← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 77bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Fiches 3 - 5 De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan de misdaad of het wanbedrijf op een in die bepaling bedoelde wijze, hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen

(1); de schuldigverklaring als mededader aan een misdrijf vereist niet dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen begrepen zijn; daaruit volgt dat een schuldigverklaring als mededader aan het misdrijf mensensmokkel vereist dat de betrokkene weet dat hij door zijn positieve handelingen bijdraagt aan een op het verkrijgen van een vermogensvoordeel gerichte smokkel, zonder dat moet vaststaan dat hijzelf het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel heeft beoogd of een dergelijk voordeel heeft verkregen
(2).
(1)Cass. 20 december 2022, AR P.22.0815.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24, AC 2022, nr. 838, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, NC 2023, 52; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, AC 2022, nr. 732, RW 2023-24, 58 noot S. MELIS.
(2)Cass. 1 februari 2022 AR P.21.1292.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2, AC 2022, nr. 86. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Fiches 6 - 9 Indien een deelnemer aan het misdrijf mensensmokkel betwist dat de bij artikel 77quater, 1° en 4°, Vreemdelingenwet bepaalde verzwarende omstandigheden op hem toepasselijk zijn, dient de rechter opdat hij die verzwarende omstandigheden aan de deelnemer kan toerekenen, vast te stellen dat de deelnemer kennis had van die verzwarende omstandigheden en dat hij deze heeft aanvaard

(1); die individuele toerekening vereist niet dat ook wordt vastgesteld dat de deelnemer zelf minderjarigen heeft gesmokkeld of dat hij zelf het leven van de slachtoffers opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar heeft gebracht.
(1)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1, AC 2022, nr. 415; Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0583.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2, AC 2018, nr. 562; Cass. 7 september 2005, AR P.05.0358.F, AC 2005, nr. 414. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77q

uater, 1° en 4° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77q

uater, 1° en 4° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77q

uater, 1° en 4° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering

Art. 77quater, 1° en 4° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1683.N I K.A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Dens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II A.M., beklaagde, eiser, met als raadsman Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Tijl Uilenspiegelstraat 26, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 3 november 2023. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. Het arrest spreekt de eiser II vrij voor de hem ten laste gelegde feiten A.23 en A.26 en spreekt hem gedeeltelijk vrij voor de hem ten laste gelegde feiten A.21, A.27 en A.29, namelijk wat betreft de verzwarende omstandigheid dat het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de appelrechters motiveren de veroordeling van de eiser I verkeerd, minstens dubbelzinnig, hetgeen gelijk staat aan een gebrek aan motivering; het arrest baseert de strafrechtelijke veroordeling van de eiser I op een Iraaks gsm-nummer, waarbij uit de lezing van het strafdossier zonder meer blijkt dat dit geenszins aan hem kan worden toegerekend. 3. Onder het voorwendsel van beweerde onwettigheden of motiveringsgebreken komt het middel in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I 4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het irrelevant is om na te gaan of de eiser I handelde uit winstbejag; vooraleer te kunnen overgaan tot een schuldigverklaring voor het misdrijf mensensmokkel dienen zij echter na te gaan of er bij de eiser I een winstoogmerk bestond. 5. Artikel 77bis, eerste lid, Vreemdelingenwet omschrijft mensensmokkel als het ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel. Het winstoogmerk is een wezenskenmerk van dit misdrijf. 6. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanig hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd. 7. De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan de misdaad of het wanbedrijf op een in die bepaling bedoelde wijze, hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. De schuldigverklaring als mededader aan een misdrijf vereist niet dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen begrepen zijn. 8. Daaruit volgt dat een schuldigverklaring als mededader aan het misdrijf mensensmokkel vereist dat de betrokkene weet dat hij door zijn positieve handelingen bijdraagt aan een op het verkrijgen van een vermogensvoordeel gerichte smokkel, zonder dat moet vaststaan dat hijzelf het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel heeft beoogd of een dergelijk voordeel heeft verkregen. 9. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest vult de telastlegging A aan met de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 66, derde lid, Strafwetboek (p. 27 en 46) en oordeelt (p. 37) dat: - de eiser I door op te treden als tussenpersoon bij de betaling van een vaartuig dat diende om illegale vreemdelingen clandestien naar het Verenigd Koninkrijk te brengen, zodanige hulp en bijstand verleende aan het misdrijf mensensmokkel zoals omschreven in de telastlegging A.35, dat dit misdrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd; - hij dit trouwens niet alleen op 16 september 2019 deed aangezien S.B. verklaarde dat hij meermaals een beroep deed op de eiser I voor het regelen van betalingen van vaartuigen; - de eiser I daarbij zonder twijfel het opzet had om door deze positieve daad bij te dragen aan de verwezenlijking van dat misdrijf; - een teruggevonden viber-leesbericht in de gsm van N.M., verstuurd op 24 oktober 2019 om 17.04u, door het Iraaks gsm-nummer van de eiser I en het antwoord daarop bewijst dat de eiser I heel goed wist dat het geld dat hij in bewaring nam, afkomstig was van transmigranten en moest dienen ter betaling van hun clandestiene overtocht; - het irrelevant is of de eiser I handelde uit winstbejag; het volstaat om te worden veroordeeld als mededader aan het misdrijf mensensmokkel dat de mededader weet dat hij door zijn positieve handelingen bijdraagt aan een op het verkrijgen van een vermogensvoordeel gerichte smokkel, wat voor hem het geval is. Aldus geeft het arrest geen onjuiste lezing van artikel 66 Strafwetboek en artikel 77bis Vreemdelingenwet, maar past het die bepalingen integendeel juist toe. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 11. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 66 Strafwetboek en artikel 77bis Vreemdelingenwet. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser I 12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters nodigen de eiser I op geen enkel moment uit om zich te verdedigen tegen de vermeende identificatie van het Iraaks gsm-nummer, waarbij hij er terecht mocht van uitgaan dat het strafdossier duidelijk aantoont dat het Iraaks gsm-nummer op geen enkele manier aan hem kan worden toegerekend. 13. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 14. Het recht van verdediging van een beklaagde, zoals vervat in artikel 6 EVRM, wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op de gegevens van het strafdossier, waarover hij tegenspraak heeft kunnen voeren. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt verder dat: - in het beroepen vonnis bij de beoordeling van de schuld van de eiser I werd overwogen dat het nummer van “Bxtijar Diest” zes keer werd aangetroffen in telefoniebestanden van transmigranten die de laatste jaren werden aangetroffen in Zeebrugge (p. 33); - het openbaar ministerie in zijn in hoger beroep neergelegde besluiten aangaf dat de eiser I de alias “Bxtiyar” had (p. 8). 16. Het arrest oordeelt onder meer dat de genaamde “Bxtijar” kon worden geïdentificeerd als de eiser I en dat zijn Iraaks gsm-nummer zes keer werd aangetroffen in gsm-toestellen van transmigranten die in de aan het onderzoek voorafgaande jaren werden aangetroffen in Zeebrugge en bestuurlijk werden aangehouden voor illegaal verblijf. De appelrechters steunen hun beslissing aldus op de gegevens van het strafdossier over de identificatie van “Bxtijar” en het Iraakse gsm-nummer, waarover de eiser I tegenspraak kon voeren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II 17. Het middel voert schending aan van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, artikel 77quater Vreemdelingenwet en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: uit de door hen gedane vaststellingen kunnen de appelrechters onmogelijk wettig afleiden dat de eiser II voorafgaandelijk wetens en willens heeft bijgedragen aan de smokkel van andere slachtoffers dan D.B. en I.K. wiens oversteek door hem werd georganiseerd; uit deze organisatie van de oversteek volgt niet ipso facto de kennis en wetenschap dat er ook andere personen zouden worden overgebracht; uit de overweging dat de eiser II bij verhoor toegaf dat hij wist dat er onder de transmigranten ook een vrouw van amper 19 jaar en een zwangere vrouw was, kunnen de appelrechters niet afleiden:

