← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 458

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 458

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 458

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Indien de toestand van overmacht die voor het Hof aannemelijk is gemaakt een eiser in cassatie belet tijdig een memorie in te dienen, dient hij de memorie of desgevallend een aanvullende memorie in te dienen van zodra de toestand van overmacht niet langer bestaat en het staat aan het Hof te oordelen of er een toestand van overmacht is die een eiser heeft belet tijdig een memorie in te dienen en in bevestigend geval wanneer die toestand van overmacht is opgehouden; het enkele feit dat er overmacht is die een eiser heeft belet tijdig een memorie in te dienen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat aan de eiser een nieuwe termijn moet worden toegekend voor het indienen van een memorie of een aanvullende memorie. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 429

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 9 Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank onaantastbaar te oordelen of een veroordeelde de hem bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit opgelegde bijzondere voorwaarde naleeft en bij de beoordeling of een veroordeelde door een hem verwijtbare tekortkoming verantwoordelijk is voor de niet-naleving van een bijzondere voorwaarde hoeft de strafuitvoeringsrechtbank zich niet te beperken tot een letterlijke lezing van de opgelegde bijzondere voorwaarde, maar mag ze ook de doelstellingen van die voorwaarde betrekken; de omstandigheid dat een veroordeelde zich vrijwillig heeft aangemeld voor een bepaalde begeleiding sluit niet uit dat de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat de veroordeelde verantwoordelijk is voor het niet aanvatten van de begeleiding of het stopzetten ervan en dus voor de niet-naleving van een bijzondere voorwaarde. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0413.N H. J. M. V., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 11 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert miskenning aan van “de valsheidprocedure”: het Hof wordt uitgenodigd de legitimiteit en de regelmatigheid van het proces-verbaal van de rechtszitting met betrekking tot de herroeping te willen onderzoeken; de eiser maakt gelet op de chronologie, het opstellen van handgeschreven en getypte processen-verbaal van de rechtszitting en de weerstand tot inzage, het grootst mogelijke voorbehoud bij de echtheid van dit proces-verbaal van de rechtszitting; het is onverklaarbaar dat de processen-verbaal van de rechtszitting van 7 maart 2024 eenzelfde dossiernummer dragen, terwijl ze betrekking hebben op onderscheiden procedures en voor de uitspraak wel processen-verbaal van de rechtszitting zijn opgesteld die naar opmaak meer gelijkenis vertonen dan de processen-verbaal van de rechtszitting van 7 maart 2024; er bestaat bovendien een grote discrepantie tussen wat neergeschreven is op het proces-verbaal van de rechtszitting en wat is vermeld in het vonnis met betrekking tot de intake bij Vagga; in zoverre het proces-verbaal van de rechtszitting vals is, is er geen proces-verbaal van de rechtszitting dat door de eiser kan worden gecontroleerd en is het vonnis bijgevolg nietig.
  3. Indien het Hof ambtshalve de wettigheid onderzoekt van een bestreden beslissing en de voorafgaande rechtspleging, dan doet het dit onderzoek op eigen initiatief en zonder dat het daartoe door een partij moet worden uitgenodigd. Het resultaat van dit ambtshalve onderzoek blijkt hetzij uit het aanvoeren van een ambtshalve middel hetzij uit de formule dat het Hof geen onwettigheden heeft kunnen ontdekken en de bestreden beslissing dus in overeenstemming met de wet is gewezen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het onderdeel suggereert enkel de mogelijkheid dat het proces-verbaal van de rechtszitting waarop het verzoek tot herroeping van het aan de eiser toegekende elektronisch toezicht werd behandeld, vals is (“het grootst mogelijke voorbehoud bij de echtheid van dit zittingsblad; in zoverre het zittingsblad vals is”), maar het beticht deze authentieke akte die door de voorzitter en de griffier is ondertekend niet ondubbelzinnig van valsheid. Bij afwezigheid van een valsheidsvordering door de eiser moet het Hof de in het proces-verbaal opgenomen vermeldingen als waar aannemen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging en “de beginselen behoorlijke rechtspleging”: gelet op de onbeschikbaarheid van het dossier tijdens de termijn om een memorie in te dienen is eisers recht van verdediging manifest miskend, zodat een nieuwe rechtsdag moet worden bepaald, alsook een termijn voor het indienen van een aanvullende memorie.
  6. Het onderdeel preciseert niet welke beginselen van behoorlijke rechtsbedeling zijn miskend. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  7. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken. Zij spreken zich niet uit over de gegrondheid van een strafvervolging.
  8. Indien overmacht een eiser in cassatie belet tijdig een memorie in te dienen, dient de eiser de memorie of desgevallend een aanvullende memorie in te dienen van zodra de toestand van overmacht niet langer bestaat.
