← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.15 Rolnummer: P.24.0001.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 773 - laatst gezien 2026-06-15 06:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 28ter, §2 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid en 40, §1, Wet Politieambt kunnen politieambtenaren die ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt feiten vaststellen die wijzen op het bestaan van een misdrijf, alvorens de procureur des Konings daarvan bij proces-verbaal in kennis te stellen, autonoom informatie inwinnen en vaststellingen doen om de procureur des Konings daarover op zo doelmatig mogelijke wijze voor te lichten

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Fiches 3 - 5 Aanleiding tot de proactieve recherche in de zin van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering is het enkel bestaan van een redelijk vermoeden van een misdrijf, dat een verkennende dader- en fenomeengerichte informatiegaring verantwoordt; daarentegen verplicht informatie over nog te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen; dat politieambtenaren overeenkomstig artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid, en 40, § 1, Wet Politieambt informatie inwinnen en vaststellingen doen tot voorlichting van de procureur des Konings over strafbare feiten die zij hebben vastgesteld, impliceert niet dat zij slechts een door verdere informatiegaring te bevestigen vermoeden van het plegen van die feiten hebben, zoals bepaald in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; de rechter oordeelt onaantastbaar of omwille van de reeds beschikbare informatie, met inbegrip van de nood tot concretisering ervan aan de hand van verdere informatiegaring, het stadium van het zuiver “redelijk vermoeden” wordt overstegen en er geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Fiche 6 Witwassen is een al dan niet voortdurend misdrijf waarbij de dader zich op een in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek bepaalde wijze gedraagt met betrekking tot vermogensvoordelen als bepaald in artikel 42, 3°, Strafwetboek; het misdrijf waaruit de vermogensvoordelen zijn voortgesproten dient niet te zijn gekend, in zoverre de rechter op grond van de feiten die hij vaststelt elke regelmatige herkomst of oorsprong van die goederen kan uitsluiten
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 10 Het bewijs van witwasmisdrijven valt onder de principieel vrije bewijswaardering eigen aan het strafrecht; de rechter kan zodoende het bestaan van een witwasmisdrijf onaantastbaar afleiden uit alle hem voorgelegde feitelijke elementen; een van die feitelijke elementen kan bestaan in een manifeste discrepantie tussen de klaarblijkelijke legale bestaansmiddelen van een persoon en zijn klaarblijkelijke levensstijl, zoals dit wordt gestaafd door de vaststellingen van de verbalisanten; aldus kan de vaststelling van een dergelijke discrepantie, naargelang de omstandigheden, een aanwijzing opleveren van een in tijd en ruimte bepaalbaar witwasmisdrijf, op grond waarvan de politiediensten autonoom verdere informatie kunnen inwinnen overeenkomstig artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid, en 40, § 1, Wet Politieambt
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0001.N J.R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 december
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastlegging A in zoverre deze betrekking heeft op het gebruik van valse stukken en het beperkt de bewezenverklaring van de telastlegging B.1, eerste streepje, tot 7.000,00 euro. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het initieel gevoerde opsporingsonderzoek een reactief onderzoek betreft en er aldus geen redenen bestaan om de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren of om over te gaan tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; uit de summiere gegevens over eisers voertuig tegenover zijn ogenschijnlijke bestaansmiddelen en de resultaten van de vervolgens door de politie autonoom gestelde onderzoekshandelingen kan het arrest niet wettig afleiden dat er hier sprake was van een reactief onderzoek, meer bepaald van concrete informatie waaruit zou voortvloeien dat er reeds naar alle waarschijnlijkheid een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf bestond; evenmin kan het arrest oordelen dat er in casu sprake is geweest van een redelijk vermoeden van een te plegen of reeds gepleegd misdrijf, zoals bepaald in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; er was ook geen voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur des Konings voor een proactieve recherche; het arrest verwijst ten onrechte naar de mogelijkheid tot autonoom optreden van politieambtenaren krachtens artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, 1°, en 40 Wet Politieambt; politiediensten kunnen immers enkel autonoom handelen in het kader van een reactief onderzoek, maar niet in het kader van een proactief onderzoek.
  4. Een onjuiste motivering kan een schending van de wet opleveren, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Artikel 28bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, bepaalt dat het opsporingsonderzoek het geheel van de handelingen is die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Het tweede lid preciseert de algemene beginselen volgens welke de politiediensten autonoom kunnen optreden. Op grond van het derde lid wordt het opsporingsonderzoek gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. Artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de officieren en agenten van gerechtelijke politie die op eigen initiatief handelen, de procureur des Konings inlichten over de gevoerde opsporingen binnen de termijn en op de wijze die deze bij richtlijn vastlegt. Artikel 15, eerste lid, Wet Politieambt bepaalt dat de politiediensten bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie onder meer als taak hebben de misdrijven op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen en daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden (1°) en het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden te bezorgen (4°). Overeenkomstig artikel 40, § 1, Wet Politieambt maken de klachten en aangiften ingediend bij de daar bedoelde diensten en de door deze diensten verkregen inlichtingen en gedane vaststellingen in verband met misdrijven, het voorwerp uit van processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheid worden overgezonden.
  6. Op grond van die bepalingen kunnen politieambtenaren die ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt feiten vaststellen die wijzen op het bestaan van een misdrijf, alvorens de procureur des Konings daarvan bij proces-verbaal in kennis te stellen, autonoom informatie inwinnen en vaststellingen doen om de procureur des Konings daarover op zo doelmatig mogelijke wijze voor te lichten.
