← België

BELGISCHE STAAT contra LASHING INTERNATIONAL bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240321.1N.1 Rolnummer: F.23.0019.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra LASHING INTERNATIONAL bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 573 - laatst gezien 2026-06-19 02:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240321.1N.1 Fiche 1 Een mededeling is vereist alvorens de douaneschuld kan worden ingevorderd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 221, eerste lid - 32 Link Justel databank 19921012-32 Fiches 2 - 3 Inzake douane en accijnzen is de mededeling bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is; het bestuur moet bijgevolg in de mededeling de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor de mededeling wordt uitgestuurd; de motivering van een bestuurshandeling is afdoende in de zin van artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen wanneer de beslissing voldoende door de motivering wordt gedragen; een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 221, eerste lid - 32 Link Justel databank 19921012-32 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 221, eerste lid - 32 Link Justel databank 19921012-32 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Fiche 4 Aangezien de mededeling de belastingschuld concretiseert, is vereist dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk worden gemaakt; niet vereist is dat de mededeling verwijst naar de precieze artikelen en het opschrift van de toepasselijke regelgevingen; het volstaat dat de mededeling de belastingplichtige toelaat om, eventueel na het inwinnen van juridisch advies, de toepasselijke wetsbepalingen te achterhalen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Fiche 5 De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wetsbepaling staan eraan in de weg dat na het opstellen van de mededeling bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW, het bestuur nieuwe argumenten en feitelijke gegevens aanvoert; die argumenten en gegevens kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in de mededeling reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot die belastingschuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Tekst van de beslissing Nr. F.23.0019.N BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijke Directeur Douane en Accijnzen Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen LASHING INTERNATIONAL bv, met zetel te 9240 Zele, Voermanstraat 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0422.870.807, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187 bus 302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 november
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 22 februari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  2. De verweerster werpt een eerste grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel is gericht tegen een ten overvloede gegeven reden.
  3. Door het aannemen van de grieven uit het tweede onderdeel zijn de redenen waarop het eerste onderdeel kritiek uitoefent, niet langer overtollig. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  4. De verweerster werpt een tweede grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel komt op tegen de feitelijke beoordeling dat de mededeling van de douaneschuld niet afdoende was gemotiveerd en met name niet alle informatie bevatte om de verweerster in staat te stellen zich met kennis van zaken te verdedigen.
  5. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is niet te scheiden van het onderzoek naar de gegrondheid ervan. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  6. Krachtens artikel 221, lid 1, CDW dient het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden meegedeeld.
  7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat de mededeling aan de schuldenaar van het verschuldigd bedrag aan rechten beoogt hem passende informatie te waarborgen en hem in staat te stellen zijn rechten met kennis van zaken te verdedigen (HvJ 23 februari 2006, C-201/04, Molenbergnatie, r.o. 54; HvJ 28 januari 2010, C-264/08, Direct Parcel Distribution Belgium, r.o. 29).
  8. Krachtens artikel 2 Wet Motivering Bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen van bepaalde besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Krachtens artikel 3 van deze wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet deze afdoende zijn. Inzake douane en accijnzen is de mededeling bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is. Een mededeling is immers vereist alvorens de douaneschuld kan worden ingevorderd. Het bestuur moet bijgevolg in de mededeling de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor de mededeling wordt uitgestuurd. Aangezien de mededeling de belastingschuld concretiseert, is vereist dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk worden gemaakt. Niet vereist is dat de mededeling verwijst naar de precieze artikelen en het opschrift van de toepasselijke regelgevingen. Het volstaat dat de mededeling de belastingplichtige toelaat om, eventueel na het inwinnen van juridisch advies, de toepasselijke wetsbepalingen te achterhalen.
  9. De appelrechter die oordeelt dat de kennisgevingen van 15 juli 2008, 5 december 2008 en 5 april 2011, evenals de beschikkingen tot betaling van 27 mei 2011 ten onrechte verwijzen naar de Verordening nr. 1796/1999 van 12 augustus 1999, dewelke sinds 17 november 2005 vervangen was door de Verordening nr. 1858/2005, zodat een foute juridische grondslag voor de opgelegde antidumpingheffingen worden aangehaald, en vervolgens mede op grond daarvan oordeelt dat deze kennisgevingen en beschikkingen gebrekkig zijn gemotiveerd, om deze reden nietig dienen te worden verklaard en er bijgevolg geen sprake kan zijn van een regelmatige mededeling van de douaneschuld in de zin van artikel 221, lid 1, CDW, zonder na te gaan of deze tekortkoming de belastingplichtige heeft verhinderd om, eventueel na het inwinnen van juridisch advies, de toepasselijke wetsbepalingen te achterhalen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
  10. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel komt op tegen de feitelijke beoordeling dat de mededeling van de douaneschuld niet alle noodzakelijke elementen bevatte om de verweerster in staat te stellen zich met kennis van zaken te verdedigen.
  11. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is niet te scheiden van het onderzoek naar de gegrondheid ervan. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen Gegrondheid
  12. De motivering van een bestuurshandeling is afdoende in de zin van artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen wanneer de beslissing voldoende door de motivering wordt gedragen. Een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de motivering afdoende is. Het Hof gaat niettemin na of de rechter hierbij de wettelijke motiveringsplicht niet heeft miskend.
