id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240403.2N.3 Rolnummer: P.24.0434.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-15 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-15 06:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de inverdenkinggestelde in vrijheid kan worden gesteld onder de voorwaarden die het bepaalt en mits hij voorafgaand een bepaalde borgsom betaalt, dient dan ook niet te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde waarin deze om de uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht verzoekt, en is er niet toe gehouden te motiveren waarom die alternatieve maatregelen meer geschikt zijn dan een hechtenis onder elektronisch toezicht om het recidive-, collusie- en vluchtgevaar te neutraliseren. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0434.N Y. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen, en mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek om de voorlopige hechtenis te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, maar beperkt zich tot de vaststelling dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en het motiveren van de toekenning van een invrijheidstelling onder voorwaarden en tegen betaling van een borgsom; aangezien de eiser een omstandig verweer heeft gevoerd betreffende het gevaar voor recidive, vlucht en collusie en het daaruit afgeleide verzoek om elektronisch toezicht had het arrest daarop moeten antwoorden. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 21 en 22 Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na de modaliteit van de uitvoering van de voorlopige hechtenis, waarnaar in de appelconclusie werd verzocht, te beoordelen en dit niettegenstaande de voorlopige hechtenis voortduurt gelet op de niet-betaling van de borgsom; daardoor wordt de duur van de voorlopige hechtenis niet in concreto beoordeeld.
- Volgens artikel 16, § 1, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet beslist de onderzoeksrechter of het bevel tot aanhouding moet worden uitgevoerd ofwel in een gevangenis, ofwel door een hechtenis onder elektronisch toezicht, waarbij de uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht inhoudt dat de betrokkene, met uitzondering van toegestane verplaatsingen, overeenkomstig de door de Koning nader bepaalde regels voortdurend op een bepaald adres moet verblijven. Ook het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, dient bij toepassing van de artikelen 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet in voorkomend geval na te gaan onder welke modaliteit de handhaving van de voorlopige hechtenis moet worden uitgevoerd.
- Uit die bepalingen volgt dat de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht een vrijheidsberovende maatregel inhoudt die moet worden beschouwd als een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis.
- De in artikel 35 Voorlopige Hechteniswet bedoelde invrijheidstelling onder voorwaarden en de invrijheidstelling die afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom houden alternatieve maatregelen in voor de voorlopige hechtenis en de ermee gepaard gaande vrijheidsberoving. De vrijheidsbeperkingen die met die alternatieve maatregelen gepaard gaan, zijn uit hun aard minder ingrijpend dan de vrijheidsberoving die voortvloeit uit de voorlopige hechtenis, onder welke modaliteit die ook wordt uitgevoerd.
- Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de inverdenkinggestelde in vrijheid kan worden gesteld onder de voorwaarden die het bepaalt en mits hij voorafgaand een bepaalde borgsom betaalt, dient dan ook niet te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde waarin deze om de uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht verzoekt, en is er niet toe gehouden te motiveren waarom die alternatieve maatregelen meer geschikt zijn dan een hechtenis onder elektronisch toezicht om het recidive-, collusie- en vluchtgevaar te neutraliseren.
- Het onderzoeksgerecht doet uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat beslist tot de invrijheidstelling van een inverdenkinggestelde tegen betaling van een borgsom niet moet anticiperen op de omstandigheid dat deze de borgsom niet zal betalen.
- De uit artikel 5.3 EVRM voortvloeiende vereiste van een in concreto-beoordeling van de redelijketermijnvereiste inzake voorlopige hechtenis en de daarbij in acht te nemen verplichting tot een bijzondere zorgvuldigheid heeft niet tot gevolg dat indien het onderzoeksgerecht oordeelt dat de inverdenkinggestelde in vrijheid kan worden gesteld onder de voorwaarden die het bepaalt en mits hij voorafgaand een bepaalde borgsom betaalt, er bij die beoordeling ook rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de inverdenkinggestelde de borgsom niet zal betalen en zijn voorlopige hechtenis verder zal worden uitgevoerd in de gevangenis.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6.2 EVRM: met de van de vordering van het openbaar ministerie overgenomen redenen betreffende het recidivegevaar, de op te leggen voorwaarden en de borgsom stelt het arrest zonder enig voorbehoud en zonder gebruik van de voorwaardelijke wijs vast dat de eiser zich heeft ingelaten met drughandel en dat deze fenomenale winsten met zich heeft meegebracht; aldus miskent het arrest het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld; dit houdt een schending in van artikel 5 EVRM.
- Het arrest neemt het volgende over uit de vordering van het openbaar ministerie: “De fenomenale winsten die de drughandel waarmee [de eiser] zich inliet met zich meebrengen, lijken dan ook de trigger te zijn voor [de eiser] om zich in het verleden reeds te laten verleiden – hij heeft ettelijke strafrechtelijke voorgaanden – maar zijn mogelijks ook voldoende om ook in de toekomst gelijkaardige misdrijven te plegen. Door én een voldoende hoge borgsom op te leggen en daarnaast strikte voorwaarden, die ervoor zorgen dat betrokkene België niet kan verlaten, lijkt mijn ambt dat er voldoende waarborgen worden geboden om het ernstige gevaar voor de veiligheid die nog steeds bestaande is, enerzijds, en het hoge vlucht- en recidivegevaar anderzijds, het hoofd te kunnen bieden.”
- Noch uit de eigen redenen die het arrest aanneemt met betrekking tot de ernstige aanwijzingen van schuld, het gevaar voor de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive en onttrekking noch uit de vermelde redenen die het arrest ter zake overneemt van de vordering van het openbaar ministerie volgt dat de appelrechters de schuld van de eiser als een vaststaand feit aannemen. Dit blijkt uit het herhaald gebruik van de bewoordingen “zoals daartoe aanwijzingen zijn”, “ernstige aanwijzingen van schuld” en “schijnbaar”, “lijken”, “mogelijks”, “lijkt”, “zakelijke belangen zou hebben” en “een onroerend goed zou beschikken” en dit ongeacht het gegeven dat de eiser nog niet werd veroordeeld voor een druggerelateerd feit.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 6.2 EVRM, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 5 EVRM is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 6.2 EVRM en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 3 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240403.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div