id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 7 Van een lidstaat die de uitlevering heeft gevraagd op grond van het in het kader van de Raad van Europa gesloten Europees Uitleveringsverdrag mag worden verwacht dat die de voorwaarden die de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte staat op basis van de verdragsbepalingen hebben verbonden aan die uitlevering zal respecteren, zonder dat daartoe uitdrukkelijk garanties moeten worden gevraagd aan de verzoekende staat of door die staat dergelijke garanties moeten worden verstrekt. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 14 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Fiches 8 - 10 Het onderzoeksgerecht onderzoekt onaantastbaar of de uitlevering wordt gevraagd voor een strafbaar feit dat als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit moet worden beschouwd, dan wel voor een niet-politiek delict met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel of de positie van de betrokkene om deze reden ongunstig dreigt te worden beïnvloed. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 3.1 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 3.2 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 4 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 3.1 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 3.2 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 4 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 3.1 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 3.2 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 - 13-12-1957 - Art. 4 - 36 Link Justel databank 19571213-36 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 2bis - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0391.N D. K., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Fouad Marchouh, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Kuringersteenweg 304, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 2bis Uitleveringswet 1874: de appelrechters hebben niet gecontroleerd of er ernstige risico’s bestaan dat de eiser, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke of onterende behandeling; de appelrechters stellen enkel dat de rapporten van nationale of internationale organisaties op zich onvoldoende zijn om dergelijke risico’s geloofwaardig te maken en schieten daardoor tekort in hun motivering en onderzoek van de door de eiser aangereikte gegevens.
- Volgens artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 kan geen uitlevering worden toegestaan wanneer ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling. Die bepaling vereist dat de persoon wiens uitlevering wordt gevraagd, in de verzoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voorwerp zal uitmaken van een schending van artikel 3 EVRM, dan wel van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM.
- Het onderzoeksgerecht onderzoekt onaantastbaar of deze weigeringsgronden de uitlevering verhinderen. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest verwerpt eisers beroep op de toepassing van artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 in essentie op de gronden dat: - de eiser verwijst naar een verslag van het Europees Comité voor Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing dat van 2019 dateert en waarin gewag wordt gemaakt van geweld tussen gevangenen onderling en dat verslag werd opgesteld op basis van een onderzoek naar de detentieomstandigheden van een aantal gevangenissen en detentiehuizen in Armenië; - de eiser concrete gegevens naar voor moet brengen die het bestaan van een reëel en ernstig risico op miskenning van het EVRM voor hem persoonlijk geloofwaardig maken en de loutere mogelijkheid van dreigende foltering of onmenselijke of vernederende behandeling niet volstaat; - de rapporten van nationale of internationale organisaties op zich onvoldoende zijn om het bestaan van een risico op handelingen die indruisen tegen artikel 3 EVRM voor de betrokkene persoonlijk geloofwaardig te maken, vermits er concrete gegevens moeten worden voorgebracht die wijzen op een dergelijk risico voor de eiser persoonlijk; - uit geen enkel concreet gegeven blijkt dat de eiser het risico loopt om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, noch aan foltering; - de eiser, over het risico dat hij loopt op miskenning van de rechten vermeld in artikel 6 EVRM, verwijst naar een verslag over de rechten van de mens opgesteld door de “Armenia 2022/ Human Rights Report. (…) United Departement of States”; - de eiser geen concrete gegevens aanbrengt die aannemelijk maken dat er een ernstig risico zou bestaan op miskenning van het recht op een eerlijk proces die zou verhinderen dat de Belgische staat gevolg zou geven aan het verzoek tot uitlevering; - de beweringen dat er tijdens de onderzoeksfase illegitieme handelingen zouden zijn gesteld door personen onder druk te zetten of delen van verklaringen weg te laten, niet hard worden gemaakt en in tegenstelling tot wat de eiser laat uitschijnen er geen concrete aanwijzingen zijn dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd volledig verzonnen zouden zijn of nog dat verklaringen door de politie zouden zijn gemanipuleerd, enkel met de bedoeling om hem te vervolgen voor de feiten van desertie. Op grond van die redenen, die wel doen blijken van een zorgvuldig onderzoek, kan het arrest wettig oordelen dat de weigeringsgronden van ernstige risico’s op flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke en onterende behandeling, niet van toepassing zijn. Met die redenen is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM, artikel 3 Europees Verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering (hierna Europees Uitleveringsverdrag) en de artikelen 2bis en 3 Uitleveringswet 1874: de Armeense autoriteiten hebben achtergehouden dat de vervolging voor de drugfeiten en de feiten van desertie door hen werden samengevoegd in één dossier en dit was niet duidelijk aan de hand van de Interpol red notice alleen; de appelrechters waren niet op de hoogte van deze samenvoeging en hebben daardoor de geschonden wetsbepalingen niet grondig kunnen onderzoeken; zo stellen de appelrechters ten onrechte dat de feiten van desertie geen verband lijken te hebben met de inbreuken op de drugwetgeving; de appelrechters stellen ten onrechte dat de misdrijven waarvoor de uitlevering wordt gevraagd niet kunnen worden beschouwd als een politiek misdrijf, terwijl er geen garanties worden gegeven dat de eiser na de uitlevering aan Armenië niet zal worden vervolgd voor de feiten van desertie; bovendien heeft de eiser op 6 november 2023 een asielaanvraag ingediend als gevolg van de militaire dienst die hij uitvoerde in Armenië; bijgevolg bestaat er een reëel risico van een miskenning van het verbod op foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffing en van het recht op een eerlijk proces.
