← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.3 Rolnummer: P.23.1658.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-03-27 Raadplegingen: 716 - laatst gezien 2026-06-18 00:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240312.2N.3 Fiches 1 - 4 Uit de overwegingen

(16),
(17)en
(32)van de preambule van de verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen blijkt dat die verordening de grondrechten vervat in het VEU, het Handvest Grondrechten EU en het EVRM eerbiedigt; overeenkomstig de artikelen 2, § 2 en 30, § 3, 2° en § 6, vierde lid, eerste zin, van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie worden de gronden tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van een in Italië uitgevaardigd confiscatiebevel limitatief bepaald in artikel 19.1 Verordening 2018/1805 en in de artikelen 6, 7, 7/2 en 7/3 Wet Wederzijdse Erkenning en geen van de vermelde bepalingen verbiedt België als uitvoerende lidstaat een confiscatiebevel te erkennen of ten uitvoer te leggen wegens miskenning van het redelijketermijnvereiste; de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel een impact kan hebben op de uitoefening van een burgerlijk recht zoals het eigendomsrecht, impliceert niet dat de procedure in het kader waarvan het gerecht van de uitvoerende lidstaat uitspraak doet over deze tenuitvoerlegging, ertoe strekt een dergelijk recht in de zin van artikel 6.1 EVRM vast te stellen en hieruit volgt dat de aanvoering van de overschrijding van de redelijke termijn door degene tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet kan worden onderzocht door het gerecht van de uitvoerende lidstaat dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van dat bevel, maar enkel door een nationale instantie die kennis kan nemen van de strafvervolging of de procedure die tot het opleggen van de maatregel heeft geleid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 9 Uit de overwegingen
(15)en
(34)van de preambule van Verordening 2018/1805 blijkt dat de regeling inzake de tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 19.1.h) Verordening 2018/1805, vermoeden dat evenwel niet onweerlegbaar is; noch artikel 19.1 Verordening 2018/1805, noch artikel 7, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning, uitgelegd in overeenstemming met artikel 19.1 van die verordening, laat de rechter in de uitvoerende lidstaat toe om de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel toe te staan wanneer hij vaststelt dat een fundamenteel recht van degene tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd, manifest is miskend en dit is het geval wanneer de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat over geen enkele mogelijkheid heeft beschikt of nog kan beschikken om zijn verweermiddelen tegen de verbeurdverklaring van zaken waarvan hij beweert de rechtmatige eigenaar te zijn, voor te leggen aan een onpartijdige rechter, zodat het aan de rechter in de uitvoerende lidstaat staat om zich daarvan te vergewissen en om, indien hij een manifest gebrek aan het bestaan van een dergelijk recht vaststelt, de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel niet toe te staan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1658.N J. S. J. D., persoon tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis nr. 1095/2023 van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 24 oktober
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Op 5 maart 2024 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 12 maart 2024 van raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het vonnis verwerpt eisers verzoek om de beslissing van de procureur des Konings van 10 november 2022 tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing tot verbeurdverklaring te vernietigen wegens miskenning van het redelijketermijnvereiste; het oordeelt dat de bevoegdheid van de Belgische rechter zich ertoe beperkt de tenuitvoerlegging van het Italiaanse confiscatiebevel al dan niet te weigeren en dat het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van een behandeling binnen redelijke termijn niet van toepassing is op de procedure inzake de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen omdat het gerecht in het kader van deze procedure geen uitspraak doet over het vaststellen van burgerlijke rechten of het bepalen van de gegrondheid van een strafvervolging; die procedure maakt echter wel degelijk een procedure uit tot het vaststellen van burgerlijke rechten aangezien het tenuitvoerleggen van het Italiaanse confiscatiebevel betekent dat de eiser zijn recht op ongestoord genot op zijn eigendom in België niet kan verderzetten.