  9. De eiser dient voor het Hof de toestand van overmacht aannemelijk te maken.
  10. Het staat aan het Hof te oordelen of er een toestand van overmacht is die een eiser heeft belet tijdig een memorie in te dienen en in bevestigend geval wanneer die toestand van overmacht is opgehouden.
  11. Het enkele feit dat er overmacht is die een eiser heeft belet tijdig een memorie in te dienen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat aan de eiser een nieuwe termijn moet worden toegekend voor het indienen van een memorie of een aanvullende memorie.
  12. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. De eiser zet in zijn memorie uiteen dat hij op 19 maart 2024 om 13.45 u door de griffie van het Hof werd ingelicht dat het dossier ter beschikking was. Hij heeft op 19 maart 2024 een tijdige memorie ingediend. Er blijkt niet dat hij daarna nog een memorie heeft ingediend, terwijl hij vanaf die datum in elk geval in de gelegenheid was het volledige dossier te consulteren en een aanvullende memorie in te dienen.
  14. Er is dan ook geen grond om in te gaan op eisers verzoek om een nieuwe rechtsdag te bepalen en hem een nieuwe termijn toe te kennen voor het indienen van een aanvullende memorie. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel
  15. Het eerste onderdeel voert miskenning aan van het gezag van gewijsde: het vonnis miskent op meerdere punten het gezag van gewijsde van het vonnis van 19 juni 2023 waarbij elektronisch toezicht werd toegekend (hierna het toekenningsvonnis); het vonnis stelt vast dat de eiser sinds de toekenning van het elektronisch toezicht werd aangemeld bij het Universitair Forensisch Centrum (UFC) voor een intake op 13 november 2023, terwijl het toekenningsvonnis reeds had vastgesteld dat de eiser was aangemeld voor een intake op 13 november 2023; het toekenningsvonnis legde als voorwaarde het volgen van een ambulante behandeling op bij D.S. van de praktijk S. en dat deze begeleiding enkel mocht worden stopgezet in overleg met de begeleiding en de justitieassistent; het vonnis stelt vast dat na overleg met de justitieassistent deze begeleiding snel werd stopgezet omdat de eiser geen hulpvraag had voor zijn seksuele problematiek en er ook geen behandeldoelstellingen konden worden geformuleerd; de begeleiding werd stopgezet in overeenstemming met de voorwaarde 4; er werd vastgesteld dat het UFC op 15 december 2023 liet weten dat de eiser niet welkom was omdat er geen zinvolle aanknopingspunten waren om een begeleiding op te starten, zodat het oordeel dat er geen begeleiding meer voorlag het gezag van gewijsde van het toekenningsvonnis miskent; de intake bij het UFC die de eiser vrijwillig deed, werd niet als voorwaarde opgelegd en gebeurde na de stopzetting van de begeleiding met goedkeuring door de justitieassistent. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 64 Wet Strafuitvoering: uit de vaststellingen van de strafuitvoeringsrechtbank kan niet worden afgeleid dat de eiser de voorwaarde 4 heeft geschonden; uit de motivering van het toekenningsvonnis blijkt dat aan de voorwaarde kan worden voldaan door het volgen van een behandeling bij een therapeut in een groepspraktijk; het vonnis stelt vast dat de begeleiding werd stopgezet na overleg met de therapeut en de justitieassistent en dat de intake bij het UFC werd verdergezet; het vonnis bevat geen vaststellingen betreffende het volgen van een begeleiding of het voorleggen van bewijzen inzake de begeleiding; geenszins blijkt dat de eiser een eigen invulling heeft willen geven aan de voorwaarde.
  16. Het vonnis oordeelt dat de eiser “ondertussen (werd) aangemeld bij het UFC (intake op 13 november 2023)”. Daaruit volgt niet dat het vonnis het gezag van gewijsde miskent van het toekenningsvonnis dat vaststelde dat de eiser werd aangemeld bij het UFC waar een intakegesprek op 13 november 2023 zou kunnen doorgaan.
  17. Het vonnis oordeelt verder dat op 15 december 2023 het UFC liet weten dat de eiser niet welkom was voor een begeleiding omdat er geen zinvolle aanknopingspunten waren om een begeleiding op te starten. Er valt niet in te zien hoe dit oordeel het gezag van gewijsde van het toekenningsvonnis miskent.
