← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 3

.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 8

Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 8

Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 8

Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 3

.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling

Art. 8Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1729.N M.E.M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Verbelen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 21 februari 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 19 maart 2024 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (hierna Richtlijn 2010/64/EU), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, meer specifiek van het recht om kennis te nemen van het dossier en het recht om zichzelf te verdedigen, met name het recht op vertaling van bepaalde stukken van het strafdossier: het arrest oordeelt dat het recht van verdediging van de eiser niet is miskend omdat het strafdossier na de voeging van bijkomende stukken volledig is en alle informatie bevat die de eiser nodig heeft voor de uitoefening van zijn verdediging, zonder dat er nog verdere gegevens uit het Noors in het Nederlands moeten worden vertaald; evenwel zijn enkel de tapgesprekken vertaald waaraan de eiser zelf heeft deelgenomen en niet de andere gesprekken, terwijl ook die gesprekken relevant en noodzakelijk zijn om de volledige context en inhoud van het dossier te kunnen begrijpen; bovendien zijn niet alle door het openbaar ministerie bijkomend gevoegde processen-verbaal van verhoor volledig vertaald; het Belgische onderzoek is gebaseerd op de vaststellingen van het Noorse onderzoek, waarvan er aldus slechts een beperkte, door het openbaar ministerie geselecteerde vertaling voorligt; hierdoor wordt aan de eiser de kans ontnomen om zijn recht van verdediging naar behoren uit te oefenen, wordt artikel 3 Richtlijn 2010/64/EU geschonden en heeft de eiser onvoldoende tijd en faciliteiten gekregen om zijn verdediging nuttig te organiseren, zoals nochtans vereist door artikel 6.3.b en 6.3.c EVRM; meer bepaald is het de eiser onmogelijk om eventuele tegenspraak te voeren over delen uit het strafdossier waarvan er geen vertaling voorligt en kan de eiser niet beoordelen of er geen relevante gegevens uit het strafdossier werden weggelaten (eerste onderdeel); het Belgische strafonderzoek heeft slechts een aanvang genomen door en dus na de vaststellingen van de Noorse autoriteiten; bijgevolg moeten de resultaten van het Noorse strafonderzoek volledig aan de tegenspraak van de eiser kunnen worden onderworpen; doordat alle stukken zijn opgesteld in een taal waarvan de eiser zelfs geen noties heeft, kon het hof van beroep dan ook niet wettig oordelen dat de eiser zelf de stelling diende te onderbouwen dat de inhoud van alle in het Noorse dossier uitgevoerde telefoontaps noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke uitoefening van zijn recht van verdediging (tweede onderdeel).
  3. Artikel 6.3.c EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  4. De artikelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4 en 8 Richtlijn 2010/64/EU bepalen: “3.
  5. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. 3.
  6. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. 3.
  7. De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn. De verdachte of beklaagde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek met deze strekking indienen. 3.
  8. Onderdelen van essentiële processtukken die niet relevant zijn om de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te laten nemen, hoeven niet te worden vertaald.
  9. Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of een afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit het Handvest van het grondrecht van de Europese Unie, uit andere relevante bepalingen van het internationale recht of uit de wetten van de lidstaten die een hoger beschermingsniveau bieden.”
  10. Uit die bepalingen volgt dat, behoudens voor wat betreft de stukken bedoeld in artikel 3.2 Richtlijn 2010/64/EU, die steeds worden geacht essentieel te zijn, de rechter onaantastbaar oordeelt over het al dan niet essentiële karakter van stukken voor de effectieve uitoefening van het recht van verdediging. De rechter kan daarbij alle relevante omstandigheden ter vrijwaring van dat recht in aanmerking nemen, met inbegrip van de aannemelijkheid van het verweer van een beklaagde dat zijn recht van verdediging wordt miskend indien bepaalde stukken niet zouden worden vertaald.
  11. De omstandigheid dat de vervolging van een beklaagde is gebaseerd op vaststellingen die afkomstig zijn van een buitenlands strafdossier dat is opgesteld in een andere taal dan de taal van de rechtspleging, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat alle uit het buitenlandse dossier afkomstige stukken moeten worden vertaald in de taal van de rechtspleging. Evenmin ontslaat die omstandigheid de beklaagde ervan zijn aanvoering aannemelijk te maken dat zijn recht van verdediging vereist dat bepaalde door hem aangewezen stukken worden vertaald. De rechter oordeelt daarover eveneens onaantastbaar.