  3. Uit de overwegingen
(16),
(17)en
(32)van de preambule van de verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna Verordening 2018/1805) blijkt dat die verordening de grondrechten vervat in het VEU, het Handvest Grondrechten EU en het EVRM eerbiedigt. 3. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een behandeling binnen een redelijke termijn. Artikel 47, tweede lid, Handvest Grondrechten EU heeft eenzelfde draagwijdte. 4. Overeenkomstig de artikelen 2, § 2 en 30, § 3, 2° en § 6, vierde lid, eerste zin, van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna Wet Wederzijdse Erkenning) worden de gronden tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van een in Italië uitgevaardigd confiscatiebevel bepaald in Verordening 2018/1805 en in de artikelen 6, 7, 7/2 en 7/3 Wet Wederzijdse Erkenning. Artikel 19.1 Verordening 2018/1805 bevat een limitatieve opsomming van de bedoelde gronden. 5. Geen van de vermelde bepalingen verbiedt België als uitvoerende lidstaat een confiscatiebevel te erkennen of ten uitvoer te leggen wegens miskenning van het redelijketermijnvereiste. 6. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel een impact kan hebben op de uitoefening van een burgerlijk recht zoals het eigendomsrecht, impliceert evenmin dat de procedure in het kader waarvan het gerecht van de uitvoerende lidstaat uitspraak doet over deze tenuitvoerlegging, ertoe strekt een dergelijk recht in de zin van artikel 6.1 EVRM vast te stellen. 7. Hieruit volgt dat de aanvoering van de overschrijding van de redelijke termijn door degene tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet kan worden onderzocht door het gerecht van de uitvoerende lidstaat dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van dat bevel, maar enkel door een nationale instantie die kennis kan nemen van de strafvervolging of de procedure die tot het opleggen van de maatregel heeft geleid. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Het vonnis dat in die zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 267 VEU: het vonnis weigert de facultatieve weigeringsgronden bepaald in de artikelen 7, § 1, 3° en 7/2, 3°, Wet Wederzijdse Erkenning toe te passen en de voorgestelde prejudiciële vraag over de miskenning van eisers fundamentele rechten zoals bepaald in artikel 19.1.
  1. g)en 19.1.
  2. h)van Verordening 2018/1805 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie) te stellen; de Italiaanse gerechtelijke autoriteiten hebben de eiser niet op de hoogte gebracht van de procedure die kon leiden tot de verbeurdverklaring van een kunstwerk waarvan hij de rechtmatige eigenaar is; de eiser was bijgevolg niet in de gelegenheid om zich voor de Italiaanse rechter te verdedigen over de beslissing tot verbeurdverklaring, noch heeft hij de kans gekregen om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing; aldus heeft de eiser geen enkele mogelijkheid gekregen om zich tot een rechter te wenden teneinde te trachten de verbeurdverklaring van het kunstwerk te voorkomen. De volgende vraag dient te worden gesteld aan het Hof van Justitie: “Moet artikel 19 van de Verordening (EU) 2018/1805, en in het bijzonder lid 1,
  3. g)en
  4. h)aldus worden uitgelegd dat de Belgische rechter de mogelijkheid heeft om de facultatieve weigeringsgronden voorzien in het hierboven artikel van de Verordening (EU) 2018/1805 niet toe te passen en bijgevolg de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing toe te staan, zelfs indien dit afbreuk zou doen aan het recht van verdediging en het recht op eigendom zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 17, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007?” 11. Artikel 19.1 Verordening 2018/1805 bepaalt: “De uitvoerende autoriteit mag slechts besluiten een confiscatiebevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen indien:
  5. h)er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging.” 12. Desbetreffend vermeldt de preambule van Verordening 2018/1805 in overweging
(34): “Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op onderling vertrouwen en de veronderstelling dat alle lidstaten zich aan het recht van de Unie houden, met name de grondrechten. In uitzonderlijke situaties, wanneer er gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, moet de uitvoerende autoriteit kunnen besluiten het betreffende bevel niet te erkennen en ten uitvoer te leggen. De in dit verband relevante grondrechten zijn met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging. Het recht op eigendom zou in beginsel niet relevant mogen zijn, daar de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen per definitie een inmenging in het recht op eigendom van een persoon inhouden en er in dit verband in het Unierecht, onder meer in de onderhavige verordening, reeds in de noodzakelijke waarborgen is voorzien.” 13. Artikel 7, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning, zoals gewijzigd bij artikel 103 van de wet van 28 november 2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken, zoals hier van toepassing, bepaalt: “De tenuitvoerlegging van de beslissing kan geweigerd worden indien: 3° ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het verdrag betreffende de Europese Unie.” 14. Uit de overwegingen
(15)en
(34)van de preambule van Verordening 2018/1805 blijkt dat de regeling inzake de tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 19.1.h) Verordening 2018/
