← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.20 Rolnummer: P.24.0328.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 538 - laatst gezien 2026-06-18 09:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Krachtens artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet kan indien een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling is verworpen, een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan; met deze bepaling beoogt de wetgever het misbruik te vermijden dat kan worden gemaakt van de in artikel 27 Voorlopige Hechteniswet bedoelde procedure door het herhaald indienen van verzoekschriften; uit deze bepaling volgt dat de erin bepaalde wachttermijn afloopt na het verstrijken van een maand nadat definitief is beslist over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling en dus met inbegrip van de uitspraak over de rechtsmiddelen

(1); elk verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat vóór het verstrijken van die wachttermijn wordt ingediend, is niet ontvankelijk.
(1)Zie ook Cass. 19 oktober 2021, P.21.1235.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.25, AC 2021, nr. 661, NC 2022, 397; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1203-
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0328.N N.L., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het hof van beroep verklaart eisers tweede verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, gericht aan dat hof bij verzoekschrift van 1 maart 2024, niet ontvankelijk omdat het hof van beroep op die datum nog geen uitspraak had gedaan over eisers eerste verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, gericht aan dat hof bij verzoekschrift van 26 februari 2024; op 1 maart 2024 was de in artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalde wachttermijn echter nog niet aangevat; het arrest gaat dan ook uit van een wettelijk niet bepaalde wachttermijn; anders dan waarvan het arrest uitgaat, verlamt eisers tweede verzoek ook de voortgang van de procedure niet, gelet op de korte termijnen waarbinnen dergelijke verzoeken worden vastgesteld en behandeld.
  4. Krachtens artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet kan indien een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling is verworpen, een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan. Met deze bepaling beoogt de wetgever het misbruik te vermijden dat kan worden gemaakt van de in artikel 27 Voorlopige Hechteniswet bedoelde procedure door het herhaald indienen van verzoekschriften.
  5. Uit deze bepaling volgt dat de erin bepaalde wachttermijn afloopt na het verstrijken van een maand nadat definitief is beslist over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling en dus met inbegrip van de uitspraak over de rechtsmiddelen. Elk verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat vóór het verstrijken van die wachttermijn wordt ingediend, is niet ontvankelijk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.25 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.