id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4 Rolnummer: P.24.0049.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-03-27 Raadplegingen: 882 - laatst gezien 2026-06-18 01:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het enkele feit dat het verzuim van een wettelijke verplichting bepaalde gegevens bij te houden tot gevolg heeft dat de rechter niet kan nagaan of bepaalde bewijsgegevens regelmatig zijn verkregen, heeft niet tot gevolg dat de rechter die bewijsgegevens automatisch moet uitsluiten en ook in een dergelijk geval mag de rechter slechts tot uitsluiting overgaan van de bewijsgegevens waarvan de regelmatigheid niet kan worden beoordeeld, indien de vermeende onregelmatigheid verband houdt met een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, indien door de onregelmatigheid het bewijs onbetrouwbaar is of indien het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd; voor de beoordeling van dit laatste criterium kan de rechter onder meer één of meer van de volgende omstandigheden in aanmerking nemen, namelijk dat de onregelmatigheid al dan niet opzettelijk werd begaan of ingevolge een grove onachtzaamheid die daardoor moet worden gelijkgesteld met een opzettelijke onregelmatigheid, dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onregelmatigheid overstijgt, dat de onregelmatigheid alleen een materieel element betreft van het bestaan van het misdrijf, dat de onregelmatigheid een louter formeel karakter heeft of dat de onregelmatigheid geen weerslag heeft op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd; de rechter moet de onregelmatigheid niet toetsen aan al deze criteria en hij kan ook andere criteria gebruiken maar dit belet niet dat opzettelijk begane of daarmee gelijk te stellen onregelmatigheden die getuigen van een grove onachtzaamheid, principieel niet te verenigen zijn met de loyaliteit en de regelmatigheid van de bewijsgaring die in een rechtsstaat moeten kunnen worden verwacht van de opsporende en vervolgende instanties; bijgevolg is het recht op een eerlijk proces in de regel miskend en moet het onregelmatige bewijsmateriaal uit het debat worden geweerd wanneer de vermelde instanties een opzettelijke onregelmatigheid hebben begaan, dan wel een onregelmatigheid die getuigt van een grove onachtzaamheid, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder hun opdracht, hun handelwijze, de beschikbare informatie en hun normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid en dit is slechts anders wanneer de rechter vaststelt dat deze gevolgtrekking kennelijk onevenredig is met een of meer andere criteria die hij concreet toelicht, in het bijzonder de verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van hetgeen op het spel staat. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0049.N C.-A. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1090 Jette, Jacques Sermonlaan 107, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 december 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en miskenning van de formele motiveringsplicht van de strafrechter: het arrest weert de appelconclusie van de eiser van 25 januari 2023 wegens laattijdigheid uit het debat, terwijl daartoe geen redenen voorhanden waren; de eiser heeft later nog geconcludeerd en die nieuwe appelconclusie verving de geweerde appelconclusie; het arrest beantwoordt niet de door de eiser op 20 november 2023 per e-deposit en op 22 november 2023 op de rechtszitting ingediende appelconclusies. 2. Uit artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat behoudens de in paragraaf 2 bedoelde situatie, de rechter een conclusie die buiten de overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, bepaalde termijn is neergelegd, uit het debat weert. Dat die partij alsnog later een conclusie indient, is zonder belang. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 5 oktober 2022 werden bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen bepaald en beslist dat de eiser zijn appelconclusie diende neer te leggen uiterlijk op 11 januari 2023. De eiser blijkt slechts op de rechtszitting van 25 januari 2023 een appelconclusie te hebben neergelegd. Volgens het proces-verbaal van die rechtszitting heeft het openbaar ministerie de wering uit het debat van die appelconclusie gevorderd. 4. Het arrest beslist gelet op de laattijdige neerlegging van eisers appelconclusie op 25 januari 2023 en het verzoek tot wering door het openbaar ministerie dat bij toepassing van artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering deze conclusie in zoverre ze betrekking heeft op de strafvordering uit het debat wordt geweerd. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 5. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter melding te maken van het indienen van een conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. De op 20 november 2023 per e-deposit ingediende conclusie werd ingediend binnen de volgens het proces-verbaal van 8 november 2023 bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijn, namelijk op 20 november 2023. De op de rechtszitting van 22 november 2023 ingediende conclusie heeft dezelfde inhoud als de per e-deposit op 20 november 2023 ingediende conclusie. 