id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.3 Rolnummer: C.23.0240.N Zaak: S. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-17 Raadplegingen: 815 - laatst gezien 2026-06-18 21:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.3 Fiche 1 Dat de voor de strafrechter ingestelde burgerlijke vordering een accessorium is van de strafvordering, betekent dat, wanneer het vonnisgerecht oordeelt dat de strafvordering inzake bepaalde tenlasteleggingen onontvankelijk is op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering, het geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van die burgerlijke vordering, voor zover gegrond op dezelfde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 2 - 3 Wanneer de strafrechter oordeelt dat hij geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de burgerlijke vordering voor zover gegrond op dezelfde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, is er geen sprake van een eindbeslissing van het vonnisgerecht over de gegrondheid van de burgerlijke vordering betreffende de ten laste gelegde feiten, zodat de artikelen 23 tot en met 25 Gerechtelijk Wetboek inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde niet eraan in de weg staan dat diezelfde vordering, voor zover gegrond op dezelfde feiten, na de uitspraak van de strafrechter nog voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0240.N J.S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- P.V.H.,
- D.R., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 februari
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 20 februari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 24 Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van het rechterlijk gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
- Artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters kan worden vervolgd als de strafvordering en dat zij ook afzonderlijk kan worden vervolgd; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld.
- De voor de strafrechter ingestelde burgerlijke vordering is aldus een accessorium van de strafvordering. Dit betekent dat, wanneer het vonnisgerecht oordeelt dat de strafvordering inzake bepaalde tenlasteleggingen onontvankelijk is op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering, het geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van die burgerlijke vordering, voor zover gegrond op dezelfde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten. Er is dan geen sprake van een eindbeslissing van het vonnisgerecht over de gegrondheid van de burgerlijke vordering betreffende die tenlastegelegde feiten, zodat de artikelen 23 tot en met 25 Gerechtelijk Wetboek inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde niet eraan in de weg staan dat diezelfde vordering, voor zover gegrond op dezelfde feiten, na de uitspraak van de strafrechter nog voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiser op 30 augustus 2011 bij de onderzoeksrechter een klacht tegen de verweerders heeft ingediend en de verweerders voor de correctionele rechtbank te Brugge werden gedagvaard onder de volgende tenlasteleggingen: (A) laster (beiden), (B) aanranding van de eerbaarheid (de verweerster), (C) als hoofdinspecteur van de politie onwettige kennisname van niet voor het publiek toegankelijke communicatie (de verweerder), (D) schending van het beroepsgeheim (de verweerder), (E) kwaadwillige, schriftelijke lasterlijke aangifte (beiden), (F) als hoofdinspecteur van de politie plegen van valsheid in geschrifte (de verweerder) en (G) als hoofdinspecteur van de politie begaan van passieve omkoping (de verweerder); - de eiser zich voor de onderzoeksrechter tevens burgerlijke partij heeft gesteld en voor de correctionele rechtbank terzelfdertijd als de strafvordering een burgerlijke vordering aanhangig heeft gemaakt tot vergoeding van de door hem geleden schade veroorzaakt door de aan de verweerders strafrechtelijk ten laste gelegde feiten; - de correctionele rechtbank bij het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 10 november 2015 de strafvordering van de eiser tegen de verweerders met betrekking tot de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G onontvankelijk heeft verklaard, omdat op grond van de omschrijving van de tenlasteleggingen in de dagvaarding uit het dossier niet op te maken was welke precieze feiten ten laste werden gelegd, zodat het voor de rechter niet mogelijk was te bepalen welke feiten bij hem aanhangig waren; - de correctionele rechtbank bij het voormelde vonnis de strafvordering van de eiser tegen de verweerders met betrekking tot de tenlastelegging E wel ontvankelijk heeft verklaard, maar de verweerders heeft vrijgesproken aangezien de feiten van de tenlastelegging niet bewezen voorkwamen; - de correctionele rechtbank in voormeld vonnis betreffende de burgerlijke vordering van de eiser tegen de verweerders heeft geoordeeld dat “gelet op de onontvankelijkheid van de strafvordering voor wat betreft de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G en de verleende vrijspraak voor tenlastelegging E, de vordering van de burgerlijke partij dient te worden afgewezen als ongegrond”; - de eiser op 14 maart 2017 voor de burgerlijke rechter dezelfde vordering tegen de verweerders heeft ingesteld, strekkende tot vergoeding van de schade veroorzaakt door dezelfde als aan de verweerders strafrechtelijk ten laste gelegde feiten.
- Met zijn oordeel in het vonnis van 10 november 2015 heeft de strafrechter enkel een eindbeslissing genomen over de gegrondheid van de burgerlijke vordering voor zover gesteund op de tenlastelegging E, waaraan gezag van gewijsde kleeft, krachtens de artikelen 23 tot en met 25 Gerechtelijk Wetboek. De strafrechter heeft inhoudelijk geen uitspraak gedaan over de gegrondheid van de burgerlijke vordering voor zover gegrond op de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G, maar, ongeacht de gebruikte bewoordingen, slechts geoordeeld dat hij, gelet op de onontvankelijkheid van de strafvordering betreffende die tenlasteleggingen, geen rechtsmacht heeft om van de burgerlijke vordering kennis te nemen.
- De artikelen 23 tot en met 25 Gerechtelijk Wetboek inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde staan niet eraan in de weg dat dezelfde burgerlijke vordering, voor zover gegrond op dezelfde als de onder A, B, C, D, F en G strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, na het vonnis van de correctionele rechtbank van 10 november 2015 nog voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld.
- De appelrechter oordeelt dat: - de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiser tegen de verweerders van 30 augustus 2011 betrekking had op de feiten en de schade waarop de eiser ook zijn huidige vordering steunt en het met andere woorden om dezelfde vordering gaat; - de correctionele rechtbank te Brugge in zijn vonnis van 10 november 2015 de vordering van de eiser ongegrond heeft verklaard; - de burgerlijke vordering op de onrechtmatige daad steunt en de fouten die de eiser aan de verweerders verwijt, dezelfde zijn als die welke hij beschreef in zijn klacht met burgerlijkepartijstelling; - de eiser klaarblijkelijk heeft beslist geen hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 10 november 2015, zodat de verweerders zich kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van dit vonnis, dat verhindert dat dezelfde vordering tussen dezelfde partijen opnieuw wordt ingesteld (de artikelen 23 en 25 Gerechtelijk Wetboek); - de vordering van de eiser tegen de verweerders niet ontvankelijk is.
- Door aldus de vordering tot schadevergoeding van de eiser tegen de verweerders, voor zover gegrond op dezelfde als de onder A, B, C, D, F en G strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, onontvankelijk te verklaren op grond van het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank van 10 november 2015, terwijl de strafrechter niet heeft geoordeeld over de gegrondheid van de burgerlijke vordering voor zover gesteund op die feiten, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- De eiser heeft voor de appelrechter aangevoerd dat de verjaring van zijn burgerlijke vordering tegen de verweerders tot schadevergoeding rechtsgeldig werd gestuit, krachtens artikel 2244, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, door zijn op 30 augustus 2011 bij de onderzoeksrechter ingediende klacht met burgerlijkepartijstelling, tot het tijdstip waarop in hoger beroep een definitieve beslissing werd geveld, dit is op 29 juni 2016, zodat de door hem op 14 maart 2017 voor de burgerlijke rechter ingestelde vordering tot schadevergoeding niet laattijdig was.
- Het bestreden arrest beantwoordt dit verweer niet. Het subonderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de vordering van de eiser tegen de verweerders niet ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div