id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 8
.2 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 8
.3 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 9
.2 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 8
.2 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 8
.3 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 9
.2 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0348.N M.D., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Zouhaier Chihaoui, advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, vrijwillig tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 maart 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.2, 8.3.b), 8.3.
- c)en 9.2 van de Richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna Opvangrichtlijn) en artikel 74/5, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het gegeven dat de beslissing tot vasthouding niet expliciet naar de artikelen 8.2 en 8.3.
- b)Opvangrichtlijn verwijst, geen vormgebrek vormt die de geldigheid ervan aantast; de pertinente juridische gronden op basis waarvan de vrijheidsberoving wordt bevolen zijn immers niet opgenomen in de nationale wetgeving, meer bepaald niet in artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingwet, waarnaar wordt verwezen, maar wel in artikel 8.3.
- b)Opvangrichtlijn; de feitelijke motivering stemt bovendien volledig overeen met deze laatste rechtsgrond (eerste onderdeel); de appelrechters vermelden geen correcte rechtsgrond aangezien zij verwijzen naar het risico op onderduiken dat zit vervat in artikel 8.3.
- b)Opvangrichtlijn dat niet van toepassing is (tweede onderdeel). 2. Artikel 8.2 Opvangrichtlijn bepaalt dat, in de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, de lidstaten een verzoeker in bewaring mogen houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 3. Volgens artikel 8.3 Opvangrichtlijn mag een verzoeker alleen in bewaring worden gehouden, onder meer:
- b)om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker;
- c)om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. 4. Artikel 9.2 Opvangrichtlijn bepaalt dat bewaring schriftelijk wordt bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. In het bevel tot bewaring worden de feitelijke en juridische gronden vermeld waarop het gebaseerd is. 5. Artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 van de wet gestelde voorwaarden te voldoen en een verzoek om internationale bescherming doet aan de grens mag worden vastgehouden, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, in afwachting van de machtiging om in het Rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied. Artikel 74/6, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bepaalt dat, wanneer het, op basis van een individuele beoordeling, nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, de minister of zijn gemachtigde een verzoeker om internationale bescherming, in een welbepaalde plaats in het Rijk kan vasthouden, om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de verzoeker niet zou worden vastgehouden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker. 6. De artikelen 56 en 57 van de wet van 21 november 2017 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, hebben de artikelen 74/5 en 74/6 Vreemdelingenwet gewijzigd of ingevoegd. Uit de wetsgeschiedenis van deze wet vloeit voort dat de wetgever artikel 8.3.
- c)Opvangrichtlijn heeft omgezet, om de administratieve overheid toe te laten een verzoeker van internationale bescherming, die niet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied voldoet, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied vast te houden, alsook om “in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker [van internationale bescherming] om het grondgebied te betreden”, zoals het vermelde artikel 8.3.
- c)het voorziet. Uit deze wetsgeschiedenis vloeit ook voort dat de gronden voor de in artikel 8.3 Opvangrichtlijn bedoelde bewaring in het Belgisch recht worden omgezet door het nieuwe artikel 74/6, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet, met uitzondering van de gronden van bewaring, bedoeld in
- c)en
- f)van artikel 8.3 Opvangrichtlijn. Deze laatste zijn omgezet door het vermelde artikel 74/5, § 1, 2°, Vreemdelingenwet en door artikel 51/5 van die wet. 7. Uit de tekst van artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de administratieve overheid, in de beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, waar de verzoeker van internationale bescherming tracht binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 van de wet gestelde voorwaarden te voldoen, moet vermelden dat er sprake is van een risico op onderduiken. 8. Evenmin volgt uit de tekst van artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet of uit de wetsgeschiedenis ervan, dat de administratieve overheid in de beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, waar de verzoeker van internationale bescherming tracht binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 van de wet gestelde voorwaarden te voldoen, geen melding mag maken van een risico op onderduiken. Als zij dat wel doet, is zij echter niet verplicht artikel 8.3.
- b)Opvangrichtlijn in deze beslissing tot vasthouding te vermelden als bijkomende rechtsgrond. 9. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.19 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240221.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div