7. Met het geheel van redenen die het arrest bevat onder de rubriek 5.2 Met betrekking tot de ANPR-gegevens (p. 16-23) beantwoordt en verwerpt dit de door de eiser in zijn op 20 november 2023 ingediende appelconclusie aangevoerde schendingen van artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 8. Voor het overige preciseert het middel niet welke aanvoeringen van de eiser in zijn appelconclusie van 20 november 2023 het arrest onbeantwoord laat. In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. Tweede en derde middel 9. Het tweede middel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt enerzijds dat de appelrechters niet in staat zijn om de regelmatigheid van de ANPR-bevragingen te onderzoeken, maar beslist anderzijds niet over te gaan tot bewijsuitsluiting; het arrest kan niet worden gevolgd waar het oordeelt dat het niet is omdat de politiediensten niet op tijdige wijze over een performante software beschikken om hun wettelijke verplichtingen na te komen dat er moet worden getwijfeld aan de verklaringen van de getuigen; bij de toetsing overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verliest het arrest uit het oog dat het niet louter gaat om de betrouwbaarheid van het bewijs, maar ook om de niet-naleving van de wettelijke voorwaarden, alsook dat er geen enkele rechterlijke controle heeft kunnen plaatsvinden over wie en wanneer raadplegingen heeft gedaan en wie en wanneer daartoe opdracht heeft gegeven; het feit dat de politiediensten niet over de vereiste software beschikten op een ogenblik dat de regelgeving al van toepassing was, moet worden gelijk gesteld met een grove onachtzaamheid. Het derde middel voert schending aan van artikel 44/11/3novies Wet Politieambt: deze bepaling voorziet in een verplichte logging van alle bewerkingen die in de technische gegevensbanken worden uitgevoerd, met een bewaringstermijn van tien jaar; die logginggegevens waren niet voorhanden, waardoor de appelrechters de rechtmatigheid en regelmatigheid van het verkregen bewijs niet hebben kunnen toetsen; er heeft dus geen enkele rechterlijke controle kunnen plaatsvinden over wie en wanneer opdracht heeft gegeven, terwijl volgens deze bepaling de toegang tot de persoonsgegevens en informatie is beveiligd en er moet geweten zijn wie en om welke redenen bevragingen doet; het arrest dat daarin geen graten ziet, schendt manifest de vermelde bepaling. 10. Het enkele feit dat het verzuim van een wettelijke verplichting bepaalde gegevens bij te houden tot gevolg heeft dat de rechter niet kan nagaan of bepaalde bewijsgegevens regelmatig zijn verkregen, heeft niet tot gevolg dat de rechter die bewijsgegevens automatisch moet uitsluiten. Ook in een dergelijk geval mag de rechter slechts tot uitsluiting overgaan van de bewijsgegevens waarvan de regelmatigheid niet kan worden beoordeeld, indien: - de vermeende onregelmatigheid (hierna de onregelmatigheid) verband houdt met een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; - door de onregelmatigheid het bewijs onbetrouwbaar is; - het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd. 11. Voor de beoordeling van dit laatste criterium kan de rechter onder meer één of meer van de volgende omstandigheden in aanmerking nemen: - de onregelmatigheid werd al dan niet opzettelijk begaan of ingevolge een grove onachtzaamheid die daardoor moet worden gelijkgesteld met een opzettelijke onregelmatigheid; - de ernst van het misdrijf overstijgt veruit de begane onregelmatigheid; - de onregelmatigheid betreft alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf; - de onregelmatigheid heeft een louter formeel karakter; - de onregelmatigheid heeft geen weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd. 12. De rechter moet de onregelmatigheid niet toetsen aan al deze criteria. Hij kan ook andere criteria gebruiken. Dit belet evenwel niet dat opzettelijk begane of daarmee gelijk te stellen onregelmatigheden die getuigen van een grove onachtzaamheid, principieel niet te verenigen zijn met de loyaliteit en de regelmatigheid van de bewijsgaring die in een rechtsstaat moeten kunnen worden verwacht van de opsporende en vervolgende instanties. 13. Bijgevolg is het recht op een eerlijk proces in de regel miskend en moet het onregelmatige bewijsmateriaal uit het debat worden geweerd wanneer de vermelde instanties een opzettelijke onregelmatigheid hebben begaan, dan wel een onregelmatigheid die getuigt van een grove onachtzaamheid, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder hun opdracht, hun handelwijze, de beschikbare informatie en hun normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid. Het is slechts anders wanneer de rechter vaststelt dat deze gevolgtrekking kennelijk onevenredig is met een of meer andere criteria die hij concreet toelicht, in het bijzonder de verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van hetgeen op het spel staat. 