id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 187, §6, 1° Wetboek van Strafvordering en de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht
(1); die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven
(2).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38, met concl. OM; Cass. 17 juni 2020, AR P.19.1223.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3, AC 2020, nr. 407, met concl. OM; Cass. 17 september 2019, AR P.18.1192.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1, AC 2019, nr. 461; Cass. 9 mei 2018, AR P.17.1114.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2, AC 2018, nr. 297; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2018, 309 noot E. DE ROOS, T.Strafr. 2018, 240, noot T. DECAIGNY; GwH 21 december 2017, nr. 148/2017, B.35.2; GwH 18 november 2021, nr. 159-2021; B.3, www.const-court.be; A. WINANTS, “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, NC 2018, 38-43; K. DE BACKER, “Het verzet in strafzaken: een verdere verruiming van de wettige reden van verschoning door het Hof van Cassatie”, NC 2019, 548-553; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1679-1687.
(2)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38, met concl. OM; Cass. 17 juni 2020, AR P.19.1223.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3, AC 2020, nr. 407, met concl. OM; Cass. 17 september 2019, AR P.18.1192.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1, AC 2019, nr. 461; Cass. 3 april 2019, AR P. 19.0032.F, AC 2019, nr. 206, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., NC 2019, 548 noot K. DE BACKER, JLMB 2019, noot F. KUTY. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht
(1); de enkele omstandigheid dat een beklaagde, die kennis heeft van de dagvaarding in de tegen hem gevoerde strafprocedure en zich op de inleidingszitting liet vertegenwoordigen door een raadsman, zich onttrekt aan de uitvoering van een hem eerder opgelegde straf en de vlucht neemt, belet hem niet om persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de strafprocedure noch om zijn raadsman te mandateren teneinde hem bij die behandeling te vertegenwoordigen; die omstandigheid houdt als zodanig dan ook geen wettige reden van verschoning in ter rechtvaardiging van zijn verstek zoals bedoeld in artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering
(2).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38, met concl. OM; Cass. 29 december 2020, AR P.20.0832.N, RW 2021-2022, 167.
(2)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38, met concl. OM; Cass. 29 december 2020, AR P.20.0832.N, RW 2021-2022, 167; EHRM 23 juli 2020, Chong Coronado t/Andorra, § 30, www.echr.coe.int. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1713.N A.V.D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 187 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht van de rechter: met het oordeel dat eiser op de hoogte was van de rechtsdag van 11 januari 2023 aangezien de door hem gemandateerde raadsman aanwezig was op de inleidingszitting van 29 juni 2022 en hij dus kennis had van die rechtsdag, waarop de eiser niet aanwezig was omdat hij enkele maanden voordien zijn enkelband had doorgeknipt en was ontvlucht, wat geen wettige reden van verschoning inhoudt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing om eisers verzet tegen het verstekarrest van 8 februari 2023 ongedaan te verklaren, niet naar recht; de appelrechters stellen aldus immers niet wettig vast dat de eiser zich niet kan beroepen op een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek; het door een beklaagde tegen een hem veroordelende verstekbeslissing aangetekend verzet kan maar ongedaan worden verklaard wanneer vaststaat dat de beklaagde heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of dat hij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht; de laksheid van een beklaagde volstaat niet om aan te nemen dat hij effectief afstand heeft gedaan van zijn recht van verdediging; de eiser was aanwezig bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg en was ook vertegenwoordigd op de inleidingszitting voor het hof van beroep, wat aantoont dat hij geen afstand deed van zijn recht van verdediging; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de eiser zijn enkelband heeft doorgeknipt, aangezien de vrijheidsdrang aangeboren is en een niet te onderdrukken kracht inhoudt waaraan de eiser niet kon weerstaan; dit verklaart ook waarom de wet geen straffen stelt op een gedetineerde die poogt te ontsnappen.
- Het middel specificeert niet waarom het arrest de motiveringsverplichting miskent. In zoverre is het middel, bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk.
- Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, de mogelijkheid moet hebben om de zaak opnieuw en ditmaal in haar aanwezigheid te laten beoordelen, tenzij vaststaat dat zij heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of zij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht.
- Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Uit diezelfde wetsgeschiedenis en de voormelde door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht. Die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.
- Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht.