  13. De feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbare feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, behoren niet tot de motivering van de mededeling bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW, zijnde de juridische en feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de belastingschuld, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wetsbepaling staan eraan in de weg dat na het opstellen van de mededeling bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW, het bestuur nieuwe argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Die argumenten en gegevens kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in de mededeling reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot die belastingschuld.
  14. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de fiscale administratie met de brieven van 15 juli 2008, 5 december 2008 en 5 april 2011 aan de verweerster meedeelde dat een douaneschuld was ontstaan; - de kennisgevingen van 15 juli 2008 en 5 december 2008 en de beschikking van 27 mei 2011 inzake het geschil gekend onder AR 2015/982/A in eerste aanleg niet voldoen aan de vereiste motiveringsverplichting; - in de kennisgevingen van 15 juli 2008 en 5 december 2008 slechts wordt aangehaald dat “[v]olgens informatie die wij hebben ontvangen” de exporteur van de goederen geen producent was, doch slechts invoerder en dat de goederen van China afkomstig waren, en op geen enkele wijze wordt verduidelijkt waarop deze bewering is gebaseerd en welke de aangehaalde informatie zou zijn; - uit de stukken trouwens blijkt dat onmogelijk een deugdelijke motivering kon worden gegeven op dat moment, aangezien de diensten van de eiser zelf niet in het bezit waren van afdoende informatie, aangezien uit het administratief dossier blijkt dat het eerste stuk waarbij hieromtrent inhoudelijke informatie werd ontvangen, het OLAF-rapport van 7 januari 2011 was; - het zodoende vaststaat dat de kennisgevingen van 15 juli 2008 en 5 december 2008 compleet gebrekkig gemotiveerd zijn doordat de feitelijke gegevens op basis waarvan de administratie meende te moeten oordelen dat de staaldraad in kwestie van China afkomstig was, niet worden aangehaald, en de verweerster hieromtrent dan ook geen verweer kon voeren; - ook in de beschikking van 27 mei 2011, hoewel de fiscale administratie op dat moment kennis had van voornoemd OLAF-rapport, dezelfde gebrekkige formulering wordt aangehaald: “[v]olgens informatie die wij hebben ontvangen…”, en nergens wordt verwezen naar het OLAF-rapport in kwestie en de bevindingen waarop deze beschikking is gebaseerd; - elke informatie omtrent de productie van de kwestieuze staalkabels in de voormelde kennisgevingen en beschikking ontbreekt; - het slechts voor het eerst in de beslissing van 16 december 2014, waarbij over het bezwaar van de verweerster uitspraak werd gedaan, is dat wordt verwezen naar een onderzoek van OLAF, de motivering in feite hieromtrent in deze beslissing niet minder dan 5 bladzijden omvat, waarin allerhande feitelijkheden worden aangehaald waarvan de verweerster nooit voordien kennis heeft gekregen, en door deze wijze van optreden de administratie de motiveringsverplichting heeft geschonden en daardoor bovendien het recht op administratief beroep compleet werd uitgehold, aangezien de verweerster niet op de hoogte kon zijn van de feitelijkheden die aan de ingevorderde schuld ten grondslag lagen en zij hieromtrent slechts bij de uitspraak over haar bezwaar op de hoogte werd gebracht; - voorgaande overwegingen ook opgaan voor de beschikking van 27 mei 2011 inzake het geschil in eerste aanleg gekend onder AR 2015/1074/A; - in de beschikking van 27 mei 2011, hoewel de diensten van de eiser op dat moment van voornoemd OLAF-rapport kennis hadden, dezelfde gebrekkige feitelijke motivering werd aangehaald: “[v]olgens informatie die wij hebben ontvangen”, en nergens wordt verwezen naar het OLAF-rapport en de bevindingen waarop deze beschikking is gebaseerd; - nochtans in de brief van 5 april 2011 wel melding werd gemaakt van het OLAF-onderzoek, maar die brief het motiveringsgebrek in de beschikking van 27 mei 2011 niet kan rechtzetten, aangezien deze niet bij de beschikking gevoegd was en de administrateur der Douane en Accijnzen bovendien expliciet stelt dat de beschikking van 27 mei 2011 als kennisgeving van de douaneschuld in de zin van artikel 221, lid 1, CDW geldt; - ook in deze beschikking elke informatie omtrent de productie van de kwestieuze staalkabels ontbreekt.
  15. De appelrechter die mede op grond van deze redenen oordeelt dat voormelde kennisgevingen en beschikkingen gebrekkig zijn gemotiveerd, ze om deze reden nietig dienen te worden verklaard en bijgevolg geen sprake kan zijn van een regelmatige mededeling van de douaneschuld in de zin van artikel 221, lid 1, CDW, vereist aldus voor de rechtsgeldigheid van deze kennisgevingen en beschikkingen dat de administratie de belastingplichtige de feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbare feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, zou meedelen. Aldus verantwoordt hij zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  16. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de kennisgevingen van 15 juli 2008, 5 december 2008 en 5 april 2011 en de beschikking van 27 mei 2011 nietig verklaart en het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 21 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240321.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240321.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.