← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.17 Rolnummer: P.24.0425.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 767 - laatst gezien 2026-06-18 21:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en hoewel dit artikel geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking van een onderzoeksrechter moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept en een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen; uit de omstandigheid dat een partij voor het indienen van een wrakingsverzoek een beroep moet doen op een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven volgt niet dat het aanvangstijdstip voor de beoordeling van de tijdigheid van het wrakingsverzoek het ogenblik is waarop die raadsman kennis heeft gekregen van de wrakingsgrond en dit aanvangstijdstip is wel degelijk het ogenblik waarop de partij zelf kennis heeft gekregen van de wrakingsgrond, maar bij de beoordeling van de tijdigheid moet wel rekening worden gehouden met het gegeven dat de partij die zelf kennis neemt van de wrakingsgrond overleg moet kunnen plegen met een raadsman die een wrakingsverzoek kan indienen en dat die raadsman in de mogelijkheid moet zijn om het wrakingsverzoek te kunnen opstellen en indienen en de rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek oordeelt rekening houdend met het voormelde onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan zodra die grond haar was gekend

(1).
(1)Cass. 18 april 2023, AR P.23.0427.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12, AC 2023, nr. 289; Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0565.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13, AC 2021, nr. 398; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25; Cass. 22 maart 2016, AR P.16.0365.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.12, AC 2016, nr. 207; Cass. 19 januari 2016, AR P.15.1371.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.1, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0425.N M. J., verzoeker tot wraking, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 14 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het eerste onderdeel voert schending van artikel 149 Grondwet en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart ten onrechte het wrakingsverzoek wegens laattijdigheid niet ontvankelijk; het oordeel over de laattijdigheid is gegrond op de niet-ondersteunende veronderstelling dat de eiser op 14 februari 2024 reeds kennis had van de later ingeroepen wrakingsgrond; uit het loutere gegeven dat een medewerkster van de raadsman van de eiser bijstand heeft verleend tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter en dat diezelfde dag een bevel tot aanhouding werd verleend, kan niet worden afgeleid dat er op 14 februari 2024 reeds voldoende zekerheid bestond om zich een overtuiging te kunnen vormen over de wrakingsgrond en om een feitelijk en juridisch onderbouwd en ontvankelijk wrakingsverzoek in te dienen; de eiser kon zelf dat verzoek niet indienen; ook uit het gegeven dat de eiser zelf kennis had van de wrakingsgrond kan niet worden afgeleid dat er op 14 februari 2024 reeds voldoende zekerheid bestond om zich een overtuiging te kunnen vormen over de wrakingsgrond en om een feitelijk en juridisch onderbouwd en ontvankelijk wrakingsverzoek in te dienen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart ten onrechte het wrakingsverzoek wegens laattijdigheid niet ontvankelijk; uit de betekening van het bevel tot aanhouding aan de eiser op 14 februari 2024 kan niet worden afgeleid dat de raadsman op die datum kennis heeft genomen van de inhoud van dit bevel en hij aldus kennis had van de wrakingsgrond; dit gegeven kan ook niet worden afgeleid uit de inzage van de inhoud van het strafdossier en de kopiename met eigen middelen op 15 februari 2024; gelet op de omvang van het dossier en een agendaconflict werd reeds op 15 februari 2024 aan de raadkamer meegedeeld dat om een uitstel zou worden verzocht op de raadkamerzitting van 16 februari 2024; het arrest kan dan ook niet oordelen dat de eiser reeds op donderdag 15 februari 2024 of op vrijdag 16 februari 2024 kennis heeft gehad van de wrakingsgrond, vermeld in het op maandag 19 februari 2024 ingediende verzoekschrift; uit het gegeven dat op de raadkamerzitting van 16 februari 2024 geen verzoek tot uitstel werd ingediend teneinde een wrakingsverzoekschrift in te dienen, kan niet worden afgeleid dat de raadsman op die datum reeds kennis had van de wrakingsgrond.
  4. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan.
  5. Hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking van een onderzoeksrechter moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept.
  6. Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen.
  7. Uit de omstandigheid dat een partij voor het indienen van een wrakingsverzoek een beroep moet doen op een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven volgt niet dat het aanvangstijdstip voor de beoordeling van de tijdigheid van het wrakingsverzoek het ogenblik is waarop die raadsman kennis heeft gekregen van de wrakingsgrond. Dit aanvangstijdstip is wel degelijk het ogenblik waarop de partij zelf kennis heeft gekregen van de wrakingsgrond.
  8. Bij de beoordeling van de tijdigheid moet wel rekening worden gehouden met het gegeven dat de partij die zelf kennis neemt van de wrakingsgrond overleg moet kunnen plegen met een raadsman die een wrakingsverzoek kan indienen en dat die raadsman in de mogelijkheid moet zijn om het wrakingsverzoek te kunnen opstellen en indienen.
  9. De rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek oordeelt rekening houdend met het voormelde onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan zodra die grond haar was gekend.
  10. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest oordeelt betreffende de vereiste tijdigheid van het wrakingsverzoek als volgt: - de eiser werd verhoord door de onderzoeksrechter op 14 februari 2024, die tegen hem dezelfde dag een bevel tot aanhouding heeft verleend, bevel dat hem dezelfde dag werd betekend om 14.47 u, met afgifte van een volledig afschrift van de akte; - de eiser werd bij dit verhoor bijgestaan door een raadsman die is verschenen in de plaats van de raadsman die het wrakingsverzoek heeft ingediend; - op 15 februari 2024 werd door een raadsman die optrad in de plaats van de raadsman die het wrakingsverzoek heeft ingediend, inzage genomen van het strafdossier; - de raadsman van de eiser heeft bij brief van 15 februari 2024 gevraagd om de raadkamerzitting van 16 februari 2024 betreffende de handhaving van eisers voorlopige hechtenis uit te stellen met het oog op de analyse van het dossier en omwille van een agendaprobleem; - bij dit verzoek om uitstel werd geen gewag gemaakt van een wrakingsprocedure; - de raadkamer is op dit verzoek ingegaan en heeft op 16 februari 2024 de behandeling van de zaak uitgesteld naar 20 februari 2024; - de eiser zelf had op 14 februari 2024 gelet op de betekening van het bevel tot aanhouding kennis van de ingeroepen wrakingsgrond; - het wrakingsverzoek dat is gegrond op wettige verdenking omdat de onderzoeksrechter zich in het bevel tot aanhouding heeft uitgesproken over de schuld van de eiser werd ingediend op 19 februari 2024; - de raadsman van de eiser wachtte dus tot 19 februari 2024, dit is de dag vóór de dag waarop de raadkamer na het uitstel op 16 februari 2024 de zaak zou behandelen, om het wrakingsverzoek in te dienen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het wrakingsverzoek laattijdig is ingediend en derhalve onontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.