  7. Artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het opsporingsonderzoek zich uitstrekt over de proactieve recherche, waaronder wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten.
  8. Aanleiding tot de proactieve recherche in de zin van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering is het enkel bestaan van een redelijk vermoeden van een misdrijf, dat een verkennende dader- en fenomeengerichte informatiegaring verantwoordt. Daarentegen verplicht informatie over nog te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen.
  9. Dat politieambtenaren overeenkomstig artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid, en 40, § 1, Wet Politieambt informatie inwinnen en vaststellingen doen tot voorlichting van de procureur des Konings over strafbare feiten die zij hebben vastgesteld, impliceert niet dat zij slechts een door verdere informatiegaring te bevestigen vermoeden van het plegen van die feiten hebben, zoals bepaald in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar of omwille van de reeds beschikbare informatie, met inbegrip van de nood tot concretisering ervan aan de hand van verdere informatiegaring, het stadium van het zuiver “redelijk vermoeden” wordt overstegen en er geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. Witwassen is een al dan niet voortdurend misdrijf waarbij de dader zich op een in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek bepaalde wijze gedraagt met betrekking tot vermogensvoordelen als bepaald in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Het misdrijf waaruit de vermogensvoordelen zijn voortgesproten dient niet te zijn gekend, in zoverre de rechter op grond van de feiten die hij vaststelt elke regelmatige herkomst of oorsprong van die goederen kan uitsluiten.
  12. Het bewijs van witwasmisdrijven valt onder de principieel vrije bewijswaardering eigen aan het strafrecht. De rechter kan zodoende het bestaan van een witwasmisdrijf onaantastbaar afleiden uit alle hem voorgelegde feitelijke elementen. Een van die feitelijke elementen kan bestaan in een manifeste discrepantie tussen de klaarblijkelijke legale bestaansmiddelen van een persoon en zijn klaarblijkelijke levensstijl, zoals dit wordt gestaafd door de vaststellingen van de verbalisanten. Aldus kan de vaststelling van een dergelijke discrepantie, naargelang de omstandigheden, een aanwijzing opleveren van een in tijd en ruimte bepaalbaar witwasmisdrijf, op grond waarvan de politiediensten autonoom verdere informatie kunnen inwinnen overeenkomstig artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid, en 40, § 1, Wet Politieambt.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Volgens het arrest (p. 11-15) vermeldt de lokale recherche van de politie Antwerpen onder de rubriek “Kort relaas van de feiten” in het aanvankelijk proces-verbaal AN.27.LB.057285/2019 van 17 mei 2019 het volgende: “Op 15/03/2019 vernemen wij uit politionele bron dat [de eiser] zich zou verplaatsen met een voertuig BMW i8 Roadster met de gepersonaliseerde nummerplaat […]. Het zou een zo goed als nieuw voertuig betreffen, met een nieuwprijs van 166.500,- Euro. [De eiser] zou volgens het Rijksregister geen beroep hebben en bij een eerdere politiecontrole zou betrokkene verklaard hebben dat hij 1.400,- Euro per maand zou verdienen.” Het arrest oordeelt verder dat: - de politie nazicht heeft gedaan in het rijksregister, in eisers gezinssamenstelling, gerechtelijke antecedenten en sociale media en in EuroDB, de DIV, de RVA en DOLSIS/DIMONA, alsmede een politionele bevraging in Nederland heeft gedaan; - de politie heeft vastgesteld dat uit eisers socialemediaberichten duidelijk bleek dat hij er een luxueuze levensstijl op nahield die niet overeenstemde met zijn officiële bestaansmiddelen (werkloosheidsuitkering); - hierop werd overgegaan tot het opstellen van het vermelde aanvankelijk proces-verbaal lastens de eiser wegens feiten van witwassen, dat op 21 mei 2019 werd afgesloten en overgemaakt aan het ambt van de procureur des Konings; - er vervolgens door de procureur des Konings bij kantschrift van 11 juni 2019 bijkomende opdrachten werden gegeven aan de politiediensten, er op 13 juni 2019 een bankvordering werd uitgeschreven en er op 10 juli 2019 een Europees onderzoeksbevel werd gericht aan Nederland; - op basis van de gegevens vermeld in dat aanvankelijk proces-verbaal voldoende precieze, in tijd en ruimte bepaalbare elementen voorlagen die wezen op een concreet misdrijf, met name witwassen; - de verdediging niet aannemelijk maakt dat, voorafgaand aan het verkrijgen van de vermelde informatie door de politie, er bepaalde onderzoekshandelingen zouden zijn gesteld zonder de vereiste machtigingen van de procureur des Konings of met overschrijding van de grenzen aan het autonoom inwinnen van informatie door een politieambtenaar en dit vooraleer de procureur des Konings op de hoogte te stellen over de ernst en draagwijdte van de aangifte of de inlichtingen die hij heeft ontvangen.
  15. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de aanvankelijke politionele vaststellingen over de discrepantie tussen eisers bestaansmiddelen en zijn levensstijl, zoals vermeld onder de rubriek “Kort relaas van de feiten” in het aanvankelijk proces-verbaal van 17 mei 2019, voldoende aanwijzingen opleverden van een in tijd en ruimte bepaalbaar witwasmisdrijf en dat de verbalisanten op die basis autonoom de in het arrest vermelde bijkomende informatie konden inwinnen en konden meedelen aan de procureur des Konings, die op deze basis verdere opsporingen kon gelasten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 166,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.