← België

Ö. contra Fluvius System Operator

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen:

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 4 - 6 Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen maar die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn en de rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten; daarbij kan de rechter in het kader van zijn onaantastbare beoordeling van de feiten gebruik maken van een feitelijk vermoeden om onbekende gegevens af te leiden uit gekende gegevens en aldus kan hij uit feitelijke gegevens zoals de aard, de omvang en het lucratieve oogmerk van de exploitatie van een cannabisplantage en het belang van de bijdrage van een bepaalde deelnemer aan die exploitatie, afleiden welke de minimale opbrengst is die deze deelnemer uit de verkoop van de cannabis moet hebben verkregen

(1).
(1)Cass. 7 november 2023, AR P.23.0916.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7, AC 2023, nr. 709. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 9 De rechter oordeelt onaantastbaar over de maat van de aan de beklaagde op te leggen straffen, met inbegrip van de redelijkheid van de hem opgelegde verbeurdverklaring in verhouding tot zijn precaire financiële toestand en op basis van artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek kan de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde verminderen om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1638.N G. Ö., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 199, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser zodanige hulp heeft verleend dat de misdrijven van bezit en verkoop van cannabis (telastleggingen C en D) niet zonder zijn bijstand konden worden gepleegd en dat de eiser derhalve minstens moet worden beschouwd als mededader van die misdrijven in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek; die deelneming kan het arrest echter niet afleiden uit het enkele gegeven dat de eiser wetens en willens de door hem beheerde panden ter beschikking heeft gesteld voor de teelt van cannabis en daardoor een beperkte deelnemingsdaad aan die teelt heeft gesteld; het arrest benoemt geen specifieke deelnemingshandelingen aan het bezit en de verkoop van cannabis.
  3. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek stelt deelneming aan een misdaad of wanbedrijf strafbaar, met name wanneer de beklaagde door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.
  4. Voor de toepassing van deze bepaling is vereist dat de verstrekte hulp of bijstand wetens en willens werd verleend en dat deze hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is. Evenmin moet deze deelnemingsgedraging gericht zijn op alle constitutieve bestanddelen van het hoofdmisdrijf.
  5. Hieruit volgt dat met eenzelfde hulp of bijstand aan verschillende misdrijven kan worden deelgenomen in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek. Een daad van deelneming aan het misdrijf van de teelt van verdovende middelen kan dan ook een daad van deelneming aan het misdrijf van het bezit of de verkoop van die verdovende middelen uitmaken.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar of de verstrekte hulp of bijstand al dan niet noodzakelijk is en of deze wetens en willens werd verleend voor de verschillende misdrijven waaraan hij de deelnemers schuldig verklaart.
  7. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Met de in het middel bekritiseerde redenen oordeelt het arrest dat: - uit de vaststellingen van de politie blijkt dat er minstens één oogst had plaatsgevonden; - de omvang en de professionele inrichting van de plantage geen twijfel erover laten bestaan dat de opbrengst bestemd was voor de illegale verkoop met het oog op financieel geldgewin; - het bezit en de verkoop van cannabis evident slechts kon plaatsvinden nadat reeds een eerste oogst werd gerealiseerd, zodat vaststaat dat ook de eiser, die wetens en willens deelnam aan de teelt, zich tevens als mededader schuldig heeft gemaakt aan het bezit en de verkoop ervan; - eisers handelen, namelijk het wetens en willens ter beschikking stellen van de door hem beheerde panden voor de teelt van de cannabisplanten, immers noodzakelijk was opdat zou kunnen worden overgegaan tot het bezit van cannabis en de verkoop ervan zoals het in concreto heeft plaatsgevonden; - de vaststelling dat eisers deelnemingsgedraging dezelfde is als bij de telastleggingen A.l en A.2 (teelt van cannabis) daaraan geen afbreuk doet, aangezien met eenzelfde hulp of bijstand aan verschillende misdrijven tegelijk kan worden deelgenomen. Op grond van die redenen, waarmee het arrest ook de specifieke deelnemingshandeling van de eiser aan de telastleggingen C en D vermeldt, kan het wettig oordelen dat de eiser voor wat betreft de feiten van de telastleggingen B en C te beschouwen is als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het persoonlijk karakter van de straf: het arrest beveelt lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van vermogensvoordelen ten bedrage van 40.000,00 euro, die de eiser zou hebben verkregen uit de telastleggingen A.1, A.2, B en C; het arrest preciseert echter niet de berekeningswijze of de specifieke elementen op grond waarvan het de vermogensvoordelen bepaalt die de eiser persoonlijk zou hebben gegenereerd, hetzij effectief, hetzij ingevolge de toegepaste vermindering “naar redelijkheid en billijkheid en teneinde geen onredelijke straf op te leggen”; het arrest maakt geen concrete inschatting van het totale vermogensvoordeel dat uit de exploitatie van de cannabisplantage is verkregen; de omstandigheden dat de eiser ingevolge zijn rol en aandeel een belangrijke financiële beloning zou hebben gekregen en dat er ook anderen een vergoeding hebben gekregen, leveren bovendien onvoldoende nauwkeurige gegevens op om zonder willekeur het voormelde bedrag aan vermogensvoordelen te bepalen; aldus beantwoordt het arrest niet eisers verweer en kan de eiser de beslissing niet begrijpen.
