← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.22 Rolnummer: P.24.0410.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-06-18 18:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De in vrijheid gelaten verdachte in de zin van artikel 28, § 1, Voorlopige Hechteniswet, is de persoon die ter beschikking werd gesteld van de onderzoekrechter, die hem heeft ondervraagd en hem bij toepassing van artikel 61bis Wetboek van Strafvordering de ernstige aanwijzingen van schuld ter kennis heeft gebracht, maar tegen wie hij geen hechtenistitel heeft verleend; die bepaling is bijgevolg niet toepasselijk wanneer de betrokkene, nadat hij door de politie werd gearresteerd, op bevel van de procureur des Konings in vrijheid werd gesteld en niet ter beschikking werd gesteld van de onderzoeksrechter

(1).
(1)Cass. 11 januari 2012, AR P.12.0023.F, AC 2012, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120111.12; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, I, 1120-
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 2 Een rechter in de rechtbank van eerste aanleg die bij toepassing van artikel 99ter, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt aangewezen om zijn ambt uit te oefenen in het hof van beroep, dient niet te voldoen aan de vereisten die gelden voor de vervanging van een verhinderde raadsheer in het hof van beroep zoals bedoeld in artikel 321 Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 99ter, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 321 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0410.N E.M.G., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat de onderzoeksrechter geen nieuwe en ernstige omstandigheden in aanmerking dient te nemen om een bevel tot aanhouding uit te vaardigen tegen een verdachte die, na te zijn gearresteerd op bevel van de procureur des Konings, door die laatste in vrijheid werd gesteld, verantwoordt het arrest niet naar recht de beslissing dat het tegen de eiser uitgevaardigde bevel tot aanhouding regelmatig is; wanneer de procureur des Konings een verdachte laat arresteren en hem vervolgens opnieuw in vrijheid laat, kan de onderzoeksrechter slechts een aanhoudingsbevel uitvaardigen wanneer er nieuwe en ernstige omstandigheden zijn die deze maatregel noodzakelijk maken; de eiser werd gearresteerd op 22 februari 2024 om 11.10 uur en op 11.25 uur weer vrijgelaten, zodat hij niet zonder nieuwe en ernstige omstandigheden op 23 februari 2024 om 15.45 uur opnieuw kon worden gearresteerd om vervolgens op 24 februari 2024 onder aanhoudingsmandaat te worden gesteld.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  5. Volgens artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter in elke stand van de zaak een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. In dit laatste geval vermeldt het bevel de nieuwe en ernstige omstandigheden die de aanhouding wettigen.
  6. De in vrijheid gelaten verdachte in de zin van die bepaling is de persoon die ter beschikking werd gesteld van de onderzoekrechter, die hem heeft ondervraagd en hem bij toepassing van artikel 61bis Wetboek van Strafvordering de ernstige aanwijzingen van schuld ter kennis heeft gebracht, maar tegen wie hij geen hechtenistitel heeft verleend. Die bepaling is bijgevolg niet toepasselijk wanneer de betrokkene, nadat hij door de politie werd gearresteerd, op bevel van de procureur des Konings in vrijheid werd gesteld en niet ter beschikking werd gesteld van de onderzoeksrechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt dat: - de eiser aanvoert dat hij reeds op 22 februari 2024 werd gearresteerd maar door de procureur des Konings terug in vrijheid werd gesteld; - de eiser op 23 februari 2024 om 15.45 uur op bevel van de procureur des Konings werd gearresteerd; - de procureur des Konings op 24 februari 2024 de onderzoeksrechter heeft gevorderd om een gerechtelijk onderzoek te voeren en een aanhoudingsmandaat tegen de eiser af te leveren; - de onderzoeksrechter op 24 februari 2024 tegen de eiser een bevel tot aanhouding heeft afgeleverd dat diezelfde dag om 15.45 uur aan de eiser werd betekend. Op grond van die vaststellingen is het oordeel dat artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet niet van toepassing is, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 8.1, 9°, en 8.29 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het uitlezen en de analyse van de camerabeelden nieuwe en ernstige omstandigheden opleverden, verantwoordt het arrest niet naar recht de beslissing dat het bevel tot aanhouding regelmatig is; hierdoor miskent het arrest immers het rechtsbegrip van het feitelijk vermoeden; de camerabeelden bevestigden slechts wat de eiser voordien reeds had bekend; hierdoor wordt ook eisers recht op een eerlijke behandeling van de zaak miskend.
  9. Het middel komt op tegen het oordeel dat er is voldaan aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding bij toepassing van artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet. Met de redenen, vermeld in het antwoord op het eerste middel, verantwoordt het arrest evenwel naar recht het oordeel dat artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet niet van toepassing is. Het middel kan aldus niet tot cassatie leiden en is bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 321 Gerechtelijk Wetboek: het arrest werd mede gewezen door rechter B.C., die rechter is in de rechtbank van eerste aanleg en geen raadsheer in het hof van beroep, zodat hij niet kon worden aangeduid om een verhinderde raadsheer te vervangen; de zetel die het arrest heeft gewezen is aldus niet regelmatig samengesteld.
  11. Bij toepassing van artikel 99ter, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de eerste voorzitter van het hof van beroep naargelang van de behoeften van de dienst een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, benoemd in het rechtsgebied, met zijn instemming opdragen zijn ambt uit te oefenen in het hof van beroep. Een rechter die wordt aangewezen bij toepassing van die bepaling dient niet te voldoen aan de vereisten die gelden voor de vervanging van een verhinderde raadsheer in het hof van beroep zoals bedoeld in artikel 321 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het arrest (p. 7) vermeldt dat het behalve door een kamervoorzitter en een raadsheer in het hof van beroep te Gent mede werd gewezen door B.C., “rechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, bij beschikking van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent van 9 februari 2024 opdracht gegeven om vanaf 5 maart 2024 tijdelijk en bijkomend zijn ambt uit te oefenen in het hof van beroep te Gent, dit tot wanneer hij, na te zijn benoemd tot raadsheer in het hof van beroep te Gent, de eed zal hebben afgelegd van raadsheer in het hof van beroep te Gent”. Aldus blijkt uit het arrest dat het werd gewezen door een regelmatig samengestelde zetel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120111.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.