← België

R. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240328.1N.5 Rolnummer: C.23.0310.N Zaak: R. contra R. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 639 - laatst gezien 2026-06-15 06:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.5 Fiche 1 Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van verbod van verrijking zonder oorzaak kan een vermogensverschuiving worden ongedaan gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Fiche 2 Het subsidiaire karakter van de rechtsvordering wegens verrijking zonder oorzaak belet dat de vordering wordt aangenomen wanneer de eiser over een andere rechtsvordering beschikte, die hij heeft laten teloorgaan; de vordering kan dus niet worden ingewilligd wanneer zij tot doel heeft een wettelijk beletsel met betrekking tot een aan de eiser ter beschikking staande rechtsvordering te omzeilen; het subsidiaire karakter staat evenwel niet eraan in de weg dat de eiser zijn vordering in hoofdorde steunt op een of meer andere grondslagen en subsidiair op de verrijking zonder oorzaak voor het geval de rechter oordeelt dat de eerst genoemde grondslagen in werkelijkheid niet voorhanden zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Fiche 3 De verrijking is niet zonder oorzaak wanneer zij steunt op de wil van de verarmde, voor zover deze ertoe strekte een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de verrijkte tot stand te brengen; dit kan onder meer blijken uit de bedoeling de verrijkte te begunstigen, het speculatieve oogmerk of de omstandigheid dat de verarmde uitsluitend of hoofdzakelijk in zijn eigen belang handelde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Tekst van de beslissing Nr. C.23.0310.N A.R., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. J.R.,
  2. H.R., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 27 maart
  3. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 28 februari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van verbod van verrijking zonder oorzaak kan een vermogensverschuiving worden ongedaan gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt. Het subsidiaire karakter van de rechtsvordering wegens verrijking zonder oorzaak belet dat de vordering wordt aangenomen wanneer de eiser over een andere rechtsvordering beschikte, die hij heeft laten teloorgaan. De vordering wegens verrijking zonder oorzaak kan dus niet worden ingewilligd wanneer zij tot doel heeft een wettelijk beletsel met betrekking tot een aan de eiser ter beschikking staande rechtsvordering te omzeilen. Het subsidiaire karakter staat evenwel niet eraan in de weg dat de eiser zijn vordering in hoofdorde steunt op een of meer andere grondslagen en subsidiair op de verrijking zonder oorzaak voor het geval de rechter oordeelt dat de eerst genoemde grondslagen in werkelijkheid niet voorhanden zijn.
  5. Uit de appelconclusie van de verweerders blijkt dat zij zich, wat betreft de vergoeding van de uitgevoerde werken, op een familiaal contract tussen de partijen beroepen, en wat betreft de eerste verweerder, ondergeschikt op de verrijking zonder oorzaak.
  6. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de feitelijke gang van zaken waarbij de verweerders gedurende een periode van 10 jaar ongestoord en gratis in de woning van de eiseres hebben verbleven, terwijl de eiseres al die tijd samen met haar moeder ongestoord in de ouderlijke woning is kunnen blijven wonen, zonder dat de eerste verweerder de uitonverdeeldheidtreding hiervan benaarstigde, laat vermoeden dat deze bewoning kaderde in een familiaal contract tussen de partijen, waarbij zij elkaar een zeker persoonlijk en geen zakelijk recht van bewoning en genot op elkaars woningen hebben toegestaan, zonder impact op hun respectievelijke eigendomsrechten; - er in hoofde van de verweerders, wat betreft de bewoning van het pand te […], aldus geen sprake was van een bezetting zonder recht noch titel en de bewoning van dit pand door de verweerders aldus kaderde in een ruimer familiaal contract waarbij hen een zeker persoonlijk en geen zakelijk recht van bewoning met betrekking tot dit pand werd toegekend; - de precieze inhoud, draagwijdte en modaliteiten van dit wederzijds familiecontract, het persoonlijk recht van bewoning en genot in het bijzonder, door de verweerders niet worden aangetoond; - de verweerders dit pand hebben gerenoveerd, waarbij