  1. Dat vermoeden is evenwel niet onweerlegbaar.
  2. Noch artikel 19.1 Verordening 2018/1805, noch artikel 7, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning, uitgelegd in overeenstemming met artikel 19.1 van die verordening, laat de rechter in de uitvoerende lidstaat toe om de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel toe te staan wanneer hij vaststelt dat een fundamenteel recht van degene tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd, manifest is miskend. Dit is het geval wanneer de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat over geen enkele mogelijkheid heeft beschikt of nog kan beschikken om zijn verweermiddelen tegen de verbeurdverklaring van zaken waarvan hij beweert de rechtmatige eigenaar te zijn, voor te leggen aan een onpartijdige rechter. Het staat aan de rechter in de uitvoerende lidstaat om zich daarvan te vergewissen en om, indien hij een manifest gebrek aan het bestaan van een dergelijk recht vaststelt, de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel niet toe te staan.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - er in Italië een strafprocedure tegen onbekenden is gevoerd wegens heling; - op 28 maart 2018 het dossier is gearchiveerd en de verbeurdverklaring werd uitgesproken van het in beslag genomen kunstwerk omdat het een cultureel goed is dat eigendom is van de Italiaanse Staat; - het kunstwerk is aangetroffen bij de eiser en er in beslag is genomen; - er overeenkomstig het nationale procesrecht geen hoorzittingen zijn gehouden.
  4. Uit het certificaat blijkt niet dat de eiser in kennis is gesteld van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de verbeurdverklaring.
  5. Het vonnis oordeelt met verwijzing naar de vermelde overweging
(34)in de preambule van Verordening 2018/1805 als volgt: - de rechtbank is van oordeel dat er geen prejudiciële vraag dient te worden gesteld gezien de toepassing van het Unierecht in dit concreet geval evident is, minstens niet relevant voor de beoordeling van dit geschil; - het is duidelijk het doel van deze facultatieve weigeringsgronden de uitvoerende autoriteiten de mogelijkheid te bieden om de tenuitvoerlegging te weigeren indien zij van oordeel zijn dat de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing zou resulteren in een manifeste miskenning van een grondrecht; - dit geeft de uitvoerende lidstaat aldus een beperkte mogelijkheid tot toetsing van het verzoek tot tenuitvoerlegging aan de grondrechten, zonder evenwel de materiële gronden van de beslissing op zich te mogen onderzoeken; - uitgangspunt blijft evenwel steeds het beginsel van wederzijdse erkenning, dat het bestaan van wederzijds vertrouwen vereist, op grond waarvan het (in uitzonderlijke omstandigheden weerlegbaar) vermoeden bestaat dat andere lidstaten het Unierecht en de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen; - de weigeringsgrond uit artikel 19.1.h) Verordening 2018/1805 is inderdaad facultatief, hetgeen blijkt uit de bewoordingen van het artikel in samenlezing met de overweging
(34). Uit het facultatieve karakter van deze weigeringsgrond blijkt daarnaast dat de beoordeling hiervan wordt overgelaten aan de uitvoerende autoriteiten, die strikt genomen zelfs in geval van mogelijke miskenning van een grondrecht alsnog de tenuitvoerlegging zouden kunnen bevelen; - dat de weigeringsgrond uit artikel 7, § 1, 3°, Wet Wederzijdse Erkenning een facultatief karakter heeft, is aldus in overeenstemming met de weigeringsgronden bedoeld bij verordening (EU) 2018/1805; - het facultatief karakter van deze weigeringsgrond werd overigens vrij recent pas ingevoerd door de wet van 28 november 2021, daar waar dit voorheen een verplichte weigeringsgrond betrof; - uit de memorie van toelichting bij deze wet blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever om door het facultatief maken van de weigeringsgronden uit de Wet Wederzijdse Erkenning, zoals het geval is voor de weigeringsgronden bedoeld bij Verordening 2018/1805, de toepasbaarheid van de weigeringsgronden te harmoniseren en toepassing van twee verschillende systemen te voorkomen. 19. Met die redenen, waarmee de rechter zijn beslissing enkel steunt op de omstandigheid dat de regeling inzake grensoverschrijdende justitiële samenwerking binnen de Europese Unie berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten, is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. 20. De voorgestelde prejudiciële vraag is voorbarig en wordt dus niet gesteld. Eerste middel 21. Het middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de weigeringsgrond bepaald in artikel 19.1.
  1. h)Verordening (EU) 2018/1805 en artikel 7, § 1, 3°, Wet Wederzijdse Erkenning ingevolge het verzoek van de eiser gericht tegen de beslissing van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 10 november 2022 tot tenuitvoerlegging van het ten aanzien van de eiser uitgevaardigde confiscatiebevel. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 172,48 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.3 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240312.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.