  12. Noch uit artikel 6 EVRM, noch uit enig algemeen rechtsbeginsel volgt voor de rechter een ruimere verplichting om in de vertaling van stukken te voorzien.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest (p. 7-10) stelt onder meer vast wat volgt: - de eiser werd in Noorwegen veroordeeld tot gevangenisstraf wegens de invoer van drugs vanuit Nederland of Zweden naar Noorwegen; - na de overname van de strafuitvoering door de Belgische Staat verbleef de eiser in een Belgische gevangenis tot hij op 9 november 2016 naar Marokko werd gerepatrieerd; - de feiten waarvoor de eiser thans wordt vervolgd, situeren zich tijdens zijn verblijf in een Belgische gevangenis; - op 28 februari 2014 vernemen de verbalisanten van de Noorse autoriteiten dat er sterke aanwijzingen zijn dat de eiser vanuit de Belgische gevangenis verschillende drugtransporten organiseert vanuit Nederland naar Noorwegen; - bijkomend wordt vernomen dat V., die bij verschillende drugtransporten was betrokken, naar aanleiding van een verhoor door de Noorse politie spontaan heeft verklaard dat de eiser de persoon is die de transporten organiseert en dat zij contacten onderhielden via het gsm-nummer +32(…); - uit de stukken verkregen van de Noorse autoriteiten blijkt verder dat dezelfde V. tijdens zijn verhoor op 12 december 2013 uiteen heeft gezet hoe hij in de periode juni 2012 tot juli 2013 vier transporten heeft uitgevoerd van Nederland naar Noorwegen. De leverancier in Nederland met wie hij telefonische contacten onderhield wil hij niet bij naam noemen, maar is de persoon opgeslagen in zijn gsm onder "[Q.]" of "M". Voor het overige verwijst de omschrijving van deze persoon volledig naar de eiser. Vervolgens oordeelt het arrest onder meer als volgt: - het recht op een eerlijk proces, zoals verwoord in artikel 6 EVRM en zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, impliceert inderdaad dat een beklaagde recht heeft op een vertaling van de stukken van het strafdossier die essentieel zijn om zijn verdediging effectief te kunnen voeren; - de eiser beperkt zich ertoe te stellen dat de “inhoud van alle telefoontaps” die zijn uitgevoerd in het Noorse dossier “noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke uitvoering van de rechten van verdediging”, maar vermeldt verder geen enkele reden waarop deze stelling is gesteund. Het feit dat een gesprek in het kader van een gerechtelijk onderzoek wordt afgeluisterd, impliceert niet dat het meteen ook een relevant gesprek is of een essentieel stuk uitmaakt waarvan de vertaling noodzakelijk is voor de verdediging; - noch in conclusie, noch tijdens de mondelinge uiteenzetting ter rechtszitting werd de betrokkenheid van de eiser betwist bij de zeven drugtransporten omschreven in de beide telastleggingen. De eiser betwist enkel zijn rol binnen de vereniging bedoeld in artikel 2bis Drugwet en in de telastlegging B en binnen de criminele organisatie omschreven in de telastlegging A; - teneinde de hoedanigheid van de eiser binnen deze criminele organisatie, respectievelijk vereniging, te bepalen zijn de weergaves van de relevante gesprekken waaraan de eiser heeft deelgenomen, zoals hierna samengevat weergegeven, essentieel. Dat is in dit dossier niet het geval voor wat anderen desgevallend over hem zouden hebben verklaard. De inhoud van de gesprekken waaraan de eiser zelf heeft deelgenomen, zijn immers dermate duidelijk dat men niet inziet wat andere gesprekken hieraan nog zouden kunnen toevoegen; - bijgevolg bevat het strafdossier alle informatie die de eiser nodig heeft voor de uitoefening van zijn verdediging en werd deze informatie vertaald naar een taal die hij begrijpt. Het recht van verdediging is bijgevolg niet miskend en er is geen reden om de strafvordering onontvankelijk of vervallen te verklaren. Het gerechtelijk onderzoek en het daaruit voortvloeiend strafdossier zoals het, na voeging van bijkomende stukken, voorligt, zijn volledig en de zaak is dan ook in staat van wijzen. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  15. