← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 7 Het gebrek aan verhoor of de gelegenheid daartoe tijdens het voorbereidend onderzoek heeft in principe niet tot gevolg dat een beklaagde niet meer kan genieten van een eerlijk proces voor de vonnisrechter aangezien de vonnisrechter eerst moet nagaan of hij zelf aan het gebrek kan verhelpen en hij slechts wanneer hij vaststelt dat dit onmogelijk is moet beoordelen of dat gebrek ertoe leidt dat de beklaagde op onherstelbare wijze niet meer kan genieten van een eerlijk proces; de vonnisrechter oordeelt daarover onaantastbaar, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak

(1).
(1)Cass. 16 januari 2024, AR P.23.1346.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.9, AC 2024, nr. 43; Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1688.N I M. A. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. II R. J. C. P., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Zvonimir Miskovic, advocaat bij de balie Limburg. III C. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 november
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en III
  3. Het arrest spreekt de eisers I en III vrij van de telastlegging B.4 en gedeeltelijk van de telastlegging C.
  4. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I en III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser I de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van vermogensvoordelen die het, zoals het beroepen vonnis, ex aequo et bono bepaalt op een bedrag van 10.000,00 euro en die de eiser I zou hebben verkregen uit de in hoger beroep nog bewezen gebleven feiten van het stellen van voorbereidende handelingen inzake de invoer van cocaïne in vereniging, in zoverre betrekking hebbend op het onderzoeken van de mogelijkheden om frauduleus pincodes te verkrijgen (telastlegging C.3), alsook het betrokken zijn bij een criminele organisatie (telastlegging G.8); uit geen enkel element van het strafdossier blijkt echter dat de eiser I uit die feiten rechtstreeks vermogensvoordelen ten bedrage van 10.000,00 euro zou hebben verkregen, temeer daar het arrest de eiser I vrijspreekt van de invoer van cocaïne in vereniging (telastlegging B.4); het arrest toont alleszins geen oorzakelijk verband aan tussen de bewezen gebleven feiten en de beweerde vermogensvoordelen; evenmin kunnen de appelrechters in het strafdossier gegevens aanduiden die ervoor zorgen dat de verbeurdverklaring van een bedrag van 10.000,00 euro niet willekeurig is.
  6. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling deze gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten.
  7. Het arrest oordeelt in dezelfde zin en op basis daarvan onder meer als volgt: - het openbaar ministerie vordert lastens de eiser I schriftelijk de verbeurdverklaring van een bedrag dat het berekent op 26.590,00 euro; - uit de gemiddelde nationale drugsprijzen voor het jaar 2018 blijkt dat de groothandelsprijs voor cocaïne 25.000,00 euro per kilogram bedroeg; - op grond van de dossiergegevens staat vast dat de eiser I illegale vermogensvoordelen heeft verworven voor de noodzakelijke hulp die hij heeft geleverd aan een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige invoer van verdovende middelen; - het totale bedrag van de door de eiser I gegenereerde vermogensvoordelen, voortvloeiend uit de lastens hem bewezen verklaarde feiten, kan niet exact worden vastgesteld; - bij het bepalen van de omvang van de gerealiseerde wederrechtelijke vermogensvoordelen houdt het hof van beroep rekening met: - eisers rol en aandeel in de lastens hem bewezen verklaarde feiten; - de tijdsperiode gedurende dewelke de eiser I deel uitmaakte van de vereniging, respectievelijk de criminele organisatie met het vermelde doel; - het gegeven dat er nog andere personen betrokken waren, die ook werden vergoed; - de resultaten van het financieel onderzoek met betrekking tot de eiser I, waaruit blijkt dat er een duidelijke discrepantie is tussen zijn legaal inkomen en zijn uitgaven en dat er vaak cashaankopen werden gedaan; - rekening houdend met al het voormelde wordt het vermogensvoordeel dat lastens de eiser I wordt verbeurdverklaard naar redelijkheid en billijkheid en teneinde geen onredelijke straf op te leggen, bepaald op 10.000,00 euro; - de verbeurdverklaring van dit bedrag geschiedt bij equivalent, daar dit bedrag niet meer in het vermogen van de eiser I kan worden gevonden, behoudens wat betreft de in beslag genomen geldsommen, die dienen te worden aangerekend op het voormeld bedrag van 10.000,00 euro.
  8. Daaruit volgt, eensdeels, dat de appelrechters wel degelijk het vermogensvoordeel verbeurdverklaren dat de eiser I rechtstreeks uit de te zijnen laste bewezen verklaarde misdrijven heeft verkregen en, anderdeels, dat zij van het strafdossier deze gegevens in aanmerking nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van die vermogensvoordelen toelaten. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door het arrest van het bedrag van de wederrechtelijke vermogensvoordelen dat de eiser I heeft verkregen uit de lastens hem bewezen gebleven misdrijven, of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I
  10. Het middel voert schending aan van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de feiten in het voorliggende strafdossier niet de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet als de feiten waarvoor de eiser I reeds bij arrest van 17 maart 2021 werd veroordeeld, omdat de huidige feiten zware internationaal georganiseerde drugcriminaliteit betreffen daar waar de feiten van januari 2020 zich situeerden in het kader van detailhandel; deze overweging sluit niet uit dat de in de twee zaken gepleegde strafbare feiten verbonden zijn door het nastreven van één enkel doel en dat zij in die zin de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet uitmaken; het betreffen in casu immers in beide dossiers druggerelateerde misdrijven, waarbij de incriminatieperiodes op elkaar aansluiten met als drijfveer het verdienen of pogen te verdienen van geld; bovendien leerde de eiser I enkele leden van de criminele organisatie in het voorliggende dossier kennen omwille van het feit dat zij sporadisch cocaïne bij hem aankochten; bijgevolg dienden de appelrechters uit de door hen vastgestelde feiten het bestaan van de eenheid van opzet af te leiden en toepassing te maken van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek.
