id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240403.2N.4 Rolnummer: P.24.0468.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-15 Raadplegingen: 461 - laatst gezien 2026-06-15 15:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een verdachte heeft het recht persoonlijk te verschijnen voor het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over zijn voorlopige hechtenis; aan dat recht mag evenwel worden voorbijgegaan indien de persoonlijke verschijning onmogelijk wordt gemaakt door een situatie van overmacht; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandigheden voor het niet persoonlijk kunnen verschijnen van de verdachte een geval van overmacht uitmaken; het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0468.N K. R. S. K. Z., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Isabelle Slaets, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM, artikel 14.3.d IVBPR, artikel 41 Handvest Grondrechten EU, artikel 149 Grondwet en de artikelen 21, § 1, en 23 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest niet wettig dat de raadkamer door een situatie van overmacht over de voorlopige hechtenis van de eiser uitspraak kon doen in zijn afwezigheid; uit de aangehaalde omstandigheden kan immers geen overmacht worden afgeleid; een aanvankelijk communicatieprobleem lag aan de basis van zijn niet-uithaling uit de gevangenis en het arrest vermeldt geen duur van de lockdown in de gevangenis en of nog een rechtszitting in aanwezigheid van de eiser had kunnen plaatsvinden; bijgevolg stelde de raadkamer de eiser terecht in vrijheid omdat het bevel tot aanhouding zijn geldigheid had verloren wegens overschrijding van de termijn van vijf dagen.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Overeenkomstig artikel 51 Handvest Grondrechten EU zijn de bepalingen van die akte gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Hieruit volgt dat artikel 41 Handvest Grondrechten EU, dat handelt over het recht op behoorlijk bestuur door die instellingen, organen en instanties, slechts kan worden ingeroepen bij de toepassing van het Unierecht, wat hier niet het geval is.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
- Uit de artikelen 21, § 1, en 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet volgt dat een verdachte het recht heeft persoonlijk te verschijnen voor het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over zijn voorlopige hechtenis. Aan dat recht mag evenwel worden voorbijgegaan indien de persoonlijke verschijning onmogelijk wordt gemaakt door een situatie van overmacht.
- Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandigheden voor het niet persoonlijk kunnen verschijnen van de verdachte een geval van overmacht uitmaken. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
- Het arrest oordeelt dat: - de zaak op 29 februari 2024 op verzoek van de raadsman van de eiser door de raadkamer werd uitgesteld naar de rechtszitting van 7 maart 2024; - de eiser op de rechtszitting van de raadkamer van 7 maart 2024 niet aanwezig was wegens niet-overbrenging vanuit de gevangenis; - de advocaat van de eiser zich op de rechtszitting van de raadkamer van 7 maart 2024 zonder mandaat heeft verklaard om zijn cliënt te vertegenwoordigen; - blijkens de toelichting van de substituut-procureur-generaal ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 21 maart 2024 de overbrenging van de eiser vanuit de gevangenis te Haren in de ochtend van 7 maart 2024 niet was uitgevoerd wegens communicatieproblemen; - diezelfde ochtend nog een overbrenging werd bevolen en een politieploeg naar de gevangenis was gestuurd; - in de gevangenis te Haren op dat ogenblik een zogenaamde lockdown heerste en niemand in of uit de gevangenis mocht; - die situatie ertoe heeft geleid dat de eiser op 7 maart 2024 niet tijdig naar de zitting van de raadkamer kon worden overgebracht; - die lockdown een overmachtssituatie heeft uitgemaakt waardoor de raadkamer wel uitspraak had kunnen doen in afwezigheid van de eiser. Op grond van die redenen, die niet zijn te herleiden tot een aanvankelijk communicatieprobleem en die de lockdown afwegen tegen de wettelijke handhavingstermijn, kan het arrest wettig oordelen dat de niet-verschijning van de eiser voor de raadkamer enkel toe te schrijven was aan een situatie van overmacht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 21, § 1, en 23 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht van verdediging niet onherstelbaar werd miskend doordat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het mondeling verslag van de onderzoeksrechter voor de raadkamer en daarover geen tegenspraak heeft kunnen voeren.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid over het bestaan van een situatie van overmacht en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 3 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240403.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div