← België

S. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.16 Rolnummer: P.24.0417.N Zaak: S. contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-06-18 16:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De door de jeugdrechtbank bij toepassing van de bepalingen van de artikelen 29, § 2, eerste lid en 31 tweede lid opgelegde sanctie van de berisping mag krachtens artikel 63, tweede lid, Jeugdbeschermingswet nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht; de omstandigheid dat de berisping als sanctie krachtens artikel 63, eerste en derde lid, Jeugdbeschermingswet op het strafregister van de betrokkene wordt vermeld en ter kennis mag worden gebracht van gerechtelijke overheden, leidt als zodanig niet tot de declassering van de betrokkene

(1).
(1)J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, in APR 1996, p. 336-338, nrs. 859-866; B. DE SMET, “Berisping door de jeugdrechtbank”, in Comm.Straf., Kluwer, (afl. 96 (1 januari 2021); B. DE SMET, Het Jeugddelinquentierecht in Vlaanderen, Antwerpen, Intersentia, 2019, pp. 68-69. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2, eerste lid Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 31, tweede lid Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 63, tweede lid - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Fiches 2 - 3 Artikel 29, § 2, eerste lid, Jeugddelinquentiedecreet somt op een exhaustieve wijze de sancties op, in opgaande graad van het ingrijpend karakter ervan, die de jeugdrechtbank, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, kan opleggen, waarbij de sanctie van het berispen als eerste wordt vermeld. De loutere omstandigheid dat de jeugdrechtbank als sanctie een berisping oplegt en bij de motivering van die sanctie in het licht van de in artikel 16, § 1, Jeugddelinquentiedecreet vermelde factoren erop wijst dat die sanctie voor de betrokkene een gunst inhoudt, leidt dan ook niet ertoe dat de beslissing tot het opleggen van die sanctie niet naar recht verantwoord of niet regelmatig met redenen omkleed zou zijn
(1).
(1)J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, in APR 1996, p. 336-338, nrs. 859-866; B. DE SMET, “Berisping door de jeugdrechtbank”, in Comm.Straf., Kluwer, (afl. 96 (1 januari 2021); B. DE SMET, Het Jeugddelinquentierecht in Vlaanderen, Antwerpen, Intersentia, 2019, pp. 68-
  1. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 16, § 1 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 16, § 1 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. P.24.0417.N S. S., minderjarige, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, mede in de zaak
  2. M. S., vader van de minderjarige,
  3. E. M., moeder van de minderjarige. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 19 februari
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 25, § 1, derde lid, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (hierna Jeugddelinquentiedecreet): met het oordeel dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de eiser de voorwaarden niet heeft nageleefd die werden opgelegd bij beschikking van de jeugdrechtbank van 25 maart 2022 in het kader van zijn betrokkenheid bij andere zware feiten, verantwoordt de appelrechter niet naar recht de beslissing dat aan de eiser voor de op 30 november 2022 gepleegde feiten van smaad als sanctie een berisping moet worden opgelegd; de jeugdrechtbank of de jeugdrechter in hoger beroep mag geen rekening houden met de uitvoering van voorlopige maatregelen in het kader van een ander jeugddelict en mag slechts rekening houden met de in artikel 16, § 1, Jeugddelinquentiedecreet bepaalde criteria; door minstens impliciet rekening te houden met eisers betrokkenheid bij een ander jeugddelict, miskent de appelrechter bovendien het vermoeden van onschuld (eerste onderdeel); de niet-naleving van voorlopige maatregelen die werden opgelegd naar aanleiding van een jeugddelict, kan niet worden gesanctioneerd door het opleggen van een sanctie, maar slechts door een vervangende maatregel zoals bedoeld door artikel 25, § 1, derde lid, Jeugddelinquentiedecreet (tweede onderdeel).