- De appelrechters verwijzen naar het feit dat het uitleveringsverzoek tevens feiten vermeldt die worden gekwalificeerd als desertie. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters hiervan niet op de hoogte waren, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 3.1 Europees Uitleveringsverdrag wordt uitlevering niet toegestaan, indien het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd. Hetzelfde geldt, volgens artikel 3.2 Europees Uitleveringsverdrag, indien de aangezochte Partij ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering voor een niet-politiek delict is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed. Volgens artikel 4 Europees Uitleveringsverdrag is het verdrag niet van toepassing op uitlevering voor militaire delicten, die niet tevens strafbare feiten volgens de gewone strafwet zijn.
- Van een lidstaat die de uitlevering heeft gevraagd op grond van het in het kader van de Raad van Europa gesloten Europees Uitleveringsverdrag mag worden verwacht dat die de voorwaarden die de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte staat op basis van de verdragsbepalingen hebben verbonden aan die uitlevering zal respecteren, zonder dat daartoe uitdrukkelijk garanties moeten worden gevraagd aan de verzoekende staat of door die staat dergelijke garanties moeten worden verstrekt.
- Volgens artikel 2bis, eerste lid, Uitleveringswet 1874 kan uitlevering niet worden toegestaan wanneer er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het verzoek gedaan is met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed.
- Desertie is, in beginsel, geen politiek, maar een militair delict, dat niet tevens een strafbaar feit is volgens de gewone strafwet.
- Het onderzoeksgerecht onderzoekt onaantastbaar of de uitlevering wordt gevraagd voor een strafbaar feit dat als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit moet worden beschouwd, dan wel voor een niet-politiek delict met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn politieke gezindheid, dan wel of de positie van de betrokkene om deze reden ongunstig dreigt te worden beïnvloed. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer dat: - de Armeense rechterlijke autoriteit de uitlevering van de eiser verzoekt wegens feiten omschreven als leider bij een criminele organisatie, inbreuken op de drugwetgeving in vereniging en het witwassen van illegale vermogensvoordelen, die geraamd worden op 2.241.754 US dollars en de eiser al enige tijd een criminele organisatie zou hebben opgericht en geleid die tot doel heeft illegale drugs te kweken en te verhandelen, waarbij de gerealiseerde vermogensvoordelen via cryptomunten zouden worden witgewassen en de organisatie via internet en contacten ter plaatse zou zijn verlopen; - het uitleveringsverzoek tevens feiten vermeldt die worden gekwalificeerd als “desertie” (met verwijzing naar artikel 362 Armeens Strafwetboek) die zouden zijn gepleegd vanaf 29 september 2012; - de gevraagde uitlevering geschiedt bij toepassing van het Europees Uitleveringsverdrag waar Armenië partij bij is en artikel 4 van dit verdrag bepaalt dat het niet van toepassing is “op uitlevering voor militaire delicten, die niet tevens strafbare feiten van de gewone strafwet zijn”; - voor zover als nodig de uitlevering geen betrekking kan hebben op feiten omschreven als “desertie” en de eiser niet mag worden vervolgd of veroordeeld of van zijn vrijheid worden beroofd wegens enig ander strafbaar feit dan de reden van zijn uitlevering (artikel 14 Europees Uitleveringsverdrag); - in tegenstelling tot wat de eiser aanvoert er geen ernstige aanwijzingen zijn dat de feiten van desertie een grote rol hebben gespeeld in het uitvaardigen van het verzoek tot uitlevering; de feiten van desertie zouden immers dateren van 2012, dat is jaren voor de feiten wegens inbreuken op de drugwetgeving, leiderschap van een criminele organisatie en witwassen van illegale vermogensvoordelen die vanaf 2019 zouden hebben plaatsgevonden; het een lijkt geen verband met het ander te hebben; - het juist is dat er in het verzoek tot uitlevering gewag wordt gemaakt van de feiten gekwalificeerd als desertie in 2012, doch dit gegeven op zich niet volstaat om aan te nemen dat de eiser geen eerlijk proces zou kunnen genieten in Armenië voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt toegestaan.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat: - de uitlevering geen betrekking kan hebben op feiten omschreven als “desertie”; - de misdrijven waarvoor de uitlevering wordt gevraagd niet als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit moeten worden beschouwd; - het niet de bedoeling is om de eiser te vervolgen of te straffen op grond van zijn politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, het verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en de artikelen 2bis en 3 Uitleveringswet 1874: de eiser heeft duidelijk gemaakt dat de Armeense autoriteiten in zijn dossier zaken uit de verhoren hebben weggelaten en toegevoegd om hem te vervolgen; daarnaast wordt in het internationaal aanhoudingsbevel regelmatig gewag gemaakt van de feiten van desertie waaraan de eiser zich schuldig maakte, wat sterk doet vermoeden dat deze feiten de werkelijke grondslag vormen voor de uitlevering, rekening houdend met het feit dat dit niet duidelijk werd gemaakt in de Interpol red notice; dit zou de uitlevering een politieke ondertoon geven en het risico op onmenselijke behandeling en een oneerlijk proces in Armenië aanzienlijk vergroten; de appelrechters schieten tekort in hun motivering en hun onderzoek naar de gegevens in de door de eiser voorgelegde rapporten; de appelrechters hebben geweigerd om de documentatie die de eiser voorlegt als geloofwaardig te beschouwen, hoewel ze aantoont dat de situatie van de eiser niet uniek is en Armenië niet terugdeinst voor de in de rapporten omschreven praktijken.
- Het middel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste en tweede middel aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250528.2F.14 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.880 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.424 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180626.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div