id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 15- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast.
Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 15
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 15- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1527.N I J.H., , beklaagde en burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. MACKIE DIAMONDS bv, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 2/438, beklaagde en burgerlijke partij, 2. A.M., beklaagde, verweerders, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie Brussel. II 1. MACKIE DIAMONDS bv, reeds vermeld, beklaagde en burgerlijke partij, 2. A.M., reeds vermeld, beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen J.H., reeds vermeld, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 oktober 2023. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers II voeren geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers II hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerder II, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. De cassatieberoepen II zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser I Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen houdende de taak van de rechter en houdende het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan het misdrijf van misbruik van vertrouwen, dat de eiser I op 19 december 2013 zou hebben gepleegd ten nadele van de verweerster I.1 met betrekking tot een diamant van 54,18 karaat (enige telastlegging zaak I); na zowel de stelling van de eiser I als de stelling van de verweerster I.1 omtrent hun respectieve zakelijke aanspraken op die diamant te hebben verworpen, verklaart het arrest de eiser I schuldig aan het vermelde misdrijf omdat de verweerster I.1 eigenaar van de diamant was krachtens het wettelijk vermoeden dat regelmatig bezit te goeder trouw geldt als titel, zoals neergelegd in de artikelen 2228, 2229, 2230 en 2279 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 3.18, 3.21, 3.23, 3.24, 3.26 en 3.28 Burgerlijk Wetboek; de eiser I kon noch hoefde zich te verwachten aan deze rechtstoepassing, die nergens in de procedure is aangevoerd; de eiser I heeft geen gelegenheid gekregen om standpunt in te nemen over de aan die rechtstoepassing ten grondslag liggende analyse van de feiten of het voldaan zijn aan de toepassingsvoorwaarden voor dit wettelijk vermoeden. 3. De strafrechter die moet oordelen over het bewezen zijn van een bij hem aanhangig gemaakt strafbaar feit en die dus moet onderzoeken of alle constitutieve bestanddelen vereist voor het vervolgde feit verenigd zijn, kan voor die beslissing alle feitelijke gegevens in aanmerking nemen die regelmatig zijn verkregen en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het recht van verdediging van de partijen verplicht de strafrechter die feiten of daarop toepasselijke rechtsregels in aanmerking wil nemen, die de partijen in hun verweer buiten beschouwing hebben gelaten, niet om de partijen daarvan te verwittigen teneinde hen de gelegenheid te geven om daarover standpunt in te nemen. De partijen kennen immers de beslissingsbevoegdheid van de strafrechter of moeten die kennen en zij moeten bij hun verdediging daarmee rekening houden. Die regel geldt ook indien de strafrechter bij toepassing van artikel 15 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beslist over een geschil van burgerlijk recht dat incidenteel voor hem wordt opgeworpen naar aanleiding van een bij hem aanhangig strafbaar feit. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Het arrest (p. 14) oordeelt: “Heden wordt, naar aanleiding van de beoordeling van het misdrijf misbruik van vertrouwen, een geschil van burgerlijk recht opgeworpen: [de eiser I] en [de eisers II] beweren, geheel of gedeeltelijk, op enig ogenblik (in eigen naam of in naam van een vennootschap) eigenaar te zijn geweest van een diamant van 123,35 karaat. Uit deze diamant werd een diamant van 54,18 karaat geslepen, en ook hiervan beweerden de beide partijen op 19 december 2013, geheel of gedeeltelijk, eigenaar te zijn geweest - daarbij voorhoudend dat de andere partij(