- De enkele omstandigheid dat een beklaagde, die kennis heeft van de dagvaarding in de tegen hem gevoerde strafprocedure en zich op de inleidingszitting liet vertegenwoordigen door een raadsman, zich onttrekt aan de uitvoering van een hem eerder opgelegde straf en de vlucht neemt, belet hem niet om persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de strafprocedure noch om zijn raadsman te mandateren teneinde hem bij die behandeling te vertegenwoordigen. Die omstandigheid houdt als zodanig dan ook geen wettige reden van verschoning in ter rechtvaardiging van zijn verstek zoals bedoeld in artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 8-10) oordeelt als volgt: - dat de eiser kennis heeft gehad van zijn dagvaarding voor het hof van beroep, blijkt uit het gegeven dat hij zijn toenmalige raadsman heeft gemandateerd om hem op de inleidingszitting van 29 juni 2022 te vertegenwoordigen, hetgeen ook gebeurde. Het aspect van kennisname van de initiële dagvaarding wordt thans door de eiser overigens niet betwist; - op de inleidingszitting van 29 juni 2022 werden op verzoek van de raadsman van de eiser conclusietermijnen bepaald en werd de rechtsdag vastgelegd op 11 januari 2023; - op deze laatste rechtszitting was de eiser evenwel niet persoonlijk aanwezig, noch werd hij er vertegenwoordigd. Uit het proces-verbaal van die rechtszitting blijkt dat zijn raadsman voorafgaandelijk telefonisch aan het hof van beroep had laten weten zonder instructie te zijn. De zaak werd ten aanzien van de eiser bij verstek behandeld, hetgeen resulteerde in het verstekarrest van 8 februari 2023; - in de procedure op verzet beweert de eiser nu dat hij een wettige reden van verschoning had ter rechtvaardiging van zijn verstek; - het blijkt dat de eiser enkele maanden voordien, toen hij in uitvoering van zijn straf in een andere zaak onder elektronisch toezicht stond, zijn enkelband had doorgeknipt en was ontvlucht. De eiser werd pas terug aangetroffen op 4 september 2023; - de eiser stelt nu dat hij tijdens zijn ontvluchting onbereikbaar was voor zijn advocaat en dat hij geen kennis had van de rechtsdag van 11 januari 2023; - de eiser stelt dan ook dat hij door zijn verstek niet heeft willen afzien van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen en dat hij zich evenmin heeft willen onttrekken aan het gerecht; - de door de eiser ingeroepen feitelijke omstandigheden leverden voor hem geen geval van overmacht op. Hij heeft zijn voorgehouden onbereikbaarheid zelf gecreëerd en had deze omstandigheden kunnen voorzien. Hij had deze zelfs gemakkelijk kunnen vermijden door tijdig zijn nieuwe woon- of verblijfplaats aan zijn advocaat mee te delen, dan wel door na de inleidingszitting zelf te informeren naar de rechtsdag bij zijn advocaat of bij de griffie; - de door de eiser aangevoerde feitelijke omstandigheden leveren naar het oordeel van het hof van beroep geen wettige reden van verschoning op die zijn verstek kunnen rechtvaardigen; - deze omstandigheden maakten het voor hem in ieder geval niet onmogelijk om persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak voor het hof van beroep, noch om desgewenst zijn advocaat opnieuw te mandateren om hem te vertegenwoordigen; - na kennisneming van de dagvaarding in hoger beroep had de eiser aan zijn advocaat het mandaat gegeven om op de inleidingszitting conclusietermijnen en een rechtsdag te vragen. De eiser wist dus dat tijdens die rechtszitting de rechtsdag bekend zou worden gemaakt. De eiser heeft nadien noch bij zijn advocaat, noch bij de griffie geïnformeerd naar de rechtsdag; - hieruit leidt het hof van beroep af dat de eiser, die bovendien zijn enkelband had doorgeknipt en vervolgens was ondergedoken waardoor hij zich bewust en vrijwillig onbereikbaar maakte, de wens had om afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen, dan wel minstens de wens had om zich te onttrekken aan het gerecht; - geen van de voorliggende gegevens, inlichtingen of stukken maken aannemelijk dat het verstek van de eiser onafhankelijk was van zijn wil. Hij had onmiskenbaar de gelegenheid om deel te nemen aan zijn proces, maar heeft die kans vrijwillig en doelbewust onbenut gelaten, zodat hij thans niet kan aanvoeren dat zijn veroordeling bij verstek een miskenning inhield van zijn recht op een eerlijk proces. Aldus is de beslissing dat de eiser zich niet kan beroepen op een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek en zijn verzet tegen het verstekarrest van 8 februari 2023 bijgevolg ongedaan is, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div