14. Het Hof onderzoekt of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 15. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 16. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - er zijn geen loggings beschikbaar voor de in deze zaak relevante bevragingen van de ANPR-gegevensbanken; - deze gegevens werden dus niet gedurende tien jaar bewaard vanaf de verwerking in de technische gegevensbanken, zoals nochtans vereist door artikel 44/11/3novies Wet Politieambt; - daardoor is het hof van beroep niet meer in staat om de regelmatigheid van de ANPR-bevragingen in deze zaak te onderzoeken; - er kan in het bijzonder niet worden onderzocht of is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat de verwerking van de persoonsgegevens en informatie uit de ANPR-gegevensbanken diende te worden gemotiveerd op operationeel vlak en noodzakelijk diende te zijn voor de uitoefening van een precieze opdracht; - evenmin kan worden onderzocht of de beslissing werd genomen door de korpschef of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie of door de procureur des Konings; - de thans vervolgde feiten kunnen in ieder geval een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg hebben; - uit de getuigenverklaringen blijkt dat de reden voor het niet-bijhouden van de loggings lag in het feit dat de door de lokale politiediensten gebruikte software in de relevante periode nog niet was aangepast aan de nieuwe voorwaarden die voor de wet van 21 maart 2018 aan hen werden opgelegd om het gebruik van camera’s te regelen; - de nieuwe bepalingen traden in werking op 25 mei 2018, terwijl de te beoordelen feiten werden gepleegd tussen 5 juni 2018 en 30 juni 2018 en de door deze zaak relevante ANPR-bevragingen kort na de onderzochte feiten gebeurden; - hoewel in een democratische rechtsstaat redelijkerwijze mag worden verwacht dat de politiediensten tijdig een performante software ter beschikking wordt gesteld die aangepast is aan de gewijzigde wetgeving en die hen in staat stelt om hun wettelijke verplichtingen na te leven, ziet het hof van beroep geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring onder ede van de getuigen dat dit op het ogenblik van de bevragingen nog niet het geval was; - de naleving van de betrokken vormvoorwaarden is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid; - de niet-naleving van de vormvoorwaarden heeft de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs niet aangetast: de voorwaarden dat de ANPR-bevragingen op operationeel vlak moesten worden gemotiveerd, dat ze noodzakelijk moesten zijn voor de uitoefening van een precieze opdracht en dat ze moesten worden toegestaan door de korpschef, de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie of de procureur des Konings, betreffen louter voorwaarden die de toegang tot de ANPR-gegevensbanken regelen, maar die geen enkele weerslag hebben op de betrouwbaarheid van de gegevens die uit de beelden van de ANPR-camera’s blijken; - het gebruik van het verkregen bewijs is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces, in zijn geheel beschouwd; - de onregelmatigheid had een louter formeel karakter en werd niet opzettelijk begaan noch ingevolge een grove onachtzaamheid die daardoor met opzet moet worden gelijkgesteld; - de vormvereisten over de toegang tot en het gebruik en de bewaring van de ANPR-gegevens waren kort voor de betrokken bevragingen ingrijpend gewijzigd en bovendien hadden de politiediensten nog geen performante software ter beschikking om de nieuwe regels nauwgezet te kunnen toepassen; - er kan aan de hand van de voorliggende gegevens van het strafdossier worden vastgesteld dat de ANPR-bevragingen op operationeel vlak noodzakelijk waren voor de uitoefening van een precieze opdracht van gerechtelijke politie, het gewenste onderzoeksresultaat nodig was om de waarheid aan het licht te brengen en niet kon worden verkregen door andere onderzoekshandelingen die een minder verregaande inbreuk op het privéleven van de beklaagden teweeg brachten; - de ernst van de onderzochte misdrijven die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen A1 tot en met A13 overstijgt veruit de begane onregelmatigheid: de inbreuk op het privéleven van de beklaagden, die met de onregelmatige verrichte onderzoeksmethode samenging, was beduidend minder erg dan de onderzochte misdrijven. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de begane onregelmatigheid geen opzettelijk karakter heeft of niet getuigt van een daarmee gelijk te stellen grove onachtzaamheid en dat uit artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering voortvloeit dat er geen reden is om tot bewijsuitsluiting over te gaan. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 18. Door de hierna uit te spreken verwerping van eisers cassatieberoep verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser is bevolen, heeft zijn cassatieberoep geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.