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op een eerlijk proces en meer specifiek het daarin vervatte recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge: het arrest wijst ten onrechte eisers verzoek tot het horen van V. op de rechtszitting af doordat het de criteria volgend uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met het horen van getuigen à charge onjuist toepast; V. is de getuige die ten aanzien van de eiser belastende verklaringen heeft afgelegd in het kader van een Noors onderzoek, dat op zijn beurt aan de basis ligt van het Belgisch onderzoek; het arrest oordeelt dat het recht van verdediging van de eiser ondanks het niet-horen van die getuige ter rechtszitting gevrijwaard is gebleven, onder meer omdat de verklaringen van de betrokkene geen doorslaggevend element bij de beoordeling van de rol van de eiser binnen de vereniging dan wel de criminele organisatie zijn, maar enkel de vaststellingen bevestigen die blijken uit de overige elementen van het strafdossier; de eiser verwijst echter naar de beschikking van de onderzoeksrechter van 15 november 2016, waarbij deze uitdrukkelijk heeft gesteld dat de eiser terecht heeft opgemerkt dat een confrontatie met V. een meerwaarde betekent in dit dossier; de eiser verwijst naar zijn appelsyntheseconclusie, waarin werd geciteerd uit een proces-verbaal van de Noorse politie van 12 september 2013; dat proces-verbaal bevat een samenvatting van de verklaring van V.; het is op basis van die informatie dat een Belgisch strafrechtelijk onderzoek werd opgestart en dat de eiser van bij aanvang werd beschouwd als leidend persoon binnen de criminele organisatie; bijgevolg zijn er onvoldoende compenserende elementen voorhanden om de beslissing tot het niet-horen van de getuige à charge V. te verantwoorden.
  17. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  18. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  19. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken, verplicht is een persoon die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt.
  20. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen.
  21. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met de vermelde criteria in hun onderling verband gelezen, te oordelen of het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, van een beklaagde wordt miskend door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor die beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.
  22. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing.
  23. Na te hebben vastgesteld dat de eiser zijn betrokkenheid bij de drugtransporten niet heeft betwist, maar enkel zijn rol binnen de vereniging bedoeld in artikel 2bis Drugswet, dan wel binnen de criminele organisatie, oordeelt het arrest (p. 10-11) als volgt: - V. is onvindbaar gebleken zowel voor de Belgische als voor de Noorse autoriteiten, zodat het openbaar ministerie niet kan worden verweten deze niet te hebben opgeroepen. Op dit ogenblik is er zelfs geen enkele zekerheid dat de betrokkene nog in leven is. Overigens heeft de eiser zelf niet het minste initiatief genomen om de betrokkene te dagvaarden om te verschijnen als getuige; - in zoverre de eiser zich erover beklaagt niet te zijn geconfronteerd met V., moet erop worden gewezen dat hij nauwelijks 15 dagen na zijn verzoek hiertoe op grond van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering te hebben gericht aan de onderzoeksrechter, op zijn verzoek naar Marokko werd uitgewezen en sedertdien geen enkele rechtszitting nog persoonlijk heeft bijgewoond. Een confrontatie tussen beiden ter rechtszitting was en is bijgevolg in ieder geval uitgesloten; - de mogelijke hinder die de eiser heeft ondervonden bij de uitoefening van zijn verdediging ten aanzien van de verklaringen van V. in verband met de rol die de eiser zou hebben vervuld bij de zeven geïdentificeerde drugstransporten, werd ruimschoots gecompenseerd door onder meer de volgende elementen: - de eiser werd tijdens zijn verhoor op 21 mei 2015 geconfronteerd met de verklaringen van V. en heeft desbetreffend zijn standpunt kunnen uiteenzetten, overigens zonder door V. te kunnen worden tegengesproken; - hetzelfde geldt overigens ook voor de weergave van de afgeluisterde gesprekken tussen beiden, waarvan de eiser kennis heeft kunnen nemen en die zijn verdediging heeft kunnen duiden tijdens de behandeling van de zaak voor de eerste rechter en voor het hof van beroep; - de verklaringen van V., zoals hierna zal blijken, zijn geen doorslaggevend element bij de beoordeling van de rol die de eiser vervulde binnen de vereniging, respectievelijk criminele organisatie, maar bevestigen enkel de vaststellingen die blijken uit de overige elementen van het strafdossier; - aldus is het recht van verdediging gevrijwaard gebleven en is er ook hier geen reden om de strafvordering onontvankelijk dan wel vervallen te verklaren. Vervolgens vermeldt het arrest (p. 11-15) een geheel van feitelijke gegevens, in het bijzonder verkregen uit het telefonie-onderzoek, waaruit de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten en zijn rol binnen deze feiten blijken.
  24. Hieruit volgt dat de appelrechters de drie criteria bij hun beoordeling hebben betrokken en dat ze deze correct hebben toegepast, zodat hun beslissing om V. niet als getuige op de rechtszitting te horen, naar recht verantwoord is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  26. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.