← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 359

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 359

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 4 Met artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing over de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen

(1); wie afvalstoffen achterlaat in strijd met de toepasselijke decretale bepalingen wordt op grond van artikel 16.6.4 DABM door de rechter veroordeeld tot het inzamelen, vervoeren en verwerken ervan binnen een door hem vastgestelde termijn; de maatregel die de strafrechter beveelt op grond van artikel 16.6.4 DABM is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt; daaruit volgt dat hij tegen wie een dergelijke maatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing moet laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.
(1)Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0641.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1, AC 2019, nr. 20; Cass. 15 september 2015, AR P.15.0911.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.7, AC 2015, nr. 517; F. VAN VOLSEM, “Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis te brengen”, NC 2017, 421; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1792-1800. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 427

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.4 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 427

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.4 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiches 5 - 8 Wanneer een voortdurend misdrijf een aanvang neemt vóór 30 juli 2018 en nadien voortduurt, kan de strafuitsluitende verschoningsgrond van het (oude) artikel 5, tweede lid, Strafwetboek daarop niet langer worden toegepast

(1).
(1)Over de oude versie van art. 5 Sw., de decumul bij niet-opzettelijke delicten, zie Cass. 22 juni 2011, AR P.10.1289.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.2, AC 2011, nr. 417, N.C. 2011, 381 noot V. FRANSEN en S. VANDYCK; Cass. 9 november 2004, AR P.04.0489.N, AC 2004, nr. 539, RDPC 2005, 789 noot M. RIGAUX; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure, 2017, 85-
  1. Over art. 5 Sw. na inwerkingtreding van de Wet van 11 juli 2018 zie V. TRUILLET, “Modifications des articles 5 et 7bis du Code pénal relatifs à la responsabilité des personnes morales », Dr. Pén. Entr 2018, 276 ; G. LENELLE en G. PIJCKE, « La responsabilité des personnes morales. Le point de vue de l'auditorat du travail », Dr. Pén. Entr. 2019, 91-
  2. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1762.N
  3. GARAGE CARROSSERIE C.L. bv, met zetel te 9280 Lebbeke, Brusselsesteenweg 211A, beklaagde,
  4. L.C., beklaagde, eisers, met beiden als raadsman mr. Gerrit Dauwe, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 december
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1
  6. Wanneer, ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, door de rechtbank een lasthebber ad hoc is aangewezen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, is uitsluitend deze lasthebber ad hoc bevoegd om namens deze rechtspersoon rechtsmiddelen met inbegrip van cassatieberoep aan te wenden tegen de beslissingen over de tegen deze rechtspersoon ingestelde strafvordering.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt: - dat de eerste rechter op de rechtszitting van 28 juni 2021 G. Schouppe in een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beslissing aanstelde als lasthebber ad hoc voor de eiseres 1; - niet dat die lasthebber ad hoc van zijn opdracht werd ontlast; - niet dat het instellen van het cassatieberoep namens de eiseres 1 is gebeurd in opdracht van de lasthebber ad hoc.
  8. Het cassatieberoep namens de eiseres 1 is bijgevolg niet ontvankelijk.
  9. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering.”
  10. Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing over de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.
  11. Wie afvalstoffen achterlaat in strijd met de toepasselijke decretale bepalingen wordt op grond van artikel 16.6.4 DABM door de rechter veroordeeld tot het inzamelen, vervoeren en verwerken ervan binnen een door hem vastgestelde termijn.
  12. De maatregel die de strafrechter beveelt op grond van artikel 16.6.4 DABM is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt. Daaruit volgt dat hij tegen wie een dergelijke maatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing moet laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser 2 het cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat de op grond van artikel 16.6.4 DABM genomen beslissing heeft gewezen.
  14. In zoverre het cassatieberoep namens de eiser 2 betrekking heeft op de bij toepassing van artikel 16.6.4 DABM bevolen maatregel, is het niet ontvankelijk.
  15. Daaruit volgt dat het eerste middel, dat betrekking heeft op de bevestiging door de appelrechters van het door de eerste rechter opgelegde herstel op grond van artikel 16.6.4 DABM, geen antwoord behoeft. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet en artikel 5.2.4.2, § 1, tweede lid, 3°, VLAREMA: de appelrechters voegen, door te oordelen dat de eisers zich niet ontdeden van vijftien voertuigen omdat ze het voorwerp waren van een inbeslagname en de inbeslagname niet van OVAM uitging, een voorwaarde toe aan de uitzondering van artikel 5.2.4.2, § 1, tweede lid, 3°, VLAREMA, dat bepaalt dat men zich sowieso niet mag ontdoen van inbeslaggenomen voorwerpen, los van enige reden, of van enig motief, of van wie het beslag uitgaat; de appelrechters miskennen ook de bewijskracht van het proces-verbaal van 19 september 2017 aangezien dit vermeldt dat er zich op 30 mei 2017 inderdaad nog vijftien van de aanvankelijk vijfendertig afgedankte wagens bevonden, maar onderaan pagina 4 van het proces-verbaal ook dat de verbalisanten op 24 juli 2017 navraag deden bij de gerechtsdeurwaarder en de certificaten van vernietiging van de vijftien inbeslaggenomen voertuigen ontvingen.