- en)geen zakelijke eigendomsrechten kon(den) doen gelden. (…) Het hof (van beroep) heeft rechtsmacht om te beslissen over dit geschil van burgerlijk recht. De beslechting van het geschil dat incidenteel wordt opgeworpen, is immers bepalend voor de beoordeling van een bij het hof (van beroep) aanhangig gemaakt misdrijf, namelijk voor de beoordeling op strafgebied in zaak I. Verder is de beslissing ook bepalend voor de beoordeling van de onderscheiden burgerlijke vorderingen op burgerlijk gebied in zaken I en II.” 5. Verder onderzoekt het arrest (p. 14-33, “4.3. Beslechting van een burgerlijk geschil” en p. 50-59, “4.4.2. Beoordeling van de schuld”) de zakenrechtelijke aanspraken die zowel de eiser I als de verweerster I.1 op basis van de door hen voorgelegde stukken laten gelden op de diamant van 54,18 karaat en oordeelt het daarover in essentie als volgt: - het is duidelijk dat wat betreft de invoer van de uitzonderlijke diamant van 123,35 karaat op duistere wijze werd gehandeld; - eensdeels is het volkomen onaannemelijk dat de verweerster I.1 de diamant van 123,35 karaat zou hebben aangekocht op de wijze die zij voorhoudt en anderdeels blijkt uit niets dat de eiser I op enig ogenblik eigenaar is geworden van de diamant van 123,35 karaat of de hieruit gewonnen diamant van 54,18 karaat; - aangezien behoudens de verweerster I.1 geen enkele partij positief enig zakelijk recht bewijst op de diamant van 54,18 karaat op de datum van het feit, moet de verweerster I.1 volgens de thans gekende informatie worden aanzien als de eigenaar van de diamant van 54,18 karaat op 19 december 2013; - ongeacht de vraag naar hoe en wanneer de diamant van 123,35 karaat Antwerpen en de Europese Unie werd ingevoerd en ongeacht de juistheid van haar desbetreffende boekhoudkundige rapportering, had de verweerster I.1 immers minstens op 9 juli 2013 het fysiek en juridisch bezit van de diamant van 123,35 karaat, die op 9 juli 2013 al in Antwerpen was en die op die datum door de verweerster I.1 aan W. werd overhandigd ter bewerking; - de eiser I heeft de diamant van 54,18 karaat, die hem ter bede was overhandigd om ze aan zijn dochter te laten zien, bedrieglijk ten nadele van de verweerster I.1 verduisterd en heeft daarbij aan eigenrichting gedaan. Aldus steunen de appelrechters hun beslissing over het eigendomsrecht van de diamant, waarop de beide partijen aanspraak maakten en waarover de appelrechters te oordelen hadden om de hen voorgelegde strafvordering en burgerlijke rechtsvordering in zaak I te beoordelen, op het gegeven dat de verweerster I.1, op het moment waarop de eiser I zich de diamant door middel van een feitelijkheid toe-eigende, de bezitter ervan was wiens eigendomsaanspraak voldeed aan de vereisten van de in het middel geciteerde burgerrechtelijke bepalingen. De eiser I diende te verwachten dat de appelrechters dat gegeven in hun oordeel zouden betrekken en hij diende daarmee rekening te houden bij zijn verdediging. Bijgevolg oordelen de appelrechters overeenkomstig hun taak en zonder dat zij het recht van verdediging van de eiser I miskennen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2228, 2229, 2230 en 2279 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 3.18, 3.21, 3.23, 3.24, 3.26 en 3.28 Burgerlijk Wetboek, en artikel 491 Strafwetboek: het arrest kan niet zonder miskenning van het wettelijk begrip “niet dubbelzinnig” oordelen dat het feitelijk onder zich hebben van de diamant van 123,35 karaat door de verweerster I.1 niet dubbelzinnig was; op grond van de vaststellingen die het onderdeel aanhaalt, kan immers niet eenduidig worden uitgesloten dat de verweerster I.1 die diamant niet onder een andere hoedanigheid dan als eigenaar aanhield en ermee omging. 