id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0053.N M.C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Elisabeth Vanpeteghem, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 24 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 11 maart 2024 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 26 maart 2024 heeft raadsheer Jos Decoker verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters miskennen hun motiveringsplicht; de uitgesproken straf, zijnde het opleggen van de vier herstelexamens en -onderzoeken wordt geenszins gemotiveerd; de appelrechters verwijzen naar de overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft de opgelegde geldboete en het opgelegde rijverbod, maar maken hiervan geen melding voor wat betreft de opgelegde vier herstelexamens en -onderzoeken; uit de lezing van het bestreden vonnis blijkt ook duidelijk dat de overschrijding van de redelijke termijn niet in overweging wordt genomen voor het opleggen van de herstelexamens en -onderzoeken.
- De rechter bepaalt bij overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak het meest passende herstel voor het door de beklaagde hierdoor geleden nadeel. Dit meest passende herstel kan, naast een eenvoudige schuldigverklaring, bestaan in het uitspreken van de bij wet bepaalde straffen voor zover de rechter al die straffen of een of meerdere van die straffen op een reële en duidelijke wijze vermindert in vergelijking met de straffen die hij zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn.
- De verplichting op grond van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, om het herstel tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor de vier herstelexamens en -onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 38, § 3 Wegverkeerswet, is geen bijkomende straf maar een beveiligingsmaatregel. Daaruit volgt dat een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden geremedieerd door het niet opleggen van deze maatregel.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden en sluit zich op dit punt aan bij de motivering van de eerste rechter maar oordeelt, anders dan de eerste rechter, dat naast de geldboete een effectief verval van het recht tot sturen, weliswaar onder het wettelijk minimum, moet worden opgelegd om de eiser het wederrechtelijk karakter van de gepleegde feiten te doen inzien en hem ervan te doen afzien in de toekomst gelijkaardige feiten te plegen. Het bestreden vonnis oordeelt verder dat overeenkomstig artikel 38, § 6, Wegverkeerswet het herstel tot sturen afhankelijk wordt gesteld van het slagen voor de vier herstelexamens en -onderzoeken.
- Door een rijverbod op te leggen onder het wettelijk minimum vermindert het bestreden vonnis aldus de opgelegde bestraffing ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn op een duidelijke en reële wijze en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240326.2N.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div