de eiseres niet ernstig kan beweren dat zij hiervan niet op de hoogte was, noch dat dit zou zijn gebeurd zonder haar toestemming; - de eiseres niet tegenspreekt dat zij tot 2016, lang na de beëindiging van de werken, een normaal contact had met haar vader en regelmatig bij hem op bezoek ging; - de eiseres de verbouwingswerken en/of de resultaten ervan zelf heeft kunnen vaststellen en hiertegen op geen enkel ogenblik heeft geprotesteerd; - het niet de bedoeling was van de verweerders om hiermee een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de eiseres tot stand te brengen, los van ieder bewoningsrecht dat hen toekwam, noch dat het hun bedoeling was om haar op die wijze te begunstigen; - dit tevens blijkt uit de omstandigheid dat de tweede verweerster ook kinderen heeft uit een vorig huwelijk, waarbij kan worden aanvaard dat het haar bedoeling niet was om al haar spaarcenten weg te schenken aan de eiseres, die slechts haar stiefdochter is; - er sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking in hoofde van de eiseres ingevolge de door de verweerders bekostigde renovatie- en verbouwingswerken in de woning van de eiseres; - de verweerders recht hebben op een vergoeding voor de verbouwingswerken die zij hebben uitgevoerd of laten uitvoeren in de woning van de eiseres.
  7. De appelrechter die aldus te kennen geeft dat de familiale overeenkomst betrekking heeft op het genot van de woningen maar dat niet bewezen is dat deze overeenkomst ook betrekking heeft op de renovatiewerken en de eventuele vergoeding ervoor, verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de verweerders hun vordering strekkende tot het verkrijgen van een vergoeding voor deze werken kunnen steunen op verrijking zonder oorzaak. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. De verrijking is niet zonder oorzaak wanneer zij steunt op de wil van de verarmde, voor zover deze ertoe strekte een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de verrijkte tot stand te brengen. Dit kan onder meer blijken uit de bedoeling de verrijkte te begunstigen, het speculatieve oogmerk of de omstandigheid dat de verarmde uitsluitend of hoofdzakelijk in zijn eigen belang handelde.
  9. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de werken mogelijk een gevolg waren van de eigen wil van de verweerders, en mede in hun eigen belang werden uitgevoerd; - het niet de bedoeling was van de verweerders om hiermee een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de eiseres tot stand te brengen, los van ieder bewoningsrecht dat hen toekwam, noch dat het hun bedoeling zou zijn geweest haar op die wijze te begunstigen; - dit tevens blijkt uit de omstandigheid dat de tweede verweerster ook kinderen heeft geboren uit een vorig huwelijk, waarbij kan worden aanvaard dat het haar bedoeling niet was om al haar spaarcenten weg te schenken aan de eiseres, die slechts haar stiefdochter is.
  10. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de verweerders de meerwaarde die het pand door de verbouwings- en renovatiewerken heeft verkregen op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak kunnen terugvorderen van de eiseres, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Tweede onderdeel
  11. De eiseres voerde in haar appelconclusie aan dat het prijsverschil van 197.000 euro, hetzij het resultaat van de vergelijking van de verkoopwaardes van de woning in 2017 (397.000 euro) en in 2008 (200.000 euro), niet enkel het gevolg is van de beweerde renovaties, maar ook van de algemene waardevermeerdering van het vastgoed tussen 2008 en 2018 met 35,78 pct.
  12. Hoewel de appelrechter verwijst naar de evolutie van de marktprijzen voor onroerende goederen op de immobiliënmarkt doorheen de jaren, oordeelt hij dat de verweerders gerechtigd zijn op het prijsverschil van 197.000 euro. Hij laat aldus na het precieze verweer van de eiseres met betrekking tot het in mindering brengen van de impact van de algemene waardevermeerdering van het vastgoed tussen 2008 en 2017 op de waardevermeerdering van het pand te beantwoorden. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de omvang van de aan de verweerders toekomende vergoeding en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 28 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240328.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.