id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, maar wel een woonplaats of verblijfplaats in het buitenland, stuurt de gerechtsdeurwaarder, volgens artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, in de versie die van toepassing was op het moment van de betekening aan de beklaagde
(1), het afschrift van de te betekenen akte bij een ter post aangetekende brief, gebeurlijk met de luchtpost, aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en volgens het eerste lid, in fine, van dit artikel wordt de betekening geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs.
(1)De betekening geschiedde in casu vóór de wijziging van artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek door artikel 2 van de wet van 26 december 2022 betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken (BS 30 december 2022). Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 6 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel, maar die voorwaarden mogen er evenwel niet toe leiden dat het recht van toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast; het vastleggen van een termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing, waarbij de aanvangsdatum voor die termijn de datum van de regelmatige betekening van die verstekbeslissing is, beoogt een goede rechtsbedeling en rechtszekerheid en die voorwaarde dient dan ook een wettig doel en is redelijk verantwoord in het licht van dat doel. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 10 De omstandigheid dat de beroepstermijn begint te lopen vanaf de regelmatige betekening en dit ongeacht of de persoon aan wie is betekend daadwerkelijk kennis heeft genomen van de verstekbeslissing, tast zijn recht op toegang tot de rechter in de kern niet aan; de regelmatige betekening van de verstekbeslissing doet niet enkel de termijn ingaan om hoger beroep aan te tekenen, maar ook de termijn van verzet en indien de betekening niet aan de persoon van de beklaagde is gebeurd vervolgens de buitengewone termijn van verzet en derhalve beschikt de betrokkene over een toegang tot de rechter zoals vereist door artikel 6.1 EVRM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0950.N V.M., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven, tegen
- J.DG., burgerlijke partij, verweerder,
- DLV INVEST nv, met zetel te 8800 Roeselare, Delaerestraat 9, burgerlijke partij, verweerster,
- ALPHA CREDIT nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 8, bus C, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 38, 40, eerste lid, en 57 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters kunnen het hoger beroep niet onontvankelijk verklaren wegens laattijdigheid door als aanvangsdatum van de termijn voor het hoger beroep te verwijzen naar de datum waarop het exploot van betekening per post werd verstuurd; artikel 40, eerste lid, in fine, Gerechtelijk Wetboek moet immers ook in strafzaken zo worden uitgelegd dat ten aanzien van de geadresseerde voor de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden de datum van reële ontvangst van de akte geldt; deze interpretatie van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek werd ook gecodificeerd door de wet van 26 december 2022; er ligt ter zake geen bewijs voor dat de zending van het afschrift van het verstekvonnis daadwerkelijk werd aangeboden aan de eiseres, noch dat de Belgische of Nederlandse postdiensten daadwerkelijk een poging hebben ondernomen om deze zending uit te reiken; de reële ontvangst van de akte door de eiseres kon niet worden vastgesteld.
- In zoverre het onderdeel een schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, preciseert het niet waarin het motiveringsgebrek bestaat. In zoverre is het onderdeel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De toepasselijke termijn voor hoger beroep tegen een veroordeling bij verstek neemt slechts een aanvang vanaf de rechtsgeldige betekening van die veroordeling. De rechtsgeldigheid van die betekening moet worden beoordeeld volgens de wetsbepalingen die van toepassing zijn op het moment van de betekening.
- Ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, maar wel een woonplaats of verblijfplaats in het buitenland, stuurt de gerechtsdeurwaarder, volgens artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, in de versie die van toepassing was op het moment van de betekening aan de eiseres, het afschrift van de te betekenen akte bij een ter post aangetekende brief, gebeurlijk met de luchtpost, aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland. Volgens het eerste lid, in fine, van dit artikel wordt de betekening geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 7-8) oordeelt dat: - het beroepen verstekvonnis werd betekend op 4 december 2020; aangezien de eiseres toen noch woon- noch verblijfplaats in België had, werd een afschrift van het exploot van betekening bij een ter post aangetekend stuk, vergezeld van een antwoordkaart, toegestuurd en geadresseerd aan haar woon- of verblijfplaats te Nederland met toepassing van het (oude) artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat werd gewijzigd door de wet van 26 december 2022; - het bewijs van afgifte van de postdiensten van 4 december 2020 werd gehecht aan het origineel en berust in het strafdossier; - de eiseres stelt in besluiten dat zij op 1 juni 2022 naar aanleiding van een verhoor in kennis werd gesteld van de veroordelingen die lastens haar werden uitgesproken; - de wet van 22 december 2022 heeft geen terugwerkende kracht. De appelrechters die op die gronden oordelen dat het beroepen verstekvonnis rechtsgeldig werd betekend aan de eiseres, verantwoorden aldus hun beslissing naar recht dat het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters miskennen de bewijskracht van het betekeningsexploot door te stellen dat het bewijs van de afgifte aan de postdiensten werd gehecht aan het origineel betekeningsexploot en in het strafdossier berust; het aangehechte document is het afgiftebewijs terwijl voor een rechtsgeldige betekening overeenkomstig artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek het relevant is dat de betekening via aangetekend schrijven is gebeurd tegen ontvangstbewijs.
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen.
- Het onderdeel verwijt het arrest niet dat het aan het bewijs van afgifte aan de postdiensten van het betekeningsexploot een vermelding toeschrijft die het niet bevat of het bestaan ontkent van een vermelding die het wel bevat. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: de appelrechters ontzeggen de eiseres het recht op een eerlijk proces door te oordelen dat haar hoger beroep laattijdig en aldus onontvankelijk is, omdat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een verstekvonnis ingaat, terwijl zij geen kennis heeft van de betekening van het vonnis, noch dat een afschrift van het vonnis werd achtergelaten; door de termijn waarin de geadresseerde hoger beroep kan instellen te doen ingaan bij de afgifte van de akte van betekening van de beslissing aan de postdiensten, dus op een ogenblik waarop de geadresseerde nog geen kennis kan hebben van de inhoud van de beslissing, zonder dat overigens met zekerheid kan worden gesteld wanneer de betrokkene ze effectief heeft ontvangen, wordt het recht van die geadresseerde om hoger beroep in te stellen onevenredig beperkt.
- Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen er evenwel niet toe leiden dat het recht van toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast.
- Het vastleggen van een termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing, waarbij de aanvangsdatum voor die termijn de datum van de regelmatige betekening van die verstekbeslissing is, beoogt een goede rechtsbedeling en rechtszekerheid. Die voorwaarde dient dan ook een wettig doel en is redelijk verantwoord in het licht van dat doel.
- De omstandigheid dat de beroepstermijn begint te lopen vanaf de regelmatige betekening en dit ongeacht of de persoon aan wie is betekend daadwerkelijk kennis heeft genomen van de verstekbeslissing, tast zijn recht op toegang tot de rechter in de kern niet aan. De regelmatige betekening van de verstekbeslissing doet niet enkel de termijn ingaan om hoger beroep aan te tekenen, maar ook de termijn van verzet en indien de betekening niet aan de persoon van de beklaagde is gebeurd vervolgens de buitengewone termijn van verzet. Derhalve beschikt de betrokkene over een toegang tot de rechter zoals vereist door artikel 6.1 EVRM.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180925.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div