht oordeelt dat de desbetreffende opsporingshandeling wel degelijk wettig is en als grondslag voor de ernstige aanwijzingen van schuld kan dienen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Op grond van artikel 34, § 1, tweede lid, Wet Politieambt kunnen de politieambtenaren de identiteit controleren van ieder persoon indien zij, op grond van zijn gedragingen, materiële aanwijzingen of omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat hij wordt opgespoord, dat hij heeft gepoogd of zich voorbereidt om een misdrijf te plegen of dat hij de openbare orde zou kunnen verstoren of heeft verstoord.
- Op grond van artikel 29 Wet Politieambt kunnen politieambtenaren overgaan tot het doorzoeken van een voertuig op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats, onder meer indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen of om overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf te vervoeren.
- Het arrest citeert het aanvankelijke proces-verbaal, waaruit blijkt dat het aan de verbalisanten tijdens hun toezicht op de autosnelweg was opgevallen dat een voertuig op uiterste linker rijstrook reed terwijl er op de andere rijstroken geen ander verkeer was, dat de bestuurder bij het zien van de verbalisanten in de rem ging, van rijstrook veranderde en zijn snelheid verlaagde tot 90 kilometer per uur, dat de verbalisanten vervolgens zijn overgegaan tot de identificatie van de bestuurder, dat de eiser onder meer heeft verklaard dat het voertuig niet van hem was, dat de verbalisanten een zoeking in het voertuig hebben uitgevoerd en dat naderhand in een verborgen ruimte in dat voertuig tien blokken cocaïne zijn aangetroffen. Het arrest leidt hieruit af: “De door de verbalisanten beschreven vaststellingen beantwoorden aan de vereisten van de artikelen 28§2 en 34 §1 Politieambt en zij konden de identiteit controleren van de verdachte, en het voertuig controleren vermits zij op grond van het rijgedrag van verdachte redelijke gronden hadden om te denken dat hij werd opgespoord, dat heeft gepoogd of zich voorbereidde op een misdrijf te plegen of dat hij de openbare orde zou kunnen verstoren of had verstoord”.
- Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat de verbalisanten, op grond van eisers gedragingen voorafgaand aan en tijdens hun interceptie, redelijke gronden hadden om aan te nemen dat voldaan was aan de wettelijke vereisten voor zowel een identiteitscontrole overeenkomstig artikel 34, § 1, Wet Politieambt als een voertuigzoeking overeenkomstig artikel 29 Wet Politieambt, in het bijzonder omdat de verbalisanten redelijkerwijze konden vermoeden dat de eiser op het moment waarop zij hem het voertuig zagen besturen een misdrijf aan het plegen of aan het voorbereiden was. Daarvoor dienden de appelrechters niet uitdrukkelijk artikel 29 Wet Politieambt te vermelden. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4° en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter en van de verplichting van het onderzoeksgerecht om te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde: met de onder het eerste middel vermelde redenen citeert het arrest het aanvankelijk proces-verbaal niet juist en beantwoordt het niet eisers verweer dat er in dat proces-verbaal geen specifieke gedragingen van de eiser worden vermeld die de verbalisanten toelieten om na de identiteitscontrole het door de eiser bestuurde voertuig te doorzoeken.
- In zoverre het middel een kennisname vereist van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige vermeldt het arrest met de onder het eerste middel vermelde redenen welke uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkende vaststellingen de verbalisanten toelieten om het door de eiser bestuurde voertuig te doorzoeken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 29 Wet Politieambt: met de onder het eerste middel vermelde redenen toetst het arrest de regelmatigheid van de doorzoeking van het voertuig aan onjuiste wettelijke vereisten.
- Met de vermelde redenen gaat het arrest wel degelijk na of de vereisten voor een doorzoeking van het door de eiser bestuurde voertuig, zoals bepaald in artikel 29 Wet Politieambt, zijn vervuld en oordeelt het dat dit het geval is. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div