← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.24 Rolnummer: P.24.0360.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 693 - laatst gezien 2026-06-15 06:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter vooraleer een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen; de voorafgaande ondervraging heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de verdachte over de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging te waarborgen

(1); de wetgever heeft niet nader bepaald hoe de voorafgaande ondervraging precies moet verlopen; het is niet noodzakelijk dat de onderzoeksrechter aan de verdachte gerichte vragen stelt; wel moet blijken dat de onderzoeksrechter de verdachte de gelegenheid heeft gegeven zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten; artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet verzet zich niet ertegen dat de onderzoeksrechter bij de voorafgaande ondervraging van de verdachte verwijst naar de eerder aan de politie afgelegde verklaringen van de verdachte en vraagt of de verdachte die verklaringen al dan niet bevestigt, voor zover aan de verdachte duidelijk is gemaakt welke de feiten zijn die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en de ondervraging door de politie daarop betrekking heeft
(2).
(1)Cass. 18 oktober 2023, AR P.23.1383.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231018.2F.12, AC 2023, nr. 664, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum, in Pas.
(2)Cass. 13 september 2022, AR P.22.1167.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.22, AC 2022, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0360.N I.VW., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Yen Buytaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter de eiser op een regelmatige wijze heeft ondervraagd voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding; de onderzoeksrechter heeft in wezen enkel gevraagd of hij eisers verklaring aan de politie dat hij met de feiten niets te maken heeft, correct samenvatte; de ondervraging door de onderzoeksrechter is een verhoor, zodat zij de vorm van een “geleide ondervraging” moet aannemen; dit betekent dat de onderzoeksrechter het verhoor leidt en de inverdenkinggestelde actief en inhoudelijk dient te ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen; bijgevolg kan de onderzoeksrechter niet volstaan met de vermelding van een loutere samenvattende zin naar aanleiding van het eerder afgelegde politieverhoor.
  4. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter vooraleer een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen.
  5. De voorafgaande ondervraging heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de verdachte over de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging te waarborgen.
  6. De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de voorafgaande ondervraging precies moet verlopen. Het is niet noodzakelijk dat de onderzoeksrechter aan de verdachte gerichte vragen stelt. Wel moet blijken dat de onderzoeksrechter de verdachte de gelegenheid heeft gegeven zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten.
  7. Artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet verzet zich niet ertegen dat de onderzoeksrechter bij de voorafgaande ondervraging van de verdachte verwijst naar de eerder aan de politie afgelegde verklaringen van de verdachte en vraagt of de verdachte die verklaringen al dan niet bevestigt, voor zover aan de verdachte duidelijk is gemaakt welke de feiten zijn die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en de ondervraging door de politie daarop betrekking heeft.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het proces-verbaal van verhoor van de eiser door de onderzoeksrechter vermeldt onder meer de telastleggingen waarover de eiser als verdachte zal worden ondervraagd, alsook het volgende: “[De eiser] legt op onze ondervraging de volgende verklaring af. (…) Ik blijf mijn verklaring bij de politiedienst bevestigen. U verwijst naar de feiten die mij ten laste worden gelegd en de verklaring die ik dienaangaande bij de politie heb afgelegd. U vraagt mij of u het correct samenvat dat ik stel niets met deze feiten te maken heb. Ik heb daar inderdaad niets mee te zien, bovendien is het zo dat ik in 2018 in Portugal was. Ik blijf daarbij.”
  10. Het arrest (p. 10) oordeelt: “Dit hof, kamer van inbeschuldigingstelling, stelt derhalve vast dat de onderzoeksrechter [de eiser], in tegenstelling tot hetgeen [de eiser] daaromtrent beweert, wel ondervroeg over de feiten die aan de beschuldigingen ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot afgifte van een bevel tot aanhouding. Dat [de eiser] tot tweemaal toe verklaarde dat hij bij zijn verklaring die hij aflegde voor de politiediensten bleef toont net aan dat de onderzoeksrechter hem wel ondervroeg over de feiten die aan de beschuldigingen ten grondslag liggen. De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de door artikel 16, § 2, eerste lid van de Wet op de Voorlopige Hechtenis bedoelde ondervraging moet verlopen. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging (…). Ten overvloede stelt dit hof (van beroep) vast dat [de eiser] uitgebreid de gelegenheid kreeg om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten, zoals blijkt uit hetgeen [de eiser] en zijn raadsman daaromtrent lieten akteren op het einde van het verhoor.”
  11. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4° en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: met de enkele overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie beantwoordt het arrest niet eisers precieze verweer over het ontbreken van ernstige aanwijzingen van schuld; bovendien vermeldt de vordering van het openbaar ministerie quasi geen feitelijke argumenten die de ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de eiser staven; die vordering poneert wat de eiser betreft enkel dat hij “een cruciale rol lijkt te spelen” en dat het “lijkt dat hij allerhande hand- en spandiensten verricht", waaronder het “uitvoeren van financiële verrichtingen en het bijhouden van de “boekhouding” van de schijnbare bende”; die redenen heeft de eiser in zijn appelconclusie aan de hand van feitelijke gegevens betwist, waarop het arrest niet antwoordt.
  13. Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, dat overeenkomstig artikel 30, § 3, derde lid, van die wet ook van toepassing is in hoger beroep, moet het onderzoeksgerecht antwoorden op de conclusies van de partijen. Het onderzoeksgerecht moet, indien partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld onder vermelding van feitelijke gegevens betwisten, ingeval van handhaving van de voorlopige hechtenis, preciseren welke gegevens dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken.
  14. Het onderzoeksgerecht kan het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld motiveren aan de hand van de overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, wanneer het oordeelt dat die redenen tegemoet komen aan de vermelde wettelijke vereisten en zij een antwoord vormen op het concreet door de verdachte aangevoerde verweer.
  15. Het onderzoeksgerecht dat binnen een korte termijn moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet bovendien niet tot in de bijzonderheden een verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie oordeelt het arrest (p. 4) zoals het middel vermeldt, alsook dat bij de huiszoeking contante geldsommen en relevante documenten werden aangetroffen. Het (p. 7) oordeelt eveneens dat de eiser zich als vader en vertrouwenspersoon van de leider lijkt te hebben ingeschakeld in een georganiseerde bende die zich door middel van de schijnbare uitbuiting van de seksuele handelingen door kwetsbare jonge vrouwen van aanzienlijke inkomsten voorziet en dat het gemakkelijke geldgewin en de loyauteit voor zijn zoon hem daartoe lijkt te hebben aangezet. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser en is het regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.22 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231018.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.