  6. Na te hebben opgemerkt dat het hof van beroep bij de bepaling van de maatregel bijzondere aandacht moet hebben voor de persoon van de minderjarige op het moment van de feiten, oordeelt het arrest (p. 5-6), ter verantwoording van de beslissing tot berisping van de eiser wegens de door hem op 30 november 2022 gepleegde feiten van smaad, dat de eiser een duidelijk en passend signaal moet krijgen dat het door hem gepleegde en bewezenverklaarde jeugddelict geenszins kan worden getolereerd, waarbij rekening moet worden gehouden met de persoonlijkheid en het gedrag van de eiser, en waarbij de opgelegde berisping de eiser duidelijk moet maken dat de inmiddels ingetreden meerderjarigheid hem geen vrijstelling verleent van de juridische gevolgen van de tijdens zijn minderjarigheid begane feiten. Het arrest kadert die feiten verder ook binnen de niet-naleving van de voorwaarden die eerder door de jeugdrechtbank aan de eiser werden opgelegd voor zijn betrokkenheid voor andere, zware feiten, zonder zich evenwel uit te spreken of de eiser die feiten heeft gepleegd, zonder te oordelen dat de opgelegde berisping mede een sanctie inhoudt voor de niet-naleving van die voorwaarden en zonder rekening te houden met factoren die niet worden bedoeld in artikel 16, § 1, Jeugddelinquentiedecreet. Het middel berust aldus op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 37, § 2, eerste lid, 1°, Jeugdbeschermingswet en de artikelen 29, § 2, eerste lid, 1°, en 31 Jeugddelinquentiedecreet: door te oordelen dat de opgelegde berisping “een gunst” betreft die de eiser duidelijk moet maken dat de inmiddels ingetreden meerderjarigheid hem geen vrijstelling verleent van de juridische gevolgen van de tijdens zijn minderjarigheid begane feiten, verantwoordt het arrest de beslissing tot berisping van de eiser niet naar recht; de jeugdrechtbank en in hoger beroep het hof van beroep kan oordelen geen sanctie te moeten opleggen; een berisping is daarentegen een sanctie die een officiële vermaning en een afkeuring van de feiten inhoudt, waarbij de betrokkene wordt aangemaand om in de toekomst anders te handelen; de berisping wordt ook in het strafregister van de betrokkene vermeld en houdt aldus een verregaande sanctie in die secundaire declasserende gevolgen met zich brengt en niet als een “gunst” kan worden beschouwd.
  8. Artikel 37, § 2, eerste lid, 1°, Jeugdbeschermingswet werd voor de Vlaamse Gemeenschap opgeheven door artikel 50, 2°, Jeugddelinquentiedecreet. In zoverre het middel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  9. Krachtens artikel 31, tweede lid, Jeugddelinquentiedecreet bestaat de op grond van artikel 29, § 2, eerste lid, 1°, van dat decreet opgelegde sanctie van het berispen erin dat de jeugdrechtbank naar aanleiding van een door een minderjarige als misdrijf omschreven feit aan die laatste meedeelt dat ze die feiten afkeurt en een appel doet op zijn verantwoordelijkheid, waarbij hij wordt aangemaand om in de toekomst anders te handelen. De door de jeugdrechtbank bij toepassing van die bepalingen opgelegde sanctie van de berisping mag krachtens artikel 63, tweede lid, Jeugdbeschermingswet nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht.
  10. De omstandigheid dat de berisping als sanctie krachtens artikel 63, eerste en derde lid, Jeugdbeschermingswet op het strafregister van de betrokkene wordt vermeld en ter kennis mag worden gebracht van gerechtelijke overheden, leidt als zodanig niet tot de declassering van de betrokkene.
  11. Artikel 29, § 2, eerste lid, Jeugddelinquentiedecreet somt op een exhaustieve wijze de sancties op, in opgaande graad van het ingrijpend karakter ervan, die de jeugdrechtbank, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, kan opleggen, waarbij de sanctie van het berispen als eerste wordt vermeld. De loutere omstandigheid dat de jeugdrechtbank als sanctie een berisping oplegt en bij de motivering van die sanctie in het licht van de in artikel 16, § 1, Jeugddelinquentiedecreet vermelde factoren erop wijst dat die sanctie voor de betrokkene een gunst inhoudt, leidt dan ook niet ertoe dat de beslissing tot het opleggen van die sanctie niet naar recht verantwoord of niet regelmatig met redenen omkleed zou zijn.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Met de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing om de eiser te berispen en omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.