← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13 Rolnummer: P.23.0732.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 711 - laatst gezien 2026-06-19 00:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 Fiches 1 - 2 Bij toepassing van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats, de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een verstekbeslissing kan evenwel niet verstrijken dan na een rechtsgeldige betekening van de veroordeling bij verstek; wanneer een bij verstek gewezen vonnis aan de beklaagde bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt betekend door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie, begint de beroepstermijn de dag na die betekening te lopen; het gegeven dat de beklaagde van die betekening geen kennis kreeg en slechts na die beroepstermijn voor het eerst kennis nam van zijn verstekveroordeling en van de betekening ervan, doet daaraan geen afbreuk en verhindert hem als dusdanig niet alsnog een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden; de betekening aan de procureur des Konings bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is evenwel niet rechtsgeldig wanneer die laatste de woon- of verblijfplaats kende of diende te kennen van degene aan wie wordt betekend

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0732.N A.M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 19 april 2023 (nr. C/537/2023). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 5 maart 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 19 maart 2024 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 203 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 40, tweede lid, en 57, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: met het oordeel dat het beroepen verstekvonnis van 8 mei 2020 op 15 juni 2020 regelmatig werd betekend door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat het door de eiser op 25 januari 2021 aangetekende hoger beroep laattijdig en niet ontvankelijk is; de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een verstekvonnis kan slechts een aanvang nemen na een rechtsgeldige betekening van het verstekvonnis; de betekening van het verstekvonnis aan de procureur des Konings is ongeldig wanneer die laatste de woon- of verblijfplaats van degene aan wie moet worden betekend, kende of moest kennen; dit impliceert dat het openbaar ministerie op een loyale wijze opzoekingen dient te verrichten om die woon- of verblijfplaats te achterhalen en hiertoe in redelijkheid alle mogelijke stappen moet ondernemen; uit het aanvankelijk proces-verbaal en de uitnodiging tot verhoor blijkt dat de eiser een adres heeft te Tienen, zodat het openbaar ministerie eisers adres kon kennen en ook behoorde te kennen; de op 15 juni 2020 verrichte betekening aan de procureur des Konings is dan ook onregelmatig en kon de beroepstermijn niet doen lopen.
  2. In zoverre het middel aanvoert dat het openbaar ministerie eisers adres kon kennen en ook behoorde te kennen omdat dit blijkt uit het aanvankelijk proces-verbaal en de uitnodiging tot verhoor, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  3. Bij toepassing van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. De termijn om hoger beroep in te stellen tegen een verstekbeslissing kan evenwel niet verstrijken dan na een rechtsgeldige betekening van de veroordeling bij verstek.
  4. Wanneer een bij verstek gewezen vonnis aan de beklaagde bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt betekend door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie, begint de beroepstermijn de dag na die betekening te lopen. Het gegeven dat de beklaagde van die betekening geen kennis kreeg en slechts na die beroepstermijn voor het eerst kennis nam van zijn verstekveroordeling en van de betekening ervan, doet daaraan geen afbreuk en verhindert hem als dusdanig niet alsnog een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden.
  5. De betekening aan de procureur des Konings bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is evenwel niet rechtsgeldig wanneer die laatste de woon- of verblijfplaats kende of diende te kennen van degene aan wie wordt betekend.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser, wiens woonplaats aanvankelijk was gevestigd op een adres te Tienen, op 10 september 2019 werd afgevoerd van ambtswege, waarbij de verwijzing naar een afvoering van ambtswege op “29 oktober 1996” in het arrest een materiële vergissing betreft die moet worden gelezen als “10 september 2019”; - het beroepen verstekvonnis op 15 juni 2020 werd betekend bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Het arrest oordeelt aldus naar recht dat de betekening van het beroepen verstekvonnis op 15 juni 2020 bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, regelmatig is en het door de eiser op 25 januari 2021 aangetekende hoger beroep bijgevolg laattijdig en dienvolgens niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.