  11. De rechter oordeelt onaantastbaar of het voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vereiste zelfde misdadig opzet aanwezig is.
  12. Het middel dat opkomt tegen dat onaantastbare oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest (p. 46-47) oordeelt: “uit het louter feit dat [de eiser II] niet verhoord werd door de Belgische politie kan geenszins een schending van de wapengelijkheid of een schending van het recht op tegenspraak worden afgeleid. [De eiser II] werd uitgenodigd voor verhoor door de Nederlandse politie in het kader van het Europees Onderzoeksbevel doch liet weten dat hij niet verhoord wenste te worden, hetgeen zijn recht is. Voorts heeft [de eiser II] in de loop van het tegensprekelijk debat ten gronde in eerste aanleg en in graad van beroep kennis kunnen nemen van de dossiergegevens en hieromtrent tegenspraak kunnen voeren. [De eiser II], die persoonlijk aanwezig was ter terechtzitting in graad van beroep, werd bij zijn verhoor ter zitting tot slot geconfronteerd met de belastende elementen in het strafdossier en heeft zich hieromtrent kunnen verweren. Er is dan ook geen sprake van enige schending van het recht op wapengelijkheid en/of het recht of tegenspraak. Het recht op een eerlijk proces van [de eiser II] bleef ten allen tijde gewaarborgd.”; niettegenstaande de Belgische onderzoekers wisten dat de eiser II in Nederland in hechtenis was, hebben zij hem op geen enkel ogenblik tot verhoor uitgenodigd en hebben zij hem zodoende niet in de mogelijkheid gesteld om te worden geconfronteerd met de verklaringen waarmee het hof van beroep lastens hem rekening houdt; de omstandigheid dat de eiser II voor de vonnisrechters verweer heeft kunnen voeren over de belastende elementen volstaat niet ter eerbiediging van zijn rechten voortspruitend uit artikel 6.1 en 6.3 EVRM; die rechten worden immers beoordeeld met inachtneming van de rechtspleging in haar geheel.
  14. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  15. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het evenmin ontvankelijk.
  16. Het gebrek aan verhoor of de gelegenheid daartoe tijdens het voorbereidend onderzoek heeft in principe niet tot gevolg dat een beklaagde niet meer kan genieten van een eerlijk proces voor de vonnisrechter. Eerst moet de vonnisrechter immers nagaan of hij zelf aan het gebrek kan verhelpen. Slechts wanneer de vonnisrechter vaststelt dat dit onmogelijk is, moet hij beoordelen of dat gebrek ertoe leidt dat de beklaagde op onherstelbare wijze niet meer kan genieten van een eerlijk proces. De vonnisrechter oordeelt daarover onaantastbaar, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Op grond van de door het middel niet betwiste vaststelling dat de eiser II ten overstaan van de appelrechters geconfronteerd is geworden met en tegenspraak heeft kunnen voeren over de belastende elementen in het strafdossier, kan het arrest wettig oordelen dat de omstandigheid dat de Belgische politie de eiser II niet heeft verhoord tijdens het voorbereidend onderzoek, zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging niet onherstelbaar heeft geschaad. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  19. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het eveneens niet ontvankelijk. Middel van de eiser III
  20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195, tweede lid, zoals hier toepasselijk, en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: het arrest weigert het door de eiser gevraagde uitstel van tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straffen toe te staan op grond van de volgende motivering: “Het toestaan van een straf met (probatie)-uitstel (behoudens de voorhechtenis) of een werkstraf zoals in ondergeschikte orde gevraagd door [de eiser III], zou, mede gelet op de aard en ernst van de feiten zoals hiervoor uiteengezet en de persoonlijk[heid] van [de eiser III], een onvoldoende maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden en zou [de eiser III] onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen. [De eiser III] blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken die het hof (van beroep) kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing zijn toekomst op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernst van de gepleegd[e] feiten, zou hypothekeren.”; die overwegingen herhaalt het arrest in identieke bewoordingen voor iedere beklaagde; die algemene bewoordingen zijn klaarblijkelijk onderling inwisselbaar en kunnen aldus worden gehanteerd voor de veroordeling van om het even welke beklaagde tot om het even welke straf; aldus is er sprake van een automatisme.
  21. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief.
  22. Artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt geweigerd, met redenen moet omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering.
  23. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepassing, dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, verplicht de rechter om de keuze voor straffen of maatregelen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, alsook de maat ervan, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  24. De rechter die aan meerdere beklaagden weigert uitstel van tenuitvoerlegging van de hen respectievelijk opgelegde straffen toe te staan, moet die weigering niet telkens motiveren met afzonderlijke redenen. Een gemeenschappelijke motivering die van toepassing is op alle beklaagden die om dat uitstel hebben verzocht, doet geen afbreuk aan het principe van de individualisering van de bestraffing en geeft geen blijk van een automatisme.
  25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  26. Bij het bepalen van de aan de eiser III opgelegde bestraffing houdt het arrest (p. 60-65) rekening met de ernst en de omvang van de lastens de eiser III bewezen gebleven feiten, met het gevaar voor de volksgezondheid, het streven naar grof geldgewin en het gevaar voor de openbare veiligheid die met die feiten gepaard gaan en met eisers rol in de feiten, eisers persoonlijkheid en het tijdsverloop sinds de feiten. Met die redenen en deze die het middel vermeldt, motiveert het arrest zonder enig automatisme waarom het aan de eiser III het gevraagde uitstel van tenuitvoerlegging weigert en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 412,02 euro, waarvan op elk cassatieberoep 137,34 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.