  11. Het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel miskenning van dat algemeen rechtsbeginsel aanvoert, faalt het naar recht.
  12. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten. Daarbij kan de rechter in het kader van zijn onaantastbare beoordeling van de feiten gebruik maken van een feitelijk vermoeden om onbekende gegevens af te leiden uit gekende gegevens. Aldus kan de rechter uit feitelijke gegevens zoals de aard, de omvang en het lucratieve oogmerk van de exploitatie van een cannabisplantage en het belang van de bijdrage van een bepaalde deelnemer aan die exploitatie, afleiden welke de minimale opbrengst is die deze deelnemer uit de verkoop van de cannabis moet hebben verkregen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het arrest (p. 11, 12 en 15) stelt onder meer vast wat volgt: - op de locatie […] 48-50 te […] werd een cannabisplantage aangetroffen, verdeeld over vijf kweekkamers. Twee kweekkamers van telkens 400 cannabisplanten, achteraan het pand nummer 50, bleken op het ogenblik van de huiszoeking recent te zijn geoogst. Een deel van de cannabis lag nog te drogen. Drie andere kweekkamers op de bovenverdieping van pand nummer 50 telden samen 375 cannabisplanten van circa één meter groot; - de plantage was omvangrijk en professioneel ingericht. Zij was verdeeld over vijf kweekruimtes, drie technische ruimtes en een opslagruimte, met in totaal ruimte voor de teelt van meer dan 1.000 cannabisplanten; - het hof van beroep bepaalt voor wat betreft de kweekkamers achteraan het pand nummer 50 twee kweekcycli en voor wat betreft de kweekkamers op de bovenverdieping van nummer 50 één en driekwart kweekcycli. Hierbij bepaalt het hof van beroep voor een gemiddelde kweekcyclus een periode van tien weken. Voor wat betreft de onderscheiden kweekkamers is dit oordeel gebaseerd op de politionele vaststellingen tijdens de huiszoeking, die het arrest verder beschrijft.
  14. Verder oordeelt het arrest zoals vermeld onder het eerste onderdeel, alsook (p. 19-20) als volgt: - “Het staat op basis van de gegevens van het strafdossier vast dat [de eiser] vermogensvoordelen heeft verworven afkomstig uit de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen A.1, A.2, B en C. Zoals hoger reeds werd uiteengezet, vond de cannabisteelt met de omvang en het professionalisme zoals vastgesteld, niet plaats om met de geoogste cannabis niets te doen of enkel voor eigen gebruik, maar wel voor crimineel geldgewin. Het bedrag van deze vermogensvoordelen kan niet exact worden vastgesteld.” - “Bij het bepalen van de omvang van de gerealiseerde wederrechtelijke vermogensvoordelen houdt het hof (van beroep) rekening met: - de omvang van de aangetroffen cannabisplantage, waarbij op de bovenverdieping in het pand nummer 50 375 bijna volgroeide cannabisplanten en in de kweekkamers achteraan dit pand 800 geoogste cannabisplanten werden aangetroffen, waarbij een deel van de cannabis nog lag te drogen (en dus nog niet verkocht werd), - de vaststellingen inzake een voorgaande teelt en oogst, waarbij evenwel de juiste omvang hiervan niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Bovendien houdt het hof (van beroep) ook rekening met het gegevens dat de cannabisplantage niet steeds in de meest optimale omstandigheden heeft gedraaid en een maximale opbrengst heeft gegenereerd, - de belangrijke rol en het aandeel van [de eiser], zoals hoger omschreven, zodat hem ongetwijfeld een belangrijke financiële beloning is toegekomen, - de gemiddelde opbrengst per cannabisplant en de gemiddelde verkoopprijs per gram, zoals vermeld in de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring, - het gegeven dat nog andere personen betrokken waren die ook werden vergoed. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, wordt het wederrechtelijk vermogensvoordeel dat lastens [de eiser] verbeurd wordt verklaard naar redelijkheid en billijkheid en teneinde geen onredelijke straf op te leggen, begroot op 40.000,00 EUR.”
