← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.5 Rolnummer: P.23.1765.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 768 - laatst gezien 2026-06-19 02:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Een verhoor van een persoon in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is een geleide ondervraging over misdrijven die ten laste kunnen worden gelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar vermeld in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden, maar die bepaling is daarentegen niet van toepassing op loutere mededelingen die in een proces-verbaal worden vermeld naar aanleiding van een buurtonderzoek dat enkel bedoeld is om na te gaan of er van de ten laste gelegde feiten getuigen zijn

(1).
(1)Zie Cass. 5 november 2019, AR P.19.0384.N, AC 2019, nr. 566, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1; Cass. 28 mei 2019, AR P.19.0127.N, AC 2019, nr. 330, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 4 Overeenkomstig artikel 31, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, doen de politieambtenaren die een tijdens het vooronderzoek de gebruikte taal niet kennen beroep op de medewerking van een beëdigde tolk; de rechter oordeelt onaantastbaar of een politieambtenaar een gebruikte taal niet machtig is. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1765.N E.K., , alias E.K., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Lennert Dierickx, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het in eisers mobiele telefoon geregistreerde tijdstip waarop twee naaktfoto’s van A.S. werden genomen, niet exact kan zijn; uit het technisch onderzoek van zijn telefoon blijkt daarentegen op objectieve wijze dat de foto’s werden genomen omstreeks 14.00.06 uur en 14.00.31 uur; uit niets blijkt dat die analyse niet correct zou zijn; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het navolgend proces-verbaal nr. 2087/23 dat die vaststellingen vermeldt en schuift het een cruciaal element à décharge van de eiser terzijde.
  4. De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen daarvan, eventueel in samenhang met de stukken waarnaar die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem beoordeelde akte maakt.
  5. Het arrest (p. 11) stelt vast dat de in het middel bedoelde foto’s slechts na uitlezing met software in eisers mobiele telefoon konden worden aangetroffen als “screennailcache” en dat volgens de tijdslijn op die telefoon een foto genomen zou zijn om 14.00.06 uur en de andere foto om 14.00.31 uur. Vervolgens oordeelt het arrest (p. 16) dat de tijdsaanduiding op de foto’s (14.00 uur) kennelijk onmogelijk exact kan zijn, gelet op wat de eiser daarover zelf heeft verklaard.
  6. Met die reden geeft het arrest geen uitlegging van het bedoelde proces-verbaal, maar leidt het enkel een feitelijk en een juridisch gevolg eruit af. Bijgevolg kan het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  7. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het voormelde proces-verbaal. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de tijdsaanduiding op de foto’s van A.S. in eisers mobiele telefoon (14.00 uur) kennelijk onmogelijk exact kan zijn, is als antwoord op zijn verweer over de geloofwaardigheid van zijn verklaringen niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest poneert dat oordeel eenvoudigweg, zonder enige motivering of precisering over de marge van die onjuistheid; bovendien is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd doordat het die telefoniegegevens enerzijds als betrouwbare elementen à charge, maar anderzijds ook als onmogelijk exacte elementen à décharge beschouwt.
  9. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, dat betrekking heeft op de motivering van de strafmaat, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen.
  11. Het arrest (p. 11) grondt het in het middel aangehaalde oordeel op de vaststellingen dat de in het middel bedoelde foto’s slechts na uitlezing met software in eisers mobiele telefoon konden worden aangetroffen als “screennailcache” en dat “[de eiser] zelf verklaarde, in zijn tweede verklaring, dat hij de foto’s pas nam nadat zij voor de tweede keer seksuele betrekkingen hadden, wat hij situeerde omstreeks 19.00 uur. A.S. was duidelijk bang en in shock na de feiten.” Met die redenen vermeldt het arrest wel degelijk waarom het tot het bedoelde oordeel is gekomen en preciseert het daarover een tijdsmarge. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  12. Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet als redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen. Dat is niet het geval met de oordelen, eensdeels, dat de tijdsaanduiding op de foto’s van A.S. kennelijk niet exact kunnen zijn, en, anderdeels, dat het op grond van die foto’s en alle andere telefoniegegevens in samenhang met meerdere verklaringen onmogelijk was dat de eiser reeds in de namiddag aanwezig was in het appartement van A.S. om er seksuele betrekkingen met toestemming te hebben. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 31, tweede lid, en 32, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het in dubio pro reo-beginsel: tijdens het vooronderzoek voerde een verbalisant een buurtonderzoek uit; het arrest oordeelt ten onrechte dat een bevraging bij dergelijk buurtonderzoek niet kan worden gelijkgesteld met een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en dat daarbij weliswaar één bevraging in het Frans en zonder tolk gebeurde, maar dat de daarbij geuite mededelingen geen tweetaligheid of bijzondere kennis van de Franse taal van de verbalisant vergden; door die getuigenverklaring niettemin toe te laten, miskent het arrest eisers recht van verdediging.
  14. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 6.2 EVRM schendt en het in dubio pro reo-beginsel miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  15. Een verhoor van een persoon in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is een geleide ondervraging over misdrijven die ten laste kunnen worden gelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar vermeld in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden. Die bepaling is daarentegen niet van toepassing op loutere mededelingen die in een proces-verbaal worden vermeld naar aanleiding van een buurtonderzoek dat enkel bedoeld is om na te gaan of er van de ten laste gelegde feiten getuigen zijn.
  16. Artikel 32, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken dat betrekking heeft op het verhoren van getuigen, is vreemd aan de aangevoerde grief.
  17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Artikel 31, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat politieambtenaren die een tijdens het vooronderzoek gebruikte taal niet kennen, beroep moeten doen op de medewerking van een beëdigde tolk. De rechter oordeelt onaantastbaar of een politieambtenaar een gebruikte taal niet machtig is.
  19. Het arrest oordeelt: “Er bleek één persoon te zijn die geen Nederlands sprak, maar wel de Franse taal machtig was. De inspecteur vermeldde wat hij uit het relaas van die persoon begreep. Het ging kennelijk niet om mededelingen die een bijzondere kennis van de Franse taal vergen. Het is dus niet aannemelijk gemaakt dat dit relaas onjuist zou zijn.” In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk.
  20. In zoverre het middel de schending van artikel 6.1 EVRM en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces afleidt uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen, is het evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.