← België

ALTSIEN vzw contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240328.1N.7 Rolnummer: F.23.0030.N Zaak: ALTSIEN vzw contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 645 - laatst gezien 2026-06-16 13:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.7 Fiches 1 - 2 De verliezen die een vereniging maakt gedurende een belastbaar tijdperk waarin zij onderworpen was aan de rechtspersonenbelasting, voldoen niet aan de wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden en zijn derhalve geen beroepsverliezen die kunnen worden afgetrokken van de winst van een volgend belastbaar tijdperk waarin de vereniging onderworpen is aan de vennootschapsbelasting

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - BELASTING OP RECHTSPERSONEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 206, § 1, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2024, nr. 10, p. 812-
  1. - ZAGHEDEN, Médhi; VERDUYN, Raph; Noot'Het Hof van Cassatie verbiedt de aftrek van vorige beroepsverliezen bij de overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting' AFT-Algemeen fiscaal tijdschrift - 2025, nr. 3, p. 40-
  2. - DESCHRIJVER, Dirk; Noot'De aftrek van vorige beroepsverliezen bij een overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting' Tekst van de beslissing Nr. F.23.0030.N ALTSIEN vzw, met zetel te 3118 Rotselaar, Tremelobaan 26A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0418.478.784, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 april
  3. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 28 februari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Uit de appelconclusie van de eiseres blijkt dat zij onder de rubriek “schending artikel 1 van Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM” geen specifiek verweer voerde aangaande het voorzienbaarheidsbeginsel vervat in het tweede lid van deze bepaling, maar enkel opnieuw de miskenning aanvoerde van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. In het licht hiervan konden de appelrechters, zonder miskenning van de bewijskracht van de appelconclusie van de eiseres, oordelen dat de eiseres “zonder enige verduidelijking of toelichting” de schending van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM heeft aangevoerd. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 206, § 1, eerste lid, WIB92, worden vorige beroepsverliezen achtereenvolgens van de winst van elk volgende belastbare tijdperk afgetrokken. Artikel 206 WIB92 is van toepassing zodra een vereniging aan de vennootschapsbelasting wordt onderworpen en veronderstelt dat op het moment van de aftrek het bewijs geleverd wordt van het bestaan van vorige verliezen die voldoen aan de wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden. De wet somt de inkomsten op die belastbaar zijn in de rechtspersonenbelasting, zonder daarbij te voorzien in de mogelijkheid om kosten en verliezen af te trekken van het belastbaar resultaat. De verliezen die een vereniging maakt gedurende een belastbaar tijdperk waarin zij onderworpen was aan de rechtspersonenbelasting, voldoen aldus niet aan de wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden en zijn derhalve geen beroepsverliezen die kunnen worden afgetrokken van de winst van een volgend belastbaar tijdperk waarin de vereniging onderworpen is aan de vennootschapsbelasting. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  6. Het door het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde oordeel dat verliezen geleden tijdens de onderwerping aan de rechtspersonenbelasting niet kunnen worden afgetrokken van de belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting, draagt de beslissing dat er geen compenseerbare overdraagbare verliezen zijn voor de aanslagjaren 2010, 2011 en 2012 en bijgevolg ook geen overdraagbaar verlies naar de volgende boekjaren. Het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde middel
  7. Artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Enkel de partijen die tijdens een aanleg de bijstand van een advocaat genoten of erdoor vertegenwoordigd werden, kunnen aanspraak maken op de voor die aanleg in die bepaling bedoelde rechtsplegingsvergoeding.
  8. De appelrechters die aan de Belgische Staat een rechtsplegingsvergoeding toekennen van 19.500 euro, hoewel uit het arrest blijkt dat deze niet vertegenwoordigd of bijgestaan was door een advocaat, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 533,05 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 28 maart 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240328.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.