  15. Op grond van die gegevens kan het arrest wettig en zonder aan de eiser een willekeurige straf op te leggen, ex aequo et bono het bedrag van de vermogensvoordelen uit de telastleggingen A.1, A.2, B en C bepalen, die het lastens de eiser verbeurdverklaart. Aldus beantwoordt het arrest eveneens het verweer van de eiser, is de beslissing begrijpelijk en is zij regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest het totale uit de telastleggingen A.1, A.2, B en C verkregen vermogensvoordeel, het daarvan aan de eiser toegekomen vermogensvoordeel of de vermindering van dat vermogensvoordeel om aan de eiser geen onredelijk zware straf op te leggen, uitdrukkelijk dient te becijferen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het persoonlijk karakter van de straf: het arrest oordeelt dat de verbeurdverklaring per equivalent van 40.000,00 euro geen onredelijk zware straf voor de eiser uitmaakt, zonder dat oordeel te motiveren in antwoord op eisers verweer over zijn precaire financiële toestand en zonder na te gaan of die verbeurdverklaring geen buitensporig leed voor de eiser teweegbrengt; bovendien motiveert het arrest niet welk vermogensvoordeel de eiser effectief zou hebben gegenereerd en in hoeverre het verbeurdverklaarde bedrag een daadwerkelijke vermindering uitmaakt ten opzichte van dat vermogensvoordeel.
  17. Het arrest oordeelt onaantastbaar over de maat van de aan de eiser op te leggen straffen, met inbegrip van de redelijkheid van de hem opgelegde verbeurdverklaring in verhouding tot zijn precaire financiële toestand. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel, is het niet ontvankelijk.
  18. In zoverre het middel dezelfde draagwijdte heeft als het tweede middel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.
  19. Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
  20. Het arrest oordeelt zoals vermeld onder het tweede middel, alsook: “De verbeurdverklaring van deze wederrechtelijke vermogensvoordelen maakt voor [de eiser] geen onredelijk zware straf uit, dit rekening houdend met de aard en de ernst van de bewezen tenlasteleggingen, zijn persoonlijkheid en zijn drijfveer, die er louter in bestond snel geld te verdienen. Uit niets blijkt dat de verbeurdverklaring van dit bedrag disproportioneel zou zijn. Er ligt geen grond voor om tot verdere matiging van deze verbeurdverklaring over te gaan. Louter volledigheidshalve onderstreept het hof (van beroep) hierbij nog dat [de eiser] hoe dan ook in gebreke blijft aannemelijk te maken dat de opgelegde verbeurdverklaring dermate afbreuk zou doen aan zijn financiële toestand dat ze een schending van het eigendomsrecht zou inhouden.”
  21. Met die redenen houdt het arrest bij het bepalen van de lastens de eiser uit te spreken verbeurdverklaring wel degelijk rekening met zijn precaire financiële toestand en motiveert het waarom eisers verweer de appelrechters niet beweegt tot verdere matiging van het bedrag van de verbeurdverklaring. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek: het arrest neemt geen standpunt in over eisers verzoek om de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen toe te wijzen aan de verweerster en beantwoordt bijgevolg niet eisers desbetreffende verweer.
  23. In zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd: “Indien [het hof van beroep] vermogensvoordelen van [de eiser] zou verbeurdverklaren en [de eiser] zou veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [de verweerster], vraagt hij de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen conform artikel 43bis, lid 3 Sw. toe te wijzen aan [de verweerster] opdat [de verweerster] vergoed wordt, doch een bijkomende financiële 'bestraffing' van [de eiser] vermeden wordt.”
  24. Het arrest beveelt lastens de eiser geen verbeurdverklaring van vermogensvoordelen verkregen uit de telastleggingen D.1 en D.2 (diefstal van elektriciteit ten nadele van de verweerster), maar enkel de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen verkregen uit de telastleggingen A.1, A.2, B en C. Dienvolgens dient het eisers doelloze verweer niet te beantwoorden. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.