  1. a)wanneer hij deze kennis had en of deze kennis het misdrijf voorafging of hiermee samenviel,
  2. b)dat hij kennis zou hebben gehad dat er nog andere transmigranten zouden zijn geweest dan D.B, I.K., een vrouw van amper 19 jaar en een zwangere vrouw en
  3. c)of deze vrouw van amper 19 jaar en deze zwangere vrouw slachtoffers waren van de feiten die het voorwerp zijn van de telastlegging A.19, dan wel van de feiten die het voorwerp zijn van de telastlegging A.21; de appelrechters kunnen uit hun vaststellingen en motieven niet afleiden dat de voor de oversteek van D.B. en I.K. gestelde handelingen, wetens en willens een noodzakelijke hulp en bijstand uitmaken van achttien andere transmigranten in de periode van 13 oktober 2019 tot 17 oktober 2019 (telastlegging A.19) of nog voor de oversteek van vijf andere transmigranten op 15 oktober 2019 (telastlegging A.21). 18. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 19. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanig hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd. 20. De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan de misdaad of het wanbedrijf op een in die bepaling bedoelde wijze, hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. 21. Voor het bestaan van strafbare deelneming is vereist dat de deelnemer kennis ervan heeft dat hij deelneemt aan een welbepaalde misdaad of een welbepaald wanbedrijf; hiertoe is vereist dat de deelnemer kennis heeft van alle omstandigheden die aan het feit waaraan hij door zijn medewerking deelneemt, het kenmerk verlenen van een welbepaalde misdaad of wanbedrijf, maar niet dat hij bovendien kennis heeft van al de bijzondere uitvoeringsmodaliteiten van die misdaad of dat wanbedrijf, zoals het aantal betrokken slachtoffers. 22. De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor mededaderschap vereiste constitutieve bestanddelen verenigd zijn. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 23. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 24. Het arrest (p. 31, randnr. 5.3.2) oordeelt onder meer dat: - uit de in randnummer 5.3.1 van het arrest aangehaalde gegevens volgt dat de telastleggingen A.19, A.21, A.27 en A.29 zonder twijfel bewezen zijn, wat de eiser II ook niet betwist, met dien verstande dat hij aanvoert dat de telastleggingen A.19 en A.21 enkel bewezen zouden zijn voor wat betreft de slachtoffers B.D. en K.I.; - het echter niet is omdat zijn gsm-nummer slechts in de toestellen van die laatste slachtoffers werd aangetroffen dat enkel bewezen is dat hij alleen hen illegaal naar het Verenigd Koninkrijk trachtte te krijgen; het is immers niet nodig of nuttig dat alle slachtoffers het gsm-nummer van de bij de oversteek betrokken smokkelaars bij zich hebben; - het bovendien vaststaat dat de eiser II alleszins de oversteek van B.D. en K.I. heeft georganiseerd; hierdoor heeft hij noodzakelijke hulp en bijstand verleend aan de smokkel van de overige in de telastleggingen A.19 en A.21 opgesomde slachtoffers, zonder dat de smokkel kon worden gerealiseerd (artikel 66, derde lid, Strafwetboek); die andere slachtoffers konden immers terecht in dezelfde vrachtwagen als deze waarin B.D. en K.I. zouden worden overgebracht en de eiser II wist dat B.D. en K.I. niet de enige migranten waren die zouden worden overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk; bij zijn verhoor op 22 december 2021 gaf de eiser II immers toe dat hij wist dat er onder de transmigranten ook een vrouw was van amper 19 jaar en een zwangere vrouw. 25. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser II mededader is aan alle feiten van de telastleggingen A.19 en A.21. Aldus oordeelt het arrest immers dat de eiser II wetens en willens zijn medewerking heeft verleend op een bij de wet bepaalde wijze aan de mensensmokkel en dat hij kennis had van alle omstandigheden die aan deze feiten het kenmerk verlenen van dit misdrijf. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II 26. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 66, derde lid, Strafwetboek, artikel 77quater Vreemdelingenwet en artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters maken geen individuele analyse van het gedrag van de eiser II, noch van de mate waarin hij de verzwarende omstandigheid van het in gevaar brengen van het leven van het slachtoffer, met kennis van zaken zou hebben aanvaard of hierbij betrokken zou zijn; uit de door hen gedane vaststellingen kunnen de appelrechters onmogelijk wettig afleiden dat de eiser II voorafgaandelijk kennis had van het feit dat er zich onder de telastlegging A.19 opgesomde slachtoffers vier minderjarigen zouden hebben bevonden, of nog dat al de opgesomde slachtoffers maar liefst drie aaneengesloten dagen moesten doorbrengen in een koelcontainer; aldus kunnen de appelrechters niet wettig vaststellen dat de eiser II deze verzwarende omstandigheid zou hebben aanvaard of bij de uitvoering ervan zou zijn betrokken. 27. Indien een deelnemer aan het misdrijf mensensmokkel betwist dat de bij artikel 77quater, eerste lid, 1° en 4°, Vreemdelingenwet bepaalde verzwarende omstandigheden op hem toepasselijk zijn, dient de rechter opdat hij die verzwarende omstandigheden aan de deelnemer kan toerekenen, vast te stellen dat de deelnemer kennis had van die verzwarende omstandigheden en dat hij deze heeft aanvaard. Die individuele toerekening vereist niet dat ook wordt vastgesteld dat de deelnemer zelf minderjarigen heeft gesmokkeld of dat hij zelf het leven van de slachtoffers opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar heeft gebracht. 28. Het arrest (p. 31, randnr. 5.3.2) oordeelt over deze verzwarende omstandigheden dat: - zich onder de in de telastlegging A.19 opgesomde slachtoffers vier minderjarigen bevonden; - de eiser II het leven van al de in de telastlegging A.19 opgesomde slachtoffers in gevaar heeft gebracht, nu ze maar liefst drie aaneengesloten dagen moesten doorbrengen in een koelcontainer en zouden zijn gestikt als ze niet zelf alarm hadden geslagen door op de wanden te slaan. Het arrest stelt aldus niet vast dat de eiser II kennis had van de bij artikel 77quater, eerste lid, 1° en 4°, Vreemdelingenwet bepaalde verzwarende omstandigheden en deze heeft aanvaard. De beslissing tot schuldigverklaring aan deze verzwarende omstandigheden voor de telastlegging A.19 is dan ook niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Derde middel van de eiser II 29. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, vereist het middel geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Omvang van de cassatie 31. De vernietiging van de schuldigverklaring van de eiser II aan de verzwarende omstandigheden van artikel 77quater, eerste lid, 1° en 4°, Vreemdelingenwet voor de telastlegging A.19 leidt tot de vernietiging van de aan de eiser II voor alle bewezen verklaarde feiten samen opgelegde bestraffing, met inbegrip van zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, maar laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser II schuldig verklaart aan de verzwarende omstandigheden van artikel 77quater, eerste lid, 1° en 4°, Vreemdelingenwet voor de feiten omschreven onder de telastlegging A.19, hem tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt en zijn onmiddellijke aanhouding beveelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep. Veroordeelt de eiser II tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 451,05 euro, waarvan de eiser I 225,52 euro is verschuldigd en de eiser II 225,53 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.1 Gerelateerde publicatie(
  4. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.