  18. In zoverre mist het eerste onderdeel feitelijke grondslag.
  19. Het toekenningsvonnis legt het volgende als voorwaarde 4 op: “met betrekking tot uw seksuele problematiek, ambulante behandeling door een gespecialiseerde hulpverleningsinstantie volgen, en de bewijzen hiervan voorleggen aan uw justitieassistent, en met deze behandeling niet stoppen tenzij in samenpraak met de hulpverlener en uw justitieassistent”. Het toekenningsvonnis stelt vast dat de eiser zelf op zoek ging naar begeleiding en tweemaal op intake ging bij D.S., therapeut voor seksuele problemen, van het praktijkhuis S. te Lier, dat hij bij deze therapeut in begeleiding kon vanaf 30 juni 2023 aan een ritme van tweewekelijkse gesprekken en dat de psychosociale dienst dit plan van aanpak ondersteunde. Daaruit volgt evenwel niet dat het toekenningsvonnis het volgen van een ambulante behandeling bij D.S. heeft opgelegd. In zoverre berust het eerste onderdeel op een onjuiste lezing van het toekenningsvonnis en mist het feitelijke grondslag.
  20. Het vonnis stelt niet vast dat de justitieassistent de stopzetting van de begeleiding bij psycholoog S. heeft goedgekeurd, maar enkel dat daarover overleg werd gevoerd met de justitieassistent. Het vonnis stelt evenmin vast dat er omtrent het niet-aanvatten van de begeleiding door het UFC overleg was met of goedkeuring door de justitieassistent. In zoverre berust het eerste onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  21. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank onaantastbaar te oordelen of een veroordeelde de hem bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit opgelegde bijzondere voorwaarde naleeft.
  22. Bij de beoordeling of een veroordeelde door een hem verwijtbare tekortkoming verantwoordelijk is voor de niet-naleving van een bijzondere voorwaarde hoeft de strafuitvoeringsrechtbank zich niet te beperken tot een letterlijke lezing van de opgelegde bijzondere voorwaarde, maar mag ze ook de doelstellingen van die voorwaarde betrekken.
  23. De omstandigheid dat een veroordeelde zich vrijwillig heeft aangemeld voor een bepaalde begeleiding sluit niet uit dat de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat de veroordeelde verantwoordelijk is voor het niet aanvatten van de begeleiding of het stopzetten ervan en dus voor de niet-naleving van een bijzondere voorwaarde.
  24. Het Hof gaat na of de strafuitvoeringsrechtbank uit de vaststellingen die zij doet geen gevolgen afleidt die onmogelijk een herroeping wegens de niet-naleving van een bijzondere voorwaarde kunnen verantwoorden.
  25. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  26. Het vonnis oordeelt dat de eiser de begeleiding bij de privé-psycholoog S. van het praktijkhuis S. is opgestart, maar dat de enkele gesprekken die de psycholoog met de eiser had zeer moeizaam verliepen en dat na overleg met de justitieassistent deze begeleiding zeer snel werd gestopt omdat de eiser geen hulpvraag had voor zijn seksuele problematiek en er ook geen behandeldoelstellingen konden worden geformuleerd. Daarmee geeft het vonnis, dat bovendien oordeelt dat het duidelijk is dat de eiser niet openstaat voor een gespecialiseerde begeleiding omdat hij geen hulpvraag wil formuleren, geen intrinsieke motivering heeft en de feiten zwaar minimaliseert, te kennen dat de eiser zelf verantwoordelijk is voor de stopzetting van de begeleiding door de psycholoog S. en dit ongeacht het overleg dat daarover met de justitieassistent is gebeurd.
  27. Met het oordeel dat het UFC liet weten dat de eiser niet welkom was voor een begeleiding omdat er geen zinvolle aanknopingspunten waren om een begeleiding op te starten, geef het vonnis evenzeer te kennen dat de eiser zelf verantwoordelijk was voor het niet-aanvatten van de begeleiding.
  28. Op grond van die redenen kan het vonnis wettig oordelen dat de eiser de voorwaarde 4 niet heeft nageleefd. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde en vierde onderdeel
  29. Het derde onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de eiser tegen de rechtszitting afkwam met twee therapeuten waar hij wel terecht kon, zijnde therapeuten die niet kunnen worden beschouwd als begeleiders die een gespecialiseerde therapie kunnen aanbieden voor daders van seksuele misdrijven, miskent het vonnis het bewijs van het door de eiser op de rechtszitting ingediende stuk 3, waaruit blijkt dat therapeut B. naast relatietherapeut ook sekscounseler is; uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 januari 2024 blijkt dat de voorgelegde begeleiding bij andere psychologen-therapeut ook wordt aanvaard door de strafuitvoeringsrechtbank aangezien het uitstel enkel werd verleend om na te gaan of de sessies effectief werden gevolgd. Het vierde onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de eiser van de rechtbank opnieuw een kans kreeg om een gespecialiseerde begeleiding uit te werken, miskent het vonnis het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 januari 2024; uit dat proces-verbaal blijkt dat de eiser op 16 en 17 januari 2024 contacten had met andere psychologen en hierover stukken heeft neergelegd, hij de therapie bij G. wilde verderzetten en het dossier werd uitgesteld voor nazicht of de therapiesessies werden gevolgd; een gespecialiseerde behandeling was reeds voorhanden.