  17. Artikel 62 Wegverkeerswet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  18. Artikel 5.2.4.2, § 1, eerste lid, VLAREMA bepaalt de gevallen waarin de houder zich moet ontdoen van een voertuig. Volgens artikel 5.2.4.2, § 1, tweede lid, 3°, VLAREMA, zoals hier toepasselijk, geldt deze verplichting niet voor voertuigen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek of een inbeslagname en die nog niet vrijgegeven zijn.
  19. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen.
  20. Het aanvankelijk proces-verbaal van OVAM van 19 september 2017 met notitienummer DE.64.H6.402462/2017 (p. 4) vermeldt onder meer dat: - bij een controle van de toezichthouder op 30 mei 2017 van de eiser 2 wordt vernomen dat een deel van de voertuigen door een gerechtsdeurwaarder op 30 mei 2016 werd inbeslaggenomen en werd afgevoerd en dat de eiser 2 meedeelde ervan uit te zijn gegaan dat de gerechtsdeurwaarder OVAM de certificaten van vernietiging zou bezorgen; - dit niet het geval was en dat de inbeslagname geen opdracht is van OVAM; - de toezichthouder de gegevens van de gerechtsdeurwaarder noteerde om de afvoerbewijzen van de afgedankte voertuigen nadien te kunnen opvragen; - de toezichthouder een inventaris opmaakte van de aanwezige voertuigen op het terrein, waarvan de overzichtslijst werd opgenomen als bijlage 30 tot en met 33 van het proces-verbaal; - vijftien afgedankte voertuigen nog steeds aanwezig waren terwijl deze reeds dienden te zijn afgevoerd en de certificaten van vernietiging aan OVAM dienden te worden overgemaakt uiterlijk 31 januari 2017 en dat deze voertuigen in de bijlage 30 tot en met 33 in roze kleur werden gemarkeerd; - de toezichthouder op 24 juli 2017 telefonisch de gerechtsdeurwaarder contacteerde met vraag naar de certificaten van vernietiging van de inbeslaggenomen voertuigen en dat zij diezelfde dag nog van de gerechtsdeurwaarder via mail de certificaten van vernietiging van de inbeslaggenomen voertuigen ontving, die een correcte afvoer van deze vijftien afgedankte voertuigen staven en dat deze voertuigen in de bijlagen 31 en 32 in het grijs werden gemarkeerd.
  21. Het arrest (p. 13) oordeelt over het verweer van de eisers op grond van artikel 5.2.4.2, § 1, tweede lid, 3°, VLAREMA: “Ten onrechte voeren [de eisers] aan dat vijftien wagens voertuigen waren die het voorwerp waren van een inbeslagname, zich hierbij beroepend op artikel 5.2.4.2, § 1, tweede lid, 3°, Vlarema, waarbij gesteld wordt dat de verplichting zich van afgedankte voertuigen te ontdoen niet geldt indien zo’n voertuig het voorwerp is van een gerechtelijk onderzoek, een inbeslagname of een aansprakelijkheidsonderzoek in het kader van een ongeval. De OVAM-controleurs stelden immers het volgende in het proces-verbaal van 19 september 2017 (p.4): ‘We vernemen van [de eiser 2] dat een deel van de voertuigen door een gerechtsdeurwaarder op 30 mei 2016 in beslag werden genomen en afgevoerd werden. [De eiser 2] deelde mee ervan uit te gaan dat de gerechtsdeurwaarder de OVAM de certificaten van vernietiging zou bezorgen. Dit was niet het geval. De inbeslagname is geen opdracht van de OVAM uit.’ Volgens de uitleg van [de eiser 2] betrof het voertuigen die een gerechtsdeurwaarder afvoerde. Het betroffen dus geen voertuigen waarvan hij zich niet ontdeed omdat ze het voorwerp waren van een inbeslagname.”
  22. Aldus hebben de appelrechters aan het proces-verbaal van 19 september 2017 geen verklaring toegeschreven die dit proces-verbaal niet bevat, dan wel ontkend dat dit proces-verbaal een verklaring bevat die wel erin voorkomt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag
  23. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters het verweer op grond van artikel 5.2.4.2, § 1, tweede lid, 3°, VLAREMA, hebben beantwoord door te verwijzen naar de vijftien afgedankte voertuigen die volgens het proces-verbaal van 19 september 2017 bij de controle op 30 mei 2017 nog aanwezig waren en niet naar de vijftien inbeslaggenomen voertuigen die naar eigen verklaring van de eiser 2 op het moment van de controle reeds waren afgevoerd, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag. Derde middel
  24. Het middel voert schending aan van (oud) artikel 5 Strafwetboek: de appelrechters schenden (oud) artikel 5 Strafwetboek door niet te bepalen wie van de beide eisers de zwaarste fout zou hebben begaan.
  25. Door de inwerkingtreding op 30 juli 2018 van artikel 2 van de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft, werd het artikel 5 Strafwetboek vervangen, waarvan het tweede lid bepaalde: “Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.” Deze strafuitsluitende verschoningsgrond werd niet hernomen in het huidige artikel 5 Strafwetboek.
  26. Wanneer een voortdurend misdrijf een aanvang neemt vóór 30 juli 2018 en nadien voortduurt, kan de strafuitsluitende verschoningsgrond van het (oude) artikel 5, tweede lid, Strafwetboek daarop niet langer worden toegepast. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.