id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240408.3N.4 Rolnummer: S.21.0031.N Zaak: A.B.W. contra R. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2024-04-26 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-15 06:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240408.3N.4 Fiches 1 - 2 Het buiten toepassing laten, met toepassing van artikel 159 Grondwet, van een beslissing waarbij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid weigert vrijstelling of vermindering te verlenen van de bij artikel 38, § 3quater, 10°, vierde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid bepaalde forfaitaire vergoeding en de bij artikel 28, § 1, RSZ-wet bepaalde bijdrageverhoging, laat het verschuldigd zijn van die forfaitaire vergoeding en bijdrageverhoging onverlet
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 38, § 3quater, 10°, vierde lid - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 28, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 38, § 3quater, 10°, vierde lid - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 28, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0031.N ABW bv, met zetel te 2340 Beerse, Industrieweg 18, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0462.456.309, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/301, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 4 januari
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 7 maart 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De appelrechters oordelen niet alleen dat de eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 17 november 2015, zodat het arbeidshof niet kan ingaan op de argumentatie omtrent de gebrekkige motivering van de beslissing over het verzoek tot ontheffing van de bijdrageopslagen en op de inhoudelijke argumenten van onevenredigheid, maar eveneens dat de verweerder op een correcte wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 38, § 3quater, 10°, derde lid en volgende, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en van artikel 28, § 1, RSZ-wet. Met die laatste redenen verwerpen zij de betwisting van de eiseres van de vermeende voorafgaande beslissing om over te gaan tot invordering van de bijdrage, bijdrageopslagen, forfaitaire vergoeding en interest overeenkomstig het rekeninguittreksel procedurenummer 98 van 3 november
- Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de appelrechters beslissen niet te kunnen ingaan op de inhoudelijke argumenten van de eiseres inzake de onevenredigheid van de voorafgaandelijke beslissing tot invordering op grond dat de beslissing van de verweerder van 17 november 2015 staande blijft bij gebrek aan beroep daartegen, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- De appelrechters die vaststellen dat de eiseres tegen de beslissing van 17 november 2015 waarbij haar verzoek tot ontheffing van de burgerlijke sancties werd afgewezen, geen beroep heeft ingesteld binnen de bij artikel 38, § 3quater, 10°, zesde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid op straffe van verval bepaalde termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing, geven met de redenen dat de eiseres noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep een beroep heeft ingesteld tegen verweerders beslissing van 17 november 2015 van eiseres’ syntheseconclusie in eerste aanleg van 15 mei 2019 en eiseres’ syntheseconclusie in hoger beroep van 11 september 2020 een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de bewijskracht van de voormelde syntheseconclusies van de eiseres, mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel voor het overige ervan uitgaat dat het in eiseres’ syntheseconclusies van 15 mei 2019 en 11 september 2020 gevoerde verweer tegen de beslissing van 17 november 2015 kan worden aangezien als een binnen de vervaltermijn van drie maanden ingesteld beroep tegen die beslissing zoals bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, zesde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht. Derde onderdeel
- De appelrechters die oordelen dat aangezien de overeenkomstig artikel 38, § 3quater, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid verschuldigde solidariteitsbijdrage niet werd aangegeven, noch tijdig werd betaald, de verweerder op een correcte wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 38, § 3quater, 10°, derde lid en volgende, van die wet en van artikel 28, § 1, RSZ-wet, kennen hiermee aan de verweerder geen rechten toe op grond van door de eiseres onwettig geachte beslissingen van de verweerder, maar wel op grond van de vermelde bepalingen van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en de RSZ-wet. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters hun beslissingen gronden op beslissingen van de verweerder en niet op de wet, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat de door de eiseres onwettig geachte beslissing om over te gaan tot invordering van de bijdrage, bijdrageopslagen, forfaitaire vergoeding en interest overeenkomstig het rekeninguittreksel procedurenummer 98 van 3 november 2010, wettig is. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de wettigheid van die vermeende beslissing niet nagaan en vaststellen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
- Het buiten toepassing laten, met toepassing van artikel 159 Grondwet, van een beslissing waarbij de verweerder weigert vrijstelling of vermindering te verlenen van de bij artikel 38, § 3quater, 10°, vierde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid bepaalde forfaitaire vergoeding en de bij artikel 28, § 1, RSZ-wet bepaalde bijdrageverhoging, laat het verschuldigd zijn van die forfaitaire vergoeding en bijdrageverhoging onverlet. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de door de verweerder gevorderde forfaitaire vergoeding en bijdrageverhoging niet verschuldigd is wanneer verweerders beslissing waarbij de gevraagde vrijstelling of vermindering wordt geweigerd, buiten toepassing zou worden gelaten, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel de appelrechters verwijt de wettigheid van de beslissing van 17 november 2015 niet te hebben nagegaan, kan het niet tot cassatie leiden en is het mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 245,70 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Eric de Formanoir en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 8 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240408.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240408.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div