  30. Het vonnis verwijst voor het met het derde onderdeel bekritiseerde oordeel niet naar het door de eiser op de rechtszitting ingediende stuk. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het derde onderdeel feitelijke grondslag.
  31. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 januari 2024 vermeldt het op die rechtszitting door het openbaar ministerie ingenomen standpunt, de zienswijze van de verdediging en het standpunt van de eiser. Het proces-verbaal stelt vast dat de rechtbank beslist de behandeling van de zaak uit te stellen naar de rechtszitting van 24 maart 2024 en dit om volgende redenen: “sessies gevolgd?”
  32. Uit het proces-verbaal van die rechtszitting blijkt niet dat de eiser op 16 en 17 januari 2024 contacten had met andere psychologen-therapeut, maar enkel dat de verdediging dit heeft aangevoerd. In zoverre berust het vierde onderdeel op een onjuiste lezing van dit proces-verbaal en mist het feitelijke grondslag.
  33. Uit dit proces-verbaal kan en dit ongeacht het gegeven dat de eiser op die rechtszitting stukken heeft neergelegd betreffende een begeleiding door andere psychologen-therapeut, niet worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank de door de eiser gesuggereerde begeleiding heeft aanvaard. Op de rechtszitting van 22 januari 2024 heeft de strafuitvoeringsrechtbank volgens het proces-verbaal van die rechtszitting uitsluitend de zaak uitgesteld voor nazicht van gevolgde sessies. Enig andere beslissing blijkt niet uit dit proces-verbaal. In zoverre berusten het derde en het vierde onderdeel op een onjuiste lezing van het proces-verbaal van de rechtszitting en missen ze feitelijke grondslag.
  34. Het vonnis verwijst voor het oordeel “[De eiser] kreeg van de rechtbank op 22 januari 2024 opnieuw een kans om een gespecialiseerde begeleiding uit te werken”, niet naar het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 januari
  35. Het vonnis kan dan ook de bewijskracht van dit proces-verbaal niet miskennen. In zoverre mist het vierde onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  36. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de eiser op de rechtszitting is afgekomen met twee therapeuten waar hij wel terecht kon, miskent het vonnis de bewijskracht van het door de eiser op de rechtszitting van 22 januari 2024 ingediende stukkenbundel en het proces-verbaal van die rechtszitting; die stukken werden ingediend op die rechtszitting en zijn dus niet nieuw.
  37. Het vonnis verwijst voor het door het onderdeel bekritiseerde oordeel niet naar dit proces-verbaal of dit stukkenbundel. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  38. Het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd: het stelt enerzijds vast dat aan de eiser een kans is gegeven een gespecialiseerde behandeling uit te werken op de rechtszitting van 22 januari 2024, wat noodzakelijk de begeleiding betreft door de twee therapeuten waarvan sprake in de op die rechtszitting ingediende stukken en dus een gespecialiseerde behandeling; het vonnis oordeelt anderzijds dat deze therapeuten niet kunnen worden beschouwd als begeleiders die een gespecialiseerde therapie kunnen aanbieden voor daders van seksuele misdrijven.
  39. Uit het oordeel dat aan de eiser op de rechtszitting van 22 januari 2024 een kans is gegeven een gespecialiseerde behandeling uit te werken volgt niet dat dit noodzakelijk de begeleiding betreft door de twee therapeuten waarvan sprake in de op die rechtszitting ingediende stukken en dus een gespecialiseerde behandeling. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  40. De aangevoerde tegenstrijdigheid als motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde middel
  41. Het middel voert miskenning aan van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel: indien een veroordeelde wordt toegestaan een begeleiding door een gespecialiseerde hulpverleningsinstantie bij een ambulante therapeut te volgen, moet hij er redelijkerwijze kunnen op vertrouwen dat hij die kan verderzetten behoudens gewijzigde omstandigheden; indien in het raam van een herroepingsvordering na kennisname van twee attesten tot therapie de verdere behandeling wordt uitgesteld teneinde na te kijken of de therapie effectief kan worden opgestart en uitgevoerd, moet de veroordeelde erop kunnen vertrouwen dat dit tot een gunstig gevolg kan leiden; minstens werd bij de eiser op de rechtszitting van 22 januari 2024 het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat een effectieve opstart van een therapie een verderzetting van het elektronisch toezicht niet in de weg zou staan.
  42. Het middel is volledig afgeleid uit de lezing van het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 januari 2024 als zou de strafuitvoeringsrechtbank de door de eiser gesuggereerde begeleiding hebben aanvaard. Die lezing werd verworpen met het antwoord op het derde en vierde onderdeel van het tweede middel. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  43. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.