id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Uit artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de betekening van een verstekbeslissing in opdracht van het openbaar ministerie aan de veroordeelde slechts mag gebeuren op de in die bepaling omschreven wijze indien het openbaar ministerie geen kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde; of het openbaar ministerie die kennis kon hebben, moet worden beoordeeld door na te gaan of het openbaar ministerie redelijkerwijze de nodige stappen heeft gezet om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde te achterhalen en de rechter oordeelt in het licht van de concrete elementen van de zaak onaantastbaar of het openbaar ministerie kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 19 maart 2024, AR P.23.0732.N, AC 2024, nr. 230, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13; Cass. 22 november 2022, AR P.22.0378.N, AC 2022, nr. 746, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 7 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel, maar die voorwaarden mogen er evenwel niet toe leiden dat het recht van toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast; het vastleggen van een termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing, waarbij de aanvangsdatum voor die termijn de datum van de regelmatige betekening van die verstekbeslissing is, beoogt een goede rechtsbedeling en rechtszekerheid en die voorwaarde dient dan ook een wettig doel en is redelijk verantwoord in het licht van dat doel. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 8 - 11 De omstandigheid dat de beroepstermijn begint te lopen vanaf de regelmatige betekening en dit ongeacht of de persoon aan wie is betekend daadwerkelijk kennis heeft genomen van de verstekbeslissing, tast zijn recht op toegang tot de rechter in de kern niet aan; de regelmatige betekening van de verstekbeslissing doet niet enkel de termijn ingaan om hoger beroep aan te tekenen, maar ook de termijn van verzet en indien de betekening niet aan de persoon van de beklaagde is gebeurd vervolgens de buitengewone termijn van verzet en derhalve beschikt de betrokkene over een toegang tot de rechter zoals vereist door artikel 6.1 EVRM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0972.N H.G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven, tegen J.M. en S.N., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van ADVISIO EUROPE bv, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 1 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 203 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 40, tweede lid, en 57 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters kunnen het hoger beroep van de eiser niet onontvankelijk verklaren door te verwijzen naar het verstrijken van de beroepstermijn; uit de stukken waarop het Hof vermag acht slaan, blijkt dat de verwerende partij het e-mailadres van de eiser kende en kon doorgeven aan het openbaar ministerie; aangezien uit het strafdossier niet blijkt dat daadwerkelijk moeite werd ondernomen om de dagvaarding of het vonnis aan te bieden aan de woning van de eiser kon de betekening niet plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.
- Wanneer een beklaagde bij verstek is veroordeeld, moet de verklaring van hoger beroep, ingeval het exploot in strafzaken niet kan worden betekend zoals bepaald in de artikelen 33 tot 35 Gerechtelijk Wetboek en de gerechtsdeurwaarder het afschrift van het exploot, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, heeft betekend aan het openbaar ministerie, worden gedaan uiterlijk dertig dagen na deze betekening.
- Heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening volgens artikel 40, tweede lid, eerste zin, Gerechtelijk Wetboek gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt.
- Uit artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de betekening van een verstekbeslissing in opdracht van het openbaar ministerie aan de veroordeelde slechts mag gebeuren op de in die bepaling omschreven wijze indien het openbaar ministerie geen kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde. Of het openbaar ministerie die kennis kon hebben, moet worden beoordeeld door na te gaan of het openbaar ministerie redelijkerwijze de nodige stappen heeft gezet om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde te achterhalen.
- De rechter oordeelt in het licht van de concrete elementen van de zaak onaantastbaar of het openbaar ministerie kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 4-5) oordeelt dat: - het verstekvonnis op 9 november 2020 werd betekend door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; - de betekening op deze wijze gebeurde omdat de eiser op dat ogenblik geen gekende woon- of verblijfplaats in België of in het buitenland had; - uit de gegevens van het rijksregister, zoals gevoegd bij de dagvaarding in hoger beroep, bleek dat de eiser op 29 januari 2018 ambtshalve werd geschrapt op zijn laatste adres, en dat hij pas vanaf 27 oktober 2021 een nieuw gekend adres had; - de eiser, gevraagd naar de mogelijke laattijdigheid van het hoger beroep, op de rechtszitting heeft verklaard dat hij gedurende deze periode in een caravan woonde.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het openbaar ministerie niet op de hoogte was van of diende te weten wat de werkelijke woon- of verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de eiser was op het ogenblik van de betekening van het verstekvonnis en dat de betekening mocht gebeuren aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: door te oordelen dat het hoger beroep van de eiser laattijdig werd ingesteld en aldus onontvankelijk is, werd hem het recht op een eerlijk proces ontzegd; er ligt geen bewijs voor van een betekening, laat staan van een kennisgeving, van het verstekvonnis aan de eiser; de eiser is pas later onrechtstreeks in kennis gesteld van het vonnis en heeft onmiddellijk hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis zodra hij daarvan op de hoogte was; artikel 6.1 EVRM vereist dat het recht op vordering of op beroep moet worden uitgeoefend zodra de belanghebbenden effectief kennis hebben kunnen nemen van de rechterlijke beslissingen die hen een last opleggen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de betekening van het verstekvonnis niet regelmatig is, moet het om de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen worden verworpen.
- Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen er evenwel niet toe leiden dat het recht van toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast.
- Het vastleggen van een termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing, waarbij de aanvangsdatum voor die termijn de datum van de regelmatige betekening van die verstekbeslissing is, beoogt een goede rechtsbedeling en rechtszekerheid. Die voorwaarde dient dan ook een wettig doel en is redelijk verantwoord in het licht van dat doel.
- De omstandigheid dat de beroepstermijn begint te lopen vanaf de regelmatige betekening en dit ongeacht of de persoon aan wie is betekend daadwerkelijk kennis heeft genomen van de verstekbeslissing, tast zijn recht op toegang tot de rechter in de kern niet aan. De regelmatige betekening van de verstekbeslissing doet niet enkel de termijn ingaan om hoger beroep aan te tekenen, maar ook de termijn van verzet en indien de betekening niet aan de persoon van de beklaagde is gebeurd vervolgens de buitengewone termijn van verzet. Derhalve beschikt de betrokkene over een toegang tot de rechter zoals vereist door artikel 6.1 EVRM.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div