7. Met de redenen zoals samengevat in het antwoord op het eerste onderdeel, de redenen waarnaar dit onderdeel verwijst en de redenen waarmee de appelrechters (arrest, p. 67-73) zich uitspreken over de zaak II, oordelen zij dat ongeacht de vaststellingen dat de verweerster I.1 haar inbezitstelling van de diamant niet aantoont met stukken en dat de verweerders I hun eigendomsrecht op de diamant met valse stukken hebben proberen aan te tonen, de verweerster I.1 de diamant op het moment van de toe-eigening ervan door de eiser I op een niet-dubbelzinnige wijze in haar bezit had omdat: “[De verweerster I.1] zich als eigenaar [gedroeg] door de diamant te hebben overhandigd aan een derde (zijnde [W.]), met als opdracht de diamant te gaan bewerken (slijpen in drie gepolijste diamanten). Niemand heeft ooit aangevoerd dat [de verweerster I.1] die opdracht aan [W.] niet mocht geven, en [W.] betwistte evenmin dat [de verweerster I.1] gemachtigd was instructies te geven over de bewerking van de steen. [De verweerster I.1] heeft nadien ook daadwerkelijk de factuur van [W.] (voor het slijpen van de steen) aanvaard en betaald” en “Onder het toenmalig geldende art. 2230 Burgerlijk Wetboek men steeds [werd] geacht voor zichzelf, en als eigenaar, te bezitten, tenzij bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten. Dit tegenbewijs ligt niet voor, zodat het besluit is dat per 9 juli 2013 [de verweerster I.1] het fysieke bezit had van de diamant van 123,35 karaat, als eigenaar en voor zichzelf. Het hof (van beroep) komt tot hetzelfde besluit aan de hand van het huidig geldende goederen- en bewijsrecht.” (arrest, p. 31-33) 8. Op grond van die redenen kan het arrest zonder miskenning van het wettelijk begrip “niet dubbelzinnig” oordelen dat de verweerster I.1 op het moment van het aan de eiser I ten laste gelegde misdrijf de regelmatige bezitter en derhalve de eigenaar van de diamant was. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 9. De aangevoerde schending van artikel 491 Strafwetboek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers bij appelconclusie aangevoerde verweer dat toepassing moet worden gemaakt van het adagium fraus omnia corrumpit omdat er geen sprake kan zijn van rechtsgeldige eigendomsaanspraken van de verweerster I.1, die valse stukken heeft gebruikt in een betrachting een onbestaand eigendomsrecht met betrekking tot de diamant te staven. 11. Het arrest (p. 48) oordeelt onder meer: “[Z]oals hoger geschetst oordeelt het hof (van beroep) dat de diamant van 123,35 karaat geen deel uitmaakte van de partij van 533,10 karaat die [de verweerster I.1] bij [L.D.] aankocht en die op 10 juli 2013 via [M.A.] bij DIAMOND OFFICE werd ingevoerd. Dit doet echter geen afbreuk aan het gelijktijdige besluit van het hof (van beroep) dat per 9 juli 2013 [de verweerster I.1] wél het fysieke en juridische bezit had van de diamant van 123,35 karaat - die op 9 juli 2013 al in Antwerpen was en die op die datum door [de verweerster I.1] aan [W.] werd overhandigd ter bewerking. Het hof (van beroep) aanziet [de verweerster I.1] daarom per 9 juli 2013 wel degelijk als eigenaar van de diamant (…).” 12. Verder oordeelt het arrest (p. 71): “De valsheden en het gebruik van de voormelde valse stukken waren (elk en tesamen) van aard om schade te kunnen berokkenen aan [de eiser I]. [De eiser I] zag zich geconfronteerd met stukken die volgens hem vals waren, en om de schijnbare waarachtigheid ervan te kunnen weerleggen diende hij zich bijkomende inspanningen te getroosten (waaronder kosten van onderzoek in Zuid-Afrika). Daarbij konden de valse geschriften ook de publieke rechtsorde schaden. De valse geschriften werden in het strafdossier aangewend omdat [de verweerders I] meenden dat de rechtbank (in brede, voormelde zin) overtuigd kon zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of het rechtsfeit daarin vastgelegd.” 13. Uit die redenen, alsook de redenen vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel, blijkt dat de appelrechters het voor de schuldigverklaring van de eiser I aan het misdrijf van misbruik van vertrouwen en zijn veroordeling tot schadevergoeding aan de verweerster I.1 op grond van dat misdrijf, niet relevant achten dat de verweerders I de als valsheid, gebruik van valse stukken en poging oplichting omschreven feiten (telastleggingen A en B van zaak II) hebben gepleegd om hun eigendomsrecht op de diamant aan te tonen. Bijgevolg dienden de appelrechters het doelloos geworden verweer van de eiser I inzake fraus omnia corrumpit niet meer als dusdanig te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 350,41 euro, waarvan op het cassatieberoep I 176,85 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